Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201403851/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/313 met annotatie van prof. mr. H. Battjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403851/1/V2.

Datum uitspraak: 10 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2014 in zaak nr. 12/1814 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 24 juli 2012 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Op 10 september 2013 heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 9 april 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2015, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Ebes, advocaat te Lemmer, en door ing. A.A. Naeem en H.N.L. Verhagen, beiden verbonden aan de Nederlandse Ahmadiyya Moslim Gemeenschap Nederland, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling klaagt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Pakistan te vrezen heeft voor vervolging louter wegens het behoren tot de ahmadi-gemeenschap, of de wijze waarop hij aan zijn geloofsovertuiging invulling heeft gegeven, dan wel zal geven bij terugkeer in Pakistan. Hij betoogt dat uit de door hem overgelegde stukken, waaronder het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees 'UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Members of Religious Minorities from Pakistan' van 14 mei 2012 (hierna: het UNHCR rapport), volgt dat de blasfemiewetgeving vrijwel uitsluitend op ahmadi's wordt toegepast en dat zij dus als groep worden vervolgd. Voorts betoogt hij dat het enkele feit dat hij zijn werkzaamheden voor de ahmadi-gemeenschap tot aan zijn vertrek uit Pakistan in relatieve vrijheid heeft kunnen verrichten niet betekent dat hij zijn geloof in vrijheid kan belijden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij verklaard dat het voor hem van wezenlijk belang is zich in Pakistan een moslim te kunnen noemen en zijn geloof met de islam te kunnen vereenzelvigen. Dit is in strijd met de Pakistaanse blasfemiewetgeving, aldus de vreemdeling.

2.1. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling naar voren gebracht dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat er in Pakistan sprake is van groepsvervolging van ahmadi's. Voorts heeft hij aangevoerd dat in het tweede aanvullend gehoor van de vreemdeling naar voren is gekomen dat de vreemdeling bij terugkeer in Pakistan op dezelfde wijze uiting zal geven aan zijn geloof als voor zijn vertrek naar Nederland. Aangezien de vreemdeling in het verleden zonder belemmeringen zijn geloof heeft kunnen belijden, heeft kunnen bidden in een eigen gebedsruimte en jarenlang tal van activiteiten ten behoeve van zijn geloofsgemeenschap heeft kunnen verrichten, en niet is gebleken dat de situatie in Pakistan na zijn vertrek op significante wijze is veranderd, kan de vreemdeling ook na terugkeer in Pakistan zijn geloof, binnen de wettelijke kaders, belijden en uitoefenen. Hij heeft daarom volgens de staatssecretaris in Pakistan niet te vrezen voor vervolging.

2.2. De vreemdeling heeft in hoger beroep een aantal nadere stukken overgelegd, waaronder het thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de positie van Ahmadi's en Christenen in Pakistan van november 2014 (hierna: het ambtsbericht van 2014) en het rapport 'Country Information and Guidance, Pakistan: Ahmadis' van het UK Home Office van februari 2015 (hierna: het rapport van het UK Home Office). De Afdeling ziet aanleiding deze stukken in het belang van de rechtsontwikkeling en de rechtsbescherming in algemene zin bij de beoordeling van de grief te betrekken.

2.3. Het ambtsbericht van 2014, dat de periode van december 2012 tot en met begin november 2014 beslaat, vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

"2.1 Inleiding

De schattingen over de totale bevolking van Pakistan variëren van ongeveer 190 tot 196 miljoen inwoners. […] Naar schatting is 95% van de bevolking moslim.

[…]

2.4 Sektarisch geweld

Vooral sjieten (bijvoorbeeld hazara's) maar ook gematigde soennieten (waaronder barelvi's en soefi's), ahmadi's, christenen, hindoes en sikhs werden in de verslagperiode het slachtoffer van religieus gemotiveerd geweld, voornamelijk uitgevoerd door radicale soennitische bewegingen.

[…]

2.7 Mensenrechten

[…] Gedurende de verslagperiode hadden alle religieuze minderheden te maken met discriminatie, bedreigingen en geweld. Doordat extremistische moslimorganisaties in Pakistan gedurende de verslagperiode aan invloed hebben gewonnen, is het aantal mensenrechtenschendingen waar religieuze minderheden het slachtoffer van werden toegenomen. De Pakistaanse autoriteiten waren over het algemeen niet in staat hiertegen bescherming te bieden. […] Ook was er in de verslagperiode een toename van maatschappelijke intolerantie tegen religieuze minderheden. De blasfemie artikelen moedigen volgens mensenrechtenorganisaties intolerantie, intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden aan. Vooral ahmadi's waren het doelwit van een doelgerichte haatcampagne door radicale moslimorganisaties […] Onder de blasfemiewetgeving is het in Pakistan niet toegestaan in negatieve zin te spreken of te schrijven over de islam en zijn profeten. […] Vrijwel in alle gevallen zijn de beschuldigingen van blasfemie vals en ontbreekt ieder bewijs. Desondanks worden jaarlijks vele personen, enkel op basis van een beschuldiging, gearresteerd en formeel aangeklaagd op grond van de blasfemiewetgeving. Hoewel alle Pakistanen, dus ook moslims, hier het slachtoffer van kunnen worden, worden vooral religieuze minderheden relatief vaker beschuldigd van en veroordeeld voor blasfemie. […] In de media, in preken van radicaal-islamitische geestelijken, op bijeenkomsten, in pamfletten, folders en muurgraffiti kan intolerantie, discriminatie en geweld tegen religieuze minderheden vrijuit worden gepromoot. […] Tijdens de verslagperiode kwamen willekeurige arrestaties van ahmadi's en christenen geregeld voor. Zo werden bijvoorbeeld christenen door de politie gearresteerd en vals beschuldigd van het bezit van alcohol met als doel hen geld af te persen. In andere gevallen werden ahmadi's en christenen zonder enig bewijs van blasfemie beschuldigd en gearresteerd. […] Jaarlijks worden volgens bronnen minimaal duizend personen die tot religieuze minderheden behoren ontvoerd en gedwongen tot de islam bekeerd. […] Ook werden volgens berichten in de verslagperiode verschillende ahmadi's en christenen ontvoerd door criminelen en/of radicale moslimgroepen vanwege losgeld of intimidatie. […] In de verslagperiode werden verschillende leden van religieuze minderheden op grond van de blasfemiewetgeving ter dood veroordeeld. […] Hoewel tot nu toe geen enkele doodstraf in blasfemiezaken is uitgevoerd, kunnen beschuldigingen van blasfemie leiden tot jarenlange detentie, mishandeling en moord.

[…]

2.9 Vrijheid van godsdienst

Volgens de Pakistaanse grondwet heeft in beginsel iedere burger het recht om zijn geloof te belijden en te verspreiden. Bovendien heeft iedere gezindte en iedere sekte het recht om religieuze instellingen te stichten en te onderhouden. […] De Pakistaanse autoriteiten beperken in de praktijk de vrijheid van godsdienst voor in het bijzonder ahmadi's. Volgens bronnen maken de autoriteiten het religieuze minderheden […] lastig om nieuwe gebedshuizen te bouwen. […] Ook worden geregeld gebedshuizen van vooral ahmadi's op last van de autoriteiten geconfisqueerd of afgebroken en in sommige gevallen ook ontheiligd. In veel gevallen gebeurt dit onder druk van moellahs, radicale moslimgroeperingen of onder dreiging van geweld door lokale moslimgemeenschappen. Ahmadi's komen in de regel bijeen in moskeeën en/of particuliere huizen […]. Volgens berichten wordt door radicale moslimleiders veel druk op de autoriteiten uitgeoefend om deze vrijheid voor ahmadi's in te perken. Zo hebben de Pakistaanse autoriteiten in de verslagperiode gebedsdiensten van ahmadi's beëindigd omdat moslims hadden geklaagd over het citeren van koranverzen. Ook werden ahmadi's door lokale politie gedwongen om koranteksten uit hun moskeeën te verwijderen. Verder waren er gevallen van schendingen van ahmadigraven. […] Het is religieuze minderheden volgens de wet toegestaan om hun geloof te verspreiden. Voor ahmadi's geldt dit echter niet. Op grond van artikel 298-C van de Pakistan Penal Code is het ahmadi's niet toegestaan om anderen te bekeren. In de verslagperiode zijn diverse ahmadi's op basis van artikel 298-C gearresteerd. […] Blasfemiewetgeving, die in theorie alle religies moet beschermen, werd in de praktijk vrijwel uitsluitend gebruikt tegen personen die de naam van de (soennitische) islam zouden hebben besmeurd en niet om andere religies te beschermen tegen blasfemie. […] Ahmadi's werden aangeklaagd zowel op basis van de blasfemie wetsartikelen als op basis van specifieke anti-ahmadiwetgeving (artikelen 298B/C). Volgens verschillende bronnen is in de afgelopen jaren het aantal beschuldigingen van blasfemie tegen ahmadi's en christenen toegenomen. Niet alle beschuldigingen van blasfemie resulteren overigens in een formele rechtszaak. […] In veel gevallen zijn aanklachten wegens blasfemie ingegeven door persoonlijke of zakelijke […] conflicten. Aanklachten wegens blasfemie zijn dan ook veelal vals en nauwelijks onderbouwd. […] Beschuldigingen van blasfemie tegen ahmadi's en christenen gaan vaak gepaard met geweld. […] In de verslagperiode werden diverse personen verdacht van blasfemie binnen en buiten de rechtbank vermoord door radicale moslims.

[…]

3 Ahmadi's

3.1 Inleiding

Ahmadi's zien zichzelf als moslims en nemen diverse islamitische gewoonten en gebruiken in acht. Ahmadi's kennen ook een sterke missiedrang. […] Ahmadi's worden in grote delen van de islamitische wereld als ketters beschouwd, die het geloof in Mohammed als finale profeet […] verloochenen. […] De publieke opinie in Pakistan ten opzichte van ahmadi's is zo negatief dat niemand het in het openbaar voor hen zal opnemen of ahmadi's als voorbeeld zal gebruiken om te pleiten voor godsdienstvrijheid of verdraagzaamheid. Hoewel de ahmadi's door de wet en de meeste Pakistanen niet als moslims worden beschouwd, weigeren de meeste ahmadi's zich te karakteriseren als niet-moslim. […] Het werkelijke aantal ahmadi's wordt geschat op 600.000 tot vijf miljoen. Ahmadi's leven vooral in de provincies Sindh en Punjab. Relatief veel ahmadi's behoren sociaaleconomisch tot de betere klassen. Ahmadi's zijn over het algemeen goed georganiseerd en beschikken over eigen instellingen en organisaties.

[…]

3.3 Onderwijs en werkgelegenheid

Als men zich inschrijft voor hoger onderwijs moet men op het aanvraagformulier zijn/haar religie vermelden. Indien ahmadi's als moslim geregistreerd willen worden, dienen zij een verklaring te ondertekenen waarin zij verklaren dat Mohammed de laatste profeet was, dat de stichter van het ahmadi-geloof een bedrieger was en dat zijn volgelingen niet-moslims zijn.

[…]

3.4 Mensenrechten

Religieuze minderheden, waaronder christenen en ahmadi's, beschikken over eigen gedrukte media. Waar christenen doorgaans vrij zijn om boeken en tijdschriften uit te brengen moeten ahmadi-media aan specifieke voorwaarden voldoen. […] Ahmadi-publicaties mogen ook niet in het openbaar worden verkocht. […] In de Pakistaanse media wordt over het algemeen een zeer negatief beeld geschetst van de ahmadi-gemeenschap. Soms wordt ook aangezet tot haat en opgeroepen tot geweld tegen ahmadi's. […] In de praktijk wordt de vrijheid van vereniging en vergadering van ahmadi's door de Pakistaanse autoriteiten beperkt. Zo mogen ahmadi's geen conferenties of publieke bijeenkomsten houden. […] Ahmadi's boycotten al sinds jaren massaal de verkiezingen in Pakistan, omdat ze zich bij de kiezersregistratie apart moeten laten registreren als niet-moslim, hetgeen indruist tegen hun religie.

[…]

3.6 Geweld tegen ahmadi's

Volgens verschillende bronnen is het geweld tegen religieuze minderheden in de verslagperiode toegenomen. Hoewel algemeen wordt aangenomen dat slechts een kleine groep verantwoordelijk is voor dit geweld, zijn de discriminatoire wetgeving, de publieke promotie van religieuze intolerantie, het gebrek aan politiebescherming en het niet vervolgen van de daders een voedingsbodem voor geweld tegen sjieten, ahmadi's en christenen. Er waren in de verslagperiode talrijke aanvallen en aanslagen door radicale moslimgroepen op ahmadi's en hun religieuze plaatsen en bijeenkomsten.

[…]

5.5 Blasfemiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht

Het Pakistaanse Wetboek van Strafrecht (Pakistan Penal Code) bevat onder meer bepalingen gericht op bescherming van religieuze overtuigingen zoals die in Pakistan worden beleden. […] De wetsartikelen over blasfemie staan op gespannen voet met internationale mensenrechtenverdragen. Volgens bronnen maken de vage bewoording van deze artikelen, de minimale bewijslast en het ontbreken van sancties op valse beschuldigingen, misbruik op grote schaal mogelijk. Soms zitten er moellahs (islamitische geestelijken) of religieuze extremisten achter de blasfemiebeschuldigingen en wordt aangifte gedaan om religieuze minderheden te intimideren. In veel andere gevallen gaat het om individuen die een persoonlijk of zakelijk conflict met betrokkene uitvechten en deze persoon vervolgens wegens blasfemie aanklagen. Religieuze minderheden, vooral ahmadi's en christenen, zijn in dit verband extra kwetsbaar.

[…]

5.6 Wetgeving gericht tegen ahmadi's

Sinds 1974 worden leden van de ahmadi-groepering volgens de Pakistaanse grondwet niet langer als moslims beschouwd. In 1984 werden de artikelen 298-B en 298-C aan het Pakistaanse Wetboek van Strafrecht toegevoegd, die de religieuze vrijheid van ahmadi's verder inperkten. Deze zogenoemde anti-ahmadi bepalingen verbieden een groot aantal religieuze praktijken van ahmadi's. Op grond van artikel 298-B is het een ahmadi verboden bepaalde personen aan te spreken of aan te duiden met bepaalde islamitische titels, is het een ahmadi niet toegestaan de oproep tot zijn gebed te betitelen als Azan (de islamitische benaming voor een dergelijke oproep), alsmede een ahmadi-gebedshuis een Masjid (moskee) te noemen. Op grond van artikel 298-C is het een ahmadi onder meer verboden zich een moslim te noemen, zijn geloof als islam te betitelen en zijn geloof te prediken of te verspreiden. Een ahmadi kan hiervoor bestraft worden met een maximale gevangenisstraf van drie jaar en een geldboete."

2.4. In het UNHCR rapport staat, voor zover thans van belang:

"There is a well-documented history of violence and discrimination against Ahmadis in Pakistan. […] The Ahmadiyya Jama’at (i.e. Ahmadi movement) was officially established in 1889 in India as a reform movement within Islam. Although they consider themselves Muslim, Ahmadis hold beliefs that are different from mainstream Sunni interpretations of fundamental Islamic concepts, including the finality of prophethood. These doctrinal differences are considered by mainstream Muslims as un-Islamic and blasphemous. Declared a non-Muslim minority in 1974, Ahmadis are subject to the most severe legal restrictions and officially-sanctioned discrimination of all religious minorities in Pakistan. Blasphemy, "anti-Ahmadi" and other criminal provisions are reportedly used to target and harass followers of, and converts to, the Ahmadi faith. According to the National Commission of Justice and Peace, a human rights organization sponsored by the Catholic Church of Pakistan, at least 1,060 people, including 456 Ahmadis, were charged under the blasphemy law between 1986 and 2010. […]. According to reports, members of the Ahmadi community are often charged with religious offences on spurious grounds or to settle personal or business disputes. Discriminatory laws promulgated since the 1970s are said to foster an atmosphere of religious intolerance. Violence against Ahmadis has reportedly increased over the past three years and targeted killings are on the rise. […] The Government designates religious affiliation on national identity cards and passports, and requests religious information in national identity card applications. Designation as "Muslim" requires a written denunciation of the founder of the Ahmadi faith as a false prophet. This requirement has a particularly negative impact on Ahmadis and effectively prevents them from participating in the hajj or other Islamic pilgrimages. […] Although pursuant to section 298B(1) of the Penal Code Ahmadis are forbidden from calling their places of worship mosques, no formal restrictions on establishing places of worship exist. In practice, however, local authorities often refuse Ahmadis permission to build places of worship, and existing ones are at times closed, destroyed, desecrated or illegally expropriated. In addition, Ahmadis have been barred from holding public conferences since 1983. Their publications are banned from public sale, and the publishing houses are sometimes closed down and their staff harassed. […] In light of the foregoing, UNHCR considers that members of the Ahmadi community, including those targeted by Islamic extremist elements or charged with criminal offences under the blasphemy or anti- Ahmadi provisions, are likely to be in need of international refugee protection on account of their religion, depending on the individual circumstances of the case."

2.5. Het rapport van het UK Home Office vermeldt, voor zover thans van belang, het volgende:

"As confirmed in the country guidance Case of MN and others (paragraph 119ii), it is, and has long been, possible in general for Ahmadis to practice their faith on a restricted basis either in private or in community with other Ahmadis, without infringing domestic Pakistan law. However, the legislation that restricts the way in which Ahmadis are able to openly practice their faith not only prohibits preaching and other forms of proselytising but also in practice restricts other elements of manifesting one's religious beliefs, such as holding open discourse about religion with non-Ahmadis, even where this does not amount to proselytising. […] Sanctions include a fine and imprisonment and - if blasphemy is found - there is a risk of the death penalty. To date, this has not been carried out. However, there is a risk of lengthy incarceration if the penalty is imposed. […] There is clear evidence that the legislation is used by non-state actors to threaten and harass Ahmadis. […] Ahmadis are also subject to attacks by non-state actors from sectors of the majority Sunni Muslim population. […]. If an Ahmadi is able to demonstrate that it is of particular importance to their religious identity to practice and manifest their faith openly in Pakistan in defiance of the restrictions in the Pakistan Penal Code, they are likely to be in need of protection."

2.6. Uit de overgelegde stukken leidt de Afdeling af dat de Pakistaanse autoriteiten de vrijheid van godsdienst voor ahmadi's beperken. Ahmadi's worden volgens de Pakistaanse grondwet niet als moslims beschouwd en de blasfemiewetgeving, met name de zogenoemde anti-ahmadi bepalingen, perkt de religieuze vrijheid van ahmadi's verder in. Zo is het een ahmadi verboden zich een moslim te noemen, zijn geloof als islam te betitelen en zijn geloof te prediken of te verspreiden. De autoriteiten beperken - vaak onder druk van radicale moslimleiders - in de praktijk de vrijheid van godsdienst voor ahmadi's, door het hun moeilijk te maken om nieuwe gebedshuizen te bouwen en bijeen te komen in moskeeën en/of particuliere huizen. Het komt voor dat gebedshuizen door de autoriteiten worden gesloten. Mede als gevolg van de blasfemiewetgeving krijgen ahmadi's te maken met maatschappelijke intolerantie, ontvoeringen, gedwongen bekeringen en religieus gemotiveerd geweld. De autoriteiten zijn vaak niet in staat of bereid om bescherming te bieden tegen deze aanvallen van veelal extremistische moslimorganisaties. Door de staatssecretaris is ter zitting erkend dat de situatie in Pakistan voor ahmadi's zorgwekkend is en dat ahmadi's die zich publiekelijk als zodanig manifesteren zich aan grote risico's blootstellen. Uit de stukken volgt echter ook dat ahmadi's in Pakistan hun geloof kunnen belijden en uitoefenen, zij het binnen de in dit land geldende grenzen. Zij hebben gedrukte media, eigen instellingen en organisaties en zij kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen. Weliswaar wordt de blasfemiewetgeving misbruikt en is het aantal beschuldigingen van blasfemie tegen ahmadi's toegenomen ten opzichte van het vorige ambtsbericht, maar het aantal beschuldigingen tegen ahmadi's, afgezet tegen de omvang van de ahmadi-gemeenschap in Pakistan, is betrekkelijk gering. Dat ahmadi's in Pakistan als groep worden vervolgd, kan daarom niet uit de overgelegde stukken worden afgeleid. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat iedere ahmadi in Pakistan louter vanwege het zijn van ahmadi een gegronde vrees heeft voor vervolging.

2.7. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de wijze waarop hij aan zijn geloofsovertuiging invulling heeft gegeven, dan wel zal geven bij terugkeer in Pakistan, te vrezen heeft voor vervolging. De vreemdeling heeft verklaard dat hij bij terugkeer in Pakistan dezelfde activiteiten zal verrichten als voor zijn vertrek. Aangezien de vreemdeling bij die eerdere activiteiten geen belemmeringen heeft ondervonden, zal hij, aldus de rechtbank, ook bij terugkeer zijn geloof binnen de wettelijke kaders kunnen belijden en uitoefenen. Voorts kan volgens de rechtbank uit de verklaringen van de vreemdeling niet worden afgeleid dat het voor hem bijzonder belangrijk is zich moslim te noemen en zijn geloof met de islam te vereenzelvigen.

2.8. Uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, kan niet worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Uit de verklaringen van de vreemdeling kan immers worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld. Voorts lijkt uit de verklaringen te volgen dat het voor hem van belang is deze geloofsuitingen na terugkeer wel te kunnen verrichten. Zo heeft hij tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk verklaard dat hij onder andere uit Pakistan is vertrokken omdat hij wegens de blasfemiewetgeving niet in alle openheid volgens zijn geloof kan leven, zijn gebedsplaats geen moskee mag noemen en geen handelingen kan verrichten waaruit andere Pakistanen zouden kunnen afleiden dat hij zich als moslim manifesteert. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling niet kunnen verduidelijken uit welke verklaringen van de vreemdeling hij heeft afgeleid dat het voor de vreemdeling niet van bijzonder belang is zijn geloof te belijden op een wijze die hem, zoals hiervoor is overwogen, zou blootstellen aan vervolging. Dit klemt temeer, nu de staatssecretaris heeft erkend dat het voor een ahmadi gevaarlijk is zich in Pakistan publiekelijk als zodanig te manifesteren. Gelet hierop heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet te vrezen heeft voor vervolging wegens de wijze waarop hij bij terugkeer in Pakistan uiting wil geven aan zijn geloofsovertuiging. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens zijn individuele feiten en omstandigheden te vrezen heeft voor vervolging.

2.9. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 januari 2012, aangevuld bij besluit van 10 september 2013, alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2014 in zaak nr. 12/1814;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 16 januari 2012, aangevuld bij besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 september 2013, V-nummer 276.215.0939;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.940,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2015

284/572-802.