Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201409076/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:6359, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2013 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om in mutatierapporten nrs. 2010233459, 2010238554, 2010282572 en 2010282657 verwerkte politiegegevens te verwijderen, dan wel af te schermen, aangemerkt als een verzoek om verwijdering van deze politiegegevens en het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409076/1/A3.

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2014 in zaak nr. 13/4456 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2013 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om in mutatierapporten nrs. 2010233459, 2010238554, 2010282572 en 2010282657 (hierna: mutatie I, II, III of IV; hierna samen: de mutaties) verwerkte politiegegevens te verwijderen, dan wel af te schermen (hierna: het verzoek), aangemerkt als een verzoek om verwijdering van deze politiegegevens en het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de korpschef het verzoek, voor zover dat ziet op verwijdering van politiegegevens, gedeeltelijk ingewilligd en, voor zover dat ziet op afscherming van politiegegevens, afgewezen.

Bij uitspraak van 1 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 12 juni 2013 ingestelde beroep ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.W. Groenhart, advocaat te Haarlem, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. B.A. Vredendaal, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet politiegegevens (hierna: de Wpg) wordt in de Wpg en de daarop berustende bepalingen onder politiegegeven verstaan: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt.

Ingevolge deze aanhef en onder c wordt in de Wpg en de daarop berustende bepalingen onder verwerken van politiegegevens verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot politiegegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, vergelijken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van politiegegevens.

Ingevolge deze aanhef en onder f, sub 1, wordt in de Wpg en de daarop berustende bepalingen onder verantwoordelijke bij de politie verstaan: de korpschef.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden politiegegevens slechts verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens de Wpg geformuleerde doeleinden.

Ingevolge artikel 8, eerste, tweede en derde lid, kunnen politiegegevens, voor zover aan de in deze leden gestelde vereisten is voldaan, worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.

Ingevolge het zesde lid worden de politiegegevens, die op grond van het eerste, tweede of derde lid zijn verwerkt, vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak en worden zij in ieder geval uiterlijk vijf jaar na de datum van eerste verwerking verwijderd.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, kan een ieder over wiens persoon politiegegevens worden verwerkt de verantwoordelijke schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen indien deze feitelijk onjuist, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het desbetreffende verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 28 als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

2.1. Mutatie I maakt melding van op [appellant] betrekking hebbende gebeurtenissen die op 22 september 2010 hebben plaatsgevonden. Mutatie I vermeldt voorts dat [appellant] naar aanleiding van deze gebeurtenissen is nagetrokken, hetgeen een antecedent uit 1987 (hierna: het antecedent) en veel mutaties en aandachtvestigingen die verband houden met de scheiding tussen [appellant] en diens ex-echtgenote heeft opgeleverd. Mutatie II maakt melding van de door [appellant] op 28 september 2010 op het politiebureau gegeven toelichting op voormelde gebeurtenissen. De mutaties III en IV vermelden de door [appellant] op 16 november 2010 ten overstaan van de politie gegeven toelichting op de in mutatie I vermelde gebeurtenissen die, aldus [appellant], hun oorzaak vinden in problemen die hij met een ex-partner, niet zijnde zijn ex-echtgenote, heeft gehad en op 16 november 2010 nog steeds had. Voorts vermelden de mutaties III en IV de eveneens op deze datum door [appellant] gegeven reactie op de omstandigheid dat mutatie I melding maakt van het antecedent.

2.2. Bij besluit van 26 mei 2014 heeft de korpschef alle in de mutaties verwerkte politiegegevens die volgens [appellant] aan het antecedent refereren (hierna: de aan het antecedent refererende politiegegevens) alsnog verwijderd. Tevens heeft hij daarbij geweigerd de overige in de mutaties verwerkte politiegegevens (hierna: de overige politiegegevens) af te schermen. Nu de korpschef hiermee het verzoek deels alsnog heeft ingewilligd en deels alsnog heeft afgewezen, heeft de korpschef, bij besluit van 26 mei 2014, het besluit van 12 juni 2013 gedeeltelijk gewijzigd. Het besluit van 26 mei 2014 wordt, ingevolge artikel 6:19 van de Awb, geacht van rechtswege voorwerp van het geding in eerste aanleg te zijn. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Reeds hierom komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

3. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen [appellant] overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het volgende overwogen.

4. Ambtshalve wordt daarbij als volgt overwogen.

4.1. Het besluit van 26 mei 2014 strekt slechts tot gedeeltelijke wijziging van het besluit van 12 juni 2013. Het besluit van 26 mei 2014 ziet echter niet op besluit van 12 juni 2013, voor zover de korpschef daarbij heeft geweigerd de overige politiegegevens te verwijderen. Nu [appellant] in beroep tegen deze weigering is opgekomen, heeft hij procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het besluit van 12 juni 2013 ingestelde beroep, zij het dat hij bij deze beoordeling geen belang meer heeft bij bespreking van de door hem tegen het gewijzigde gedeelte van het besluit van 12 juni 2013 aangevoerde beroepsgronden. De stelling van [appellant] dat hij door het besluit van 12 juni 2013 in zijn eer en goede naam is aangetast en daardoor immateriële schade heeft geleden, maakt niet dat hij toch belang heeft bij bespreking van de aldus door hem aangevoerde beroepsgronden, omdat hij niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het gewijzigde gedeelte van het besluit van 12 juni 2013 zodanig heeft geleden, dat zich een aantasting in vorenbedoelde zin heeft voorgedaan, dan wel dat immateriële schade is ontstaan. De vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken en het betaalde griffierecht moet worden vergoed, geeft evenmin aanleiding om tot bespreking van de aldus door [appellant] aangevoerde beroepsgronden over te gaan. In de omstandigheid dat de korpschef, door het besluit van 12 juni 2013 bij besluit van 26 mei 2014 te wijzigen, [appellant] is tegemoetgekomen, is echter wél grond gelegen de korpschef tot vergoeding van bij [appellant], in verband met de behandeling van het tegen het besluit van 12 juni 2013 ingestelde beroep, opgekomen proceskosten te veroordelen en hem te gelasten het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep aan [appellant] te vergoeden.

4.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten, genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nova zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, toetsen.

4.2.1. Onder nova moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een - hernieuwde - rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4.2.2. [appellant] heeft eerder op 20 december 2010 een verzoek ingediend om verwijdering van in mutaties I en II verwerkte politiegegevens (hierna: het eerdere verzoek). Bij besluit van 28 maart 2011 heeft de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (thans en hierna: de korpschef) het eerdere verzoek onder meer afgewezen, omdat de in artikel 28, eerste lid, van de Wpg vermelde inwilligingsgrond dat de politiegegevens voor het doel van de verwerking niet ter zake dienend zijn, zich niet voordoet. Nu [appellant] het opvolgende verzoek op dezelfde in artikel 28, eerste lid, van de Wpg vermelde inwilligingsgrond heeft gebaseerd, zijn de besluiten van 12 juni 2013 en 26 mei 2014, voor zover de korpschef daarbij het opvolgende verzoek heeft afgewezen, van gelijke strekking als het besluit van 28 maart 2011, zodat het hiervoor onder 4.2 en 4.2.1 weergegeven beoordelingskader van toepassing is. Dat [appellant] bij het opvolgende verzoek, anders dan bij het eerdere verzoek, ook om afscherming van politiegegevens heeft gevraagd, doet daaraan niet af, omdat beide verzoeken, nu [appellant] daarmee wil voorkomen dat de in mutaties I en II verwerkte politiegegevens verder worden verwerkt, in essentie gelijk zijn.

4.2.3. In de bestuurlijke fase heeft [appellant], voor zover thans nog van belang, aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de overige politiegegevens, verwerkt in mutaties I en II, wegens het tijdsverloop sinds het besluit van 28 maart 2011, niet langer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.

4.2.4. In hetgeen [appellant] aldus heeft aangevoerd zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gelegen, reeds omdat op voorhand is uitgesloten dat het aan het besluit van 28 maart 2011 kan afdoen. Uit het enkele tijdsverloop sinds dit besluit volgt immers niet dat de overige politiegegevens, verwerkt in mutaties I en II, ten tijde van het nemen van de besluiten van 12 juni 2013 en 26 mei 2014, niet langer noodzakelijk waren voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Nu zich voorts geen relevante wijziging van het recht voordoet en [appellant] niet heeft aangetoond dat buitengewone omstandigheden bestaan waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan, is voor toetsing van de besluiten van 12 juni 2013 en 26 mei 2014, voor zover de korpschef daarbij heeft geweigerd de overige politiegegevens, verwerkt in mutaties I en II, te verwijderen, dan wel af te schermen, geen plaats.

5. [appellant] heeft betoogd dat de korpschef zich bij besluit van 12 juni 2013 ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de in mutaties III en IV verwerkte politiegegevens niet voor verwijdering in aanmerking komen. [appellant] verwijst daartoe naar het tijdsverloop sinds de verwerking van deze politiegegevens in mutaties III en IV. Voorts voert hij aan dat de in mutaties III en IV vermelde toelichting niet over zijn ex-echtgenoot, maar over zijn ex-partner gaat.

5.1. Bij besluit van 12 juni 2013 heeft de korpschef aan zijn aldus bestreden standpunt ten grondslag gelegd, dat de in mutaties III en IV verwerkte politiegegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. De korpschef heeft daarbij gewezen op de samenhang tussen de in mutaties III en IV verwerkte politiegegevens enerzijds en de in mutaties I en II verwerkte politiegegevens, die niet voor verwijdering in aanmerking komen, anderzijds. Voorts heeft hij erop gewezen dat [appellant], blijkens mutaties III en IV, van problemen tussen [appellant] en zijn ex-echtgenote melding heeft gemaakt. Nu de politie vaker bemoeienis met problemen tussen [appellant] en zijn ex-echtgenote heeft gehad, is het van belang een zo compleet mogelijk overzicht te houden van de contacten die de politie in dit verband met [appellant] en zijn ex-echtgenote heeft gehad, aldus de korpschef.

5.2. Gezien hetgeen hiervoor onder 2.2 en 4.1 is overwogen, behoeft dit betoog, voor zover het op de aan het antecedent refererende politiegegevens ziet, geen bespreking.

5.3. Hoewel de korpschef ten onrechte ervan is uitgegaan dat [appellant], blijkens mutaties III en IV, melding heeft gemaakt van problemen tussen hem en zijn ex-echtgenote, heeft de korpschef zich, door te verwijzen naar de samenhang met niet voor verwijdering in aanmerking komende politiegegevens, verwerkt in mutaties I en II, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de overige politiegegevens, verwerkt in mutaties III en IV, noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak. Het enkele tijdsverloop sinds de verwerking van de overige politiegegevens in mutaties III en IV doet daaraan niet af, omdat daaruit niet volgt dat deze politiegegevens ten tijde van belang niet langer noodzakelijk waren voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.

Het betoog faalt.

6. [appellant] heeft betoogd dat de korpschef zich in het besluit van 26 mei 2014 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de overige politiegegevens niet voor afscherming in aanmerking komen omdat verwerking van de overige politiegegevens niet onrechtmatig is. [appellant] voert daartoe aan dat verdere verwerking van de overige politiegegevens niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.

6.1. Gezien hetgeen hiervoor onder 4.2.4 is overwogen, is voor toetsing van het besluit van 26 mei 2014, voor zover de korpschef daarbij heeft geweigerd de overige politiegegevens, verwerkt in mutaties I en II, af te schermen, geen plaats.

6.2. Gezien hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.3 is overwogen, kan [appellant] voorts niet worden gevolgd in zijn betoog dat verdere verwerking van de overige politiegegevens, verwerkt in mutaties III en IV, niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de dagelijkse politietaak.

Het betoog faalt.

7. Het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 12 juni 2013 is ongegrond. Het van rechtswege gegenereerde beroep tegen het besluit van 26 mei 2014 is eveneens ongegrond.

8. [appellant] heeft verzocht de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die hij als gevolg van het besluit van 12 juni 2013 stelt te hebben geleden.

8.1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van deze wet, blijft, op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

8.2. De Afdeling is ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb uitsluitend bij gegrondverklaring van een beroep bevoegd een veroordeling tot vergoeding van geleden schade uit te spreken. Gezien hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen, moet het verzoek van [appellant] om schadevergoeding worden afgewezen. Dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond is, maakt dit niet anders, omdat bij de beoordeling van het hoger beroep geen oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 12 juni 2013 is gegeven.

9. De korpschef moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld, bestaande uit de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de reiskosten die [appellant] heeft gemaakt om ter zitting bij de Afdeling te verschijnen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2014 in zaak nr. 13/4456;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 12 juni 2013 ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 26 mei 2014 ongegrond;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.232,44 (zegge: tweeduizend tweehonderdtweeëndertig euro en vierenveertig cent), waarvan € 2.205,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015

610.