Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201410315/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014, nummer 2014-050, heeft de raad het bestemmingsplan "Nijkerkerveen en Holkerveen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2546
Milieurecht Totaal 2015/6262
JOM 2015/869
JM 2015/134 met annotatie van M.H. Blokvoort
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410315/1/R2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting de Goede Woning, gevestigd te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, en anderen (hierna: [appellante sub 2] en anderen),

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nijkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014, nummer 2014-050, heeft de raad het bestemmingsplan "Nijkerkerveen en Holkerveen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichting, [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2015, waar de stichting, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. J.A. Mendelts, [appellante sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [twee gemachtigden], en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], bijgestaan door mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door R.L.L. de Graauw, werkzaam bij de gemeente, en mr. M. Braakensiek en ir. A. de Jong, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader en plan

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bestaande kern van Nijkerkerveen en het buurtschap Holkerveen.

Het beroep van [appellante sub 2] en anderen

3. [appellante sub 2] en anderen betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte

zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

4. [appellante sub 2] en anderen betogen dat de doeleindenomschrijving in artikel 8, lid 8.1, van de planregels onduidelijk is. Zij stellen dat de daarin opgenomen voorwaardelijke verplichting rechtsonzeker is, omdat niet objectiveerbaar is wanneer daaraan is voldaan.

4.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven tot en met categorie 2 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1", tevens voor bedrijven tot en met categorie 3.1 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten en voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten, met voor laatstgenoemde bedrijven de voorwaardelijke verplichting dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot maximaal categorie 3.1 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten;

alsmede:

c. […];

d. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning", tevens wonen in een bedrijfswoning.

4.2. Voor de vraag of op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" een bedrijf dat is opgenomen in milieucategorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten is toegestaan, dient te worden beoordeeld of dat bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot maximaal milieucategorie 3.1. Het is niet ongebruikelijk een dergelijk criterium in een plan op te nemen als voorwaarde voor het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid, waarbij het college van burgemeester en wethouders per concreet geval een afweging over de invulling van het criterium maakt. Een dergelijk criterium is naar het oordeel van de Afdeling echter niet geschikt om, zoals in het voorliggende plan, zonder nadere objectivering te worden opgenomen in de beschrijving van een bestemming die bij recht wordt toegestaan. De realisering van de bestemming wordt daarmee afhankelijk gesteld van een nadere afweging die, gelet op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van het plan, reeds bij de rechtstreekse bestemming had moeten worden gemaakt. In dit verband is van belang dat de planregels niet beschrijven onder welke voorwaarden een bedrijf dat is ingedeeld in milieucategorie 3.2, naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot een lagere milieucategorie. Op basis van de planregels is dan ook onzeker welke bedrijven naar aard en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot maximaal milieucategorie 3.1. Daarmee is onzeker welke bedrijven zich op de desbetreffende gronden kunnen vestigen. Daar komt bij dat de planregel weliswaar de term "voorwaardelijke verplichting" bevat, maar geen verplichting inhoudt waaraan moet worden voldaan teneinde de bestemming te mogen realiseren en derhalve niet kwalificeert als voorwaardelijke verplichting. Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre rechtsonzeker.

Het betoog slaagt.

5. [appellante sub 2] en anderen richten zich tegen de bestemmingsregeling die in het plan is opgenomen voor hun bedrijven die zijn gelegen aan de [locatie 1, 2, 3, 4 en 5] te Nijkerkerveen.

[appellante sub 2] en anderen betogen dat het plan minder mogelijkheden voor het gebruik van de gronden toestaat dan het voorheen geldende plan, terwijl de raad blijkens de zienswijzennota heeft beoogd de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan niet te beperken. Zij stellen dat deze inperking van de mogelijkheden leidt tot een waardedaling van de gronden en opstallen. Voorts is de inperking volgens hen niet noodzakelijk. Voor zover de raad stelt dat de aanwezige bedrijfswoningen in de weg staan aan het mogelijk maken van bedrijven in milieucategorie 3.2, stellen [appellante sub 2] en anderen dat maatregelen kunnen worden getroffen waardoor de bedrijfswoningen geen hinder ondervinden. Ook kunnen de bedrijven hun hinder veroorzakende activiteiten in noordelijke en oostelijke richting verplaatsen, aldus [appellante sub 2] en anderen. Daarnaast stellen [appellante sub 2] en anderen dat de wethouder heeft toegezegd dat de bestaande rechten behouden blijven.

[appellante sub 2] en anderen betogen voorts dat een deel van de bestaande bedrijven ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Zij stellen daartoe dat de poeliersbedrijven die zijn gevestigd aan de [locatie 1] en de [locatie 4] onder de omschrijving "slachterijen en overige vleesverwerking" in milieucategorie 3.2 vallen, terwijl ter plaatse bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Voorts is het vulcaniseerbedrijf op de locaties [locatie 3] en [locatie 6-7] ten onrechte niet toegestaan, omdat dit in milieucategorie 4.1 valt, aldus [appellante sub 2] en anderen.

5.1. De raad heeft als uitgangspunt genomen dat alle ter plaatse bestaande bedrijven, die volgens hem in milieucategorie 3.1 of lager vallen, in het plan zijn toegestaan. De raad heeft beoogd de mogelijkheden uit het voorheen geldende plan actualiserend over te nemen. In het voorheen geldende plan waren ter plaatse bedrijven tot en met categorie III toegestaan. Dat komt volgens de raad grotendeels overeen met milieucategorie 3.1 in de categorie-indeling zoals die thans wordt gebruikt in de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 (hierna: VNG-brochure). De raad stelt ter plaatse geen bedrijven te willen toelaten die naar aard en invloed op de omgeving in een hogere milieucategorie dan 3.1 vallen.

5.2. Ten aanzien van het betoog dat de poeliersbedrijven ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd, overweegt de Afdeling het volgende. [appellante sub 2] en anderen hebben ter zitting verklaard dat ter plaatse hoofdzakelijk kip en kipproducten worden verpakt, verwerkt en gekruid. Desgevraagd hebben [appellante sub 2] en anderen toegelicht dat het slachten van kippen geen wezenlijk onderdeel is van de bedrijfsvoering en slechts incidenteel voorkomt. Gelet daarop zijn deze poeliersbedrijven groothandels in vlees. Volgens de als bijlage 2 bij de planregels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten vallen groothandels in vlees in milieucategorie 3.1. De poeliersbedrijven zijn derhalve als zodanig bestemd.

Het betoog faalt.

5.3. Ten aanzien van het betoog dat het vulcaniseerbedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling het volgende. Dit betreft volgens [appellante sub 2] en anderen een bandenloopvlakvernieuwingsbedrijf met een oppervlakte van 1.700 m2. Een dergelijk bedrijf valt in de als bijlage 2 bij de planregels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten van het thans voorliggende plan in milieucategorie 4.1 en is derhalve niet als zodanig bestemd.

Het college van burgemeester en wethouders heeft vrijstelling van het voorheen geldende bestemmingsplan verleend voor de vestiging van een vulcaniseerbedrijf. [appellante sub 2] en anderen hebben ter zitting verklaard dat het bedrijf zijn activiteiten in 2001 heeft gestaakt en dat niet is uitgesloten dat het vulcaniseerbedrijf in de toekomst weer met de bedrijfsactiviteiten aanvangt. Ten tijde van de vaststelling van het plan was daartoe echter geen concreet voornemen aan het gemeentebestuur medegedeeld. Gelet op het voorgaande, heeft de raad in redelijkheid niet hoeven voorzien in de mogelijkheid van een vulcaniseerbedrijf ter plaatse.

Het betoog faalt.

5.4. Ten aanzien van het betoog dat de planologische mogelijkheden uit het voorheen geldende plan niet zijn overgenomen, overweegt de Afdeling het volgende. Door de raad is ter zitting bevestigd dat enkele bedrijfstypen die in het voorheen geldende plan waren ingedeeld in categorie III, nu onder milieucategorie 3.2 of hoger vallen. [appellante sub 2] en anderen hebben met de enkele verwijzing naar uitlatingen van de verantwoordelijke wethouder in de raadsvergadering, wat daar ook van zij, niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het voorliggende plan zou voorzien in dezelfde planologische mogelijkheden als het voorheen geldende plan. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft beoogd in het voorliggende plan enkel bedrijven toe te staan die naar aard en invloed op de omgeving overeenkomen met bedrijven in milieucategorie 3.1, omdat de vestiging van een bedrijf in een hogere milieucategorie ertoe kan leiden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de in het gebied aanwezige woningen niet langer aanvaardbaar is. Niet is gebleken dat [appellante sub 2] en anderen ten tijde van de vaststelling van het plan concrete voornemens hadden om ter plaatse een bedrijf te vestigen dat valt in milieucategorie 3.2 of hoger. Evenmin is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan ter plaatse bedrijven van milieucategorie 3.2 of hoger aanwezig waren. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen aan het belang bij behoud van de planologische mogelijkheden uit het voorheen geldende plan.

Het betoog faalt.

6. [appellante sub 2] en anderen stellen dat onduidelijk is of het plan financieel uitvoerbaar is, omdat niet is uitgesloten dat zij door het plan schade lijden. Volgens hen heeft de gemeente geen gelden beschikbaar gesteld om planschade te vergoeden.

6.1. [appellante sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente de mogelijke aanspraken op planschade ten gevolge van het plan niet kan voldoen. Hetgeen zij hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de eventuele aanspraken op planschade zodanig hoog zijn dat zij op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.

Het betoog faalt.

7. [appellante sub 2] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 2] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

8. In hetgeen [appellante sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de zinsnede "en voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten, met voor laatstgenoemde bedrijven de voorwaardelijke verplichting dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot maximaal categorie 3.1 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten" in artikel 8, lid 8.1, onder b, van de planregels is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Koolhaaspark 9 te Nijkerkerveen

9. De stichting betoogt dat de raad op haar perceel Koolhaaspark 9 te Nijkerkerveen ten onrechte geen twee-onder-een-kap-woning met bijbehorende vergroting van het bouwvlak heeft mogelijk gemaakt. Zij stelt daartoe dat op haar andere, vergelijkbare, percelen aan de Amersfoortseweg wel een twee-onder-een-kap-woning wordt mogelijk gemaakt. Bovendien heeft zij haar wens om ter plaatse een twee-onder-een-kap-woning te kunnen bouwen aan het gemeentebestuur kenbaar gemaakt.

9.1. Aan de gronden ter plaatse van het perceel Koolhaaspark 9 te Nijkerkerveen is de bestemming "Wonen" toegekend. Voor een deel van deze gronden is een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 19.2, onder 19.2.1, gelden voor een hoofdgebouw de volgende regels:

a. een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;

b. een hoofdgebouw mag uitsluitend vrijstaand of twee-aaneen worden gebouwd, met dien verstande dat:

1. het aantal woningen per bouwvlak niet meer bedraagt dan het bestaande aantal;

2. ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" hoofdgebouwen aaneengebouwd in rijen van 3 of meer aaneen mogen worden gebouwd.

9.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie aan de Amersfoortseweg verschilt van de aan de orde zijnde situatie aan het Koolhaaspark omdat de bestaande bebouwing aan het Koolhaaspark niet in een bebouwingscluster staat. Daarbij staan de woningen aan de Amersfoortseweg, anders dan de woning aan het Koolhaaspark, aan een doorgaande weg, aldus de raad. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door de stichting genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

De stichting heeft voorafgaand aan de vaststelling van het plan overleg gevoerd met het gemeentebestuur over de invulling van onder meer de gronden aan en rondom Koolhaaspark 9. Ter zitting heeft de stichting bevestigd dat zij voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen concreet initiatief om ter plaatse een twee-onder-een-kap-woning te realiseren aan het gemeentebestuur had voorgelegd. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen rekening hoeven te houden met de wens van de stichting om ter plaatse een twee-onder-een-kap-woning te realiseren.

Het betoog faalt.

Amersfoortseweg 138

10. De stichting en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat ter plaatse van de horecagelegenheid aan de Amersfoortseweg 138 te Holkerveen ten onrechte een partycentrum is toegestaan. De stichting en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen dat de gevolgen voor de omgeving niet zijn onderzocht en vrezen voor aantasting van het woon- en leefklimaat door geluid-, verkeer en lichthinder. Zij betogen tevens dat ten onrechte geen parkeerbehoeftebepaling in het plan is opgenomen. De stichting en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] betogen voorts dat het plan in strijd is met de op 30 juni 2011 door de raad vastgestelde Structuurvisie Nijkerk/Hoevelaken 2030 (hierna: de structuurvisie). Verder stellen [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat niet is onderbouwd hoe het mogelijk maken van een partycentrum zich verhoudt tot de natuurwaarden.

De stichting richt zich tevens tegen de vergroting van het bouwvlak ten opzichte van het voorheen geldende plan. Zij betoogt dat de gevolgen voor de omgeving niet zijn onderzocht en vreest voor geluid-, verkeer en lichthinder.

[appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] richten zich voorts tegen het toekennen van de bestemming "Horeca" ter plaatse van de Amersfoortseweg 138 aan gronden rondom het horecabedrijf waar in het voorheen geldende plan geen horecabestemming was toegekend. Dat is volgens hen eveneens in strijd met de structuurvisie.

10.1. Ter zitting heeft de raad gesteld dat een partycentrum ter plaatse kan worden toegestaan, omdat een partycentrum vergelijkbaar is met een discotheek en een discotheek in het voorheen geldende plan was toegestaan. De raad heeft voor het toestaan van een partycentrum gekozen, omdat de horeca-inrichting tegenwoordig feitelijk als partycentrum en niet als discotheek wordt gebruikt. Dat omwonenden hinder ondervinden van het partycentrum wordt veroorzaakt door de aldaar gevoerde bedrijfsvoering waartegen handhavend wordt opgetreden, aldus de raad. De raad stelt dat een exploitatie van het partycentrum mogelijk is zonder hinder voor de omwonenden, zodat een partycentrum ter plaatse daarmee aanvaardbaar is.

10.2. Aan de gronden aan de Amersfoortseweg 138 is de bestemming "Horeca" toegekend. Voor een deel van deze gronden is een bouwvlak opgenomen. Het bouwvlak ter plaatse van de Amersfoortseweg 138 heeft een oppervlakte van ongeveer 1.795 m2.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horeca(bedrijven) als genoemd in categorie I en II, alsmede voor een partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van muziek/dansevenementen) van Bijlage 1 Lijst van horecacategorieën.

Ingevolge lid 11.2, onder 11.2.1, onder a, dient een gebouw binnen een bouwvlak te worden gebouwd.

10.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Nijkerk 2009" is aan de gronden aan de Amersfoortseweg 138 en 138a de bestemming "Horeca" toegekend. Voorts is voor deze gronden een bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Nijkerk 2009" zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horecabedrijven met de nadere bestemming die hierna is vermeld bij een adres en voor daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen afschermende en andere groenvoorzieningen, parkeerplaatsen en tuinen. In de vervolgens in de planvoorschriften opgenomen tabel staat bij het adres "Amersfoortseweg 138, 138a" onder het kopje "nadere bestemming" vermeld: discotheek, hotel, restaurant. Voor dat adres is onder het kopje "max. oppervlakte gebouwen en overkappingen" vermeld: 1680 m2.

Ingevolge lid 12.2, onder 12.2.2, onder a, mogen het aantal bedrijfswoningen, de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en de goothoogte en hoogte van gebouwen binnen elk bestemmingsvlak niet meer bedragen dan voor dat vlak in de tabel in lid 12.1 is aangegeven.

10.4. Ten aanzien van de door de stichting en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] aangevoerde strijd met de structuurvisie, overweegt de Afdeling het volgende. In de structuurvisie is volgens de stichting en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] opgenomen dat de gemeente streeft naar versterking van het landschap en een open landschap tussen de kernen. Dit verhoudt zich volgens hen niet met een zalencentrum met een capaciteit van 1.400 personen. De Afdeling overweegt dat de structuurvisie op hoofdlijnen de visie op de ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 beschrijft en niet op perceelsniveau een gewenste ruimtelijke ontwikkeling weergeeft. In de structuurvisie is in hoofdstuk 3 op kaart 12 ter plaatse van de Amersfoortseweg 138 een bestaande uitgaansgelegenheid aangeduid. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met de structuurvisie.

Het betoog faalt.

10.5. Ten aanzien van het betoog over de vergroting van het bouwvlak, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft de stichting toegelicht dat zij met name ervoor vreest dat een toename van het maximaal te bebouwen oppervlak leidt tot geluid- en parkeerhinder. De raad heeft onweersproken gesteld dat de vergroting van het bouwvlak ziet op een gedeeltelijke uitbreiding van de keuken van het horecabedrijf. Het college van burgemeester en wethouders heeft volgens de raad aan het horecabedrijf een toezegging voor deze uitbreiding gedaan, omdat deze is ingegeven vanuit Arbo-technisch en hygiënisch oogpunt. Het horecabedrijf heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een anderhalf maal grotere uitbreiding van de keuken, maar de raad heeft slechts de door het college toegezegde uitbreiding van de keuken in het plan opgenomen. Daarbij heeft de raad betrokken dat een uitbreiding van de keuken naar zijn aard niet leidt tot meer geluidoverlast voor de omwonenden of tot een toename van het aantal bezoekers. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid het bouwvlak met deze omvang en situering in het plan kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

10.6. Ten aanzien van het betoog dat de raad ten onrechte een partycentrum heeft mogelijk gemaakt, overweegt de Afdeling het volgende. De enkele stelling van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] dat niet is onderbouwd hoe het mogelijk maken van een partycentrum zich verhoudt tot de natuurwaarden, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen partycentrum mogelijk heeft kunnen maken.

De raad heeft echter geen onderzoek verricht naar de gevolgen van een partycentrum voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Zo is niet onderzocht of het toestaan van een partycentrum kan leiden tot onaanvaardbare geluidhinder en is evenmin onderzoek gedaan naar de gevolgen voor parkeren. De raad stelt zich op het standpunt dat geen onderzoek nodig was, omdat het toegestane partycentrum vergelijkbaar is met de voorheen toegestane discotheek die geen hinder voor de omwonenden veroorzaakte. De raad heeft daarbij echter niet betrokken dat een partycentrum en een discotheek kunnen verschillen in onder meer de aard en het tijdstip van de evenementen, het aantal bezoekers en de voor hen benodigde parkeerplaatsen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van een partycentrum niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de omwonenden.

Het betoog slaagt.

10.7. De stichting heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De stichting heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

11. In hetgeen de stichting en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de zinsnede ", alsmede voor een partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van muziek/dansevenementen)" in artikel 11, lid 11.1, onder a, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Slotoverwegingen

12. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de stichting Stichting de Goede Woning, [appellante sub 2] en anderen en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nijkerk van 30 oktober 2014, nummer 2014-050, voor zover het betreft

a. de zinsnede "en voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten, met voor laatstgenoemde bedrijven de voorwaardelijke verplichting dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot maximaal categorie 3.1 van Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten" in artikel 8, lid 8.1, onder b, van de planregels;

b. de zinsnede ", alsmede voor een partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van muziek/dansevenementen)" in artikel 11, lid 11.1, onder a, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Nijkerk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Nijkerk tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. aan de stichting Stichting de Goede Woning tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellante sub 2] en anderen tot een bedrag van € 1.016,24 (zegge: duizendzestien euro en vierentwintig cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tot een bedrag van € 1.255,18 (zegge: twaalfhonderdvijfenvijftig euro en achttien cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Nijkerk vergoedt aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van:

a. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de stichting Stichting de Goede Woning;

b. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Helder

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015

343-803.