Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2648

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201309216/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309216/3/R1.

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Wijnandsrade, gemeente Nuth,

appellant,

en

de raad van de gemeente Nuth,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.P.M. Thevis, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Bij tussenuitspraak van 10 december 2014, in zaak nr. 201309216/1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 18 juni 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 13 maart 2015, in zaak nr. 201309216/4/R1, heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 28 april 2015.

Bij brief van 8 april 2015 heeft de raad medegedeeld dat bij besluit van 24 maart 2015 het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld teneinde het gebrek dat in de tussenuitspraak is geconstateerd te herstellen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 18 juni 2013

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat aan de loods op het perceel [locatie 1] in Wijnandsrade onder meer de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" is toegekend. Voorts is in de tussenuitspraak overwogen dat deze aanduiding, volgens het vermelde op pagina 37 van de plantoelichting, is bedoeld voor situaties waar sprake is van een burgerwoonbestemming welke een voormalig agrarisch bedrijf betreft, waarbij op een perceel meer bijgebouwen aanwezig zijn dan het bestemmingsplan toestaat en dat gelet hierop lijkt te zijn beoogd de loods als zodanig te bestemmen. Verder is in de tussenuitspraak overwogen dat aan de loods evenwel ook de aanduiding "bijgebouwen" is toegekend en dat voor een bijgebouw bij een woning de bestaande maten-regeling van artikel 23, lid 23.1, van de planregels niet geldt. Vervolgens is in de tussenuitspraak overwogen dat, nu aan de loods zowel de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" als de aanduiding "bijgebouwen" is toegekend, het in het licht van het vorenstaande niet duidelijk is of de loods als zodanig is bestemd.

In de tussenuitspraak is geconcludeerd dat gelet op het vorenstaande het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de rechtszekerheid en dat in het verlengde hiervan het besluit in zoverre evenmin met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 18 juni 2013 is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "bijgebouwen" en "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Wijnandsrade. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 juni 2013 is gegrond en het besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het besluit van 24 maart 2015

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad de opdracht gegeven het gebrek te herstellen door de planregeling voor de bestaande loods op het perceel [locatie 1] aan te passen. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het besluit van 24 maart 2015 genomen, waarbij aan de loods niet langer de aanduiding "bijgebouwen" is toegekend.

3.1. In het plan is aan de loods de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" toegekend.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a en f, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen en tevens vrijkomende agrarische bebouwing ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing".

Ingevolge lid 18.2.2, aanhef en onder a, sub 1, geldt voor het bouwen van woningen dat een woning uitsluitend mogelijk is binnen het bouwvlak.

Ingevolge lid 18.3.1 kan het bevoegd gezag een afwijking verlenen voor de splitsing van een woning met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" in twee woningen indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

[…]

f. Er is maximaal 200 m² aan bijgebouwen toegestaan. […].

Ingevolge lid 18.4.2 zijn op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" nevenfuncties toegestaan in de vorm van hobbymatig agrarisch gebruik en statische opslag.

Ingevolge lid 18.5.1 is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de op de gronden aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding "karakteristiek" geheel of gedeeltelijk te slopen.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Het besluit van 24 maart 2015 is een besluit tot wijziging van het oorspronkelijk bestreden besluit en ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [appellant] is van rechtswege gericht tegen dit besluit.

5. [appellant] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het besluit van 24 maart 2015 van onjuiste feiten is uitgegaan. Daartoe voert [appellant] aan dat in het voorstel van het college van burgemeester en wethouders is vermeld dat [locatie 1] een voormalige boerderij is. Voorts voert [appellant] aan dat in dat voorstel ten onrechte is vermeld dat er een woning ligt achter het pand [locatie 1].

5.1. In het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 24 maart 2015, is onder meer vermeld dat [locatie 1] een voormalige boerderij is welke met een vergunning is gewijzigd in een woning. Bij de woning hoort een loods van 400 m². De woning en de loods gelegen achter het pand [locatie 1] hebben in het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied conform de verleende vergunning, de bestemming "Wonen" gekregen met een aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing, (VAB)", aldus het voorstel.

5.2. De Afdeling stelt vast dat het pand [locatie 1] een voormalige koeienstal is. Het herstel van het gebrek in de tussenuitspraak ziet evenwel niet op dit pand, maar op de loods op hetzelfde perceel. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad als gevolg van de gestelde feitelijke onjuistheden is uitgegaan van een onjuiste ligging van de loods. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit het voorstel van het college van burgemeester en wethouders naar voren komt dat de loods achter het pand [locatie 1] ligt. Verder overweegt de Afdeling dat [appellant] de zinsnede in het voorstel "De woning en de loods gelegen achter het pand [locatie 1] […]", in het licht van de daaraan voorafgaande zinnen, ten onrechte aldus verstaat dat er ook een woning achter het pand [locatie 1] staat. Het betoog faalt.

6. Voorts kan [appellant] zich niet verenigen met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" aan de loods op het perceel [locatie 1].

Volgens [appellant] is dit in strijd met het beleid met betrekking tot vrijkomende agrarische bebouwing, welk beleid vorm heeft gekregen in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 18, lid 18.5.1, van de planregels.

Volgens [appellant] volgt daaruit dat maximaal 200 m² aan bijgebouwen is toegestaan. Ook betoogt [appellant] dat de toekenning van genoemde aanduiding aan de loods in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

6.1. Aan het perceel [locatie 1] was in het voorheen geldende bestemmingsplan "2e Herziening bestemmingsplan Buitengebied" de bestemming "Agrarisch Bouwblok" toegekend. Ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften bij dit plan waren binnen deze bestemming agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, dan wel bestaande agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan.

Bij besluit van 27 april 2010 is voor de verbouwing van de voormalige koeienstal op dit perceel tot woning een vrijstelling met bouwvergunning verleend op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Bij uitspraak van 10 oktober 2011 heeft de rechtbank Maastricht het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2010 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd (zie de uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201112016/1/A1). In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de vrijstelling niet ziet op het gebruik van de loods.

6.2. [appellant] heeft, ter toelichting van zijn betoog dat de raad ten aanzien van de loods in strijd heeft gehandeld met het beleid met betrekking tot vrijkomende agrarische bebouwing, verwezen naar artikel 18, lid 18.5.1, van de planregels. Artikel 18, lid 18.5.1, van de planregels behelst, anders dan [appellant] stelt, geen wijzigingsbevoegdheid, maar bevat een omgevingsvergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk.

Nu [appellant] in dit kader ook heeft verwezen naar een maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 200 m², doelt hij kennelijk op de afwijkingsbevoegdheid in lid 18.3.1. Dit betreft een afwijkingsbevoegdheid voor de splitsing van een woning met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" in twee woningen indien wordt voldaan aan de in dat artikellid genoemde voorwaarden, waaronder die dat maximaal 200 m² aan bijgebouwen is toegestaan. De Afdeling overweegt dat deze afwijkingsbevoegdheid voor de loods in dit geval niet van betekenis is, nu de loods geen woning betreft. Daarbij betrekt de Afdeling dat de loods buiten het bouwvlak ligt en ingevolge artikel 18, lid 18.2.2, van de planregels een woning uitsluitend mogelijk is binnen het bouwvlak. Hetgeen [appellant] met verwijzing naar genoemde planregel heeft aangevoerd leidt dan ook niet tot het oordeel dat de raad met de vaststelling van de planregeling voor de loods in strijd met het beleid heeft gehandeld. Verder heeft [appellant] zijn stelling dat sprake is van strijd met het beleid met betrekking tot vrijkomende agrarische bebouwing niet nader geconcretiseerd. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad met de vaststelling van de planregeling voor de loods in strijd met het beleid heeft gehandeld. Het betoog faalt.

6.3. De raad heeft toegelicht dat, tegen de achtergrond van de functieverandering van de koeienstal tot woning, aan de daarachter gelegen loods de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" is toegekend.

Gezien deze toelichting, daarbij mede in aanmerking genomen dat in de plantoelichting is vermeld dat hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing in de toekomst meer en meer aan de orde is en de leefbaarheid van kleine kernen gebaat is bij nieuwe economische dragers, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toekenning van de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" aan de loods strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat uit het plan volgt dat de gebruiksmogelijkheden binnen de loods, gezien artikel 18, lid 18.4.2 van de planregels, beperkt zijn en dat [appellant] niet nader heeft onderbouwd dat er ruimtelijke bezwaren aan die gebruiksmogelijkheden in de weg staan. Het betoog faalt.

7. Verder betoogt [appellant] dat de raad met de planologische inpassing van de vrijstelling voor de verbouwing van de koeienstal tot woning in strijd heeft gehandeld met beleid. Ook voert [appellant] aan dat de raad op het perceel [locatie 2] ten onrechte extra bijgebouwen heeft toegestaan.

7.1. In deze procedure na de tussenuitspraak staat ter beoordeling of de raad het door de Afdeling in haar tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

De Afdeling overweegt dat de onder 7 genoemde beroepsgronden reeds tegen het oorspronkelijke besluit van 18 juni 2013 naar voren hadden kunnen worden gebracht. Derhalve dienen deze beroepsgronden buiten inhoudelijke bespreking te blijven. De betogen falen.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 maart 2015 ongegrond.

Proceskosten

9. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nuth van 18 juni 2013, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" is vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nuth van 18 juni 2013, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "bijgebouwen" en "specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Wijnandsrade;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nuth van 24 maart 2015, waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied Nuth" gewijzigd is vastgesteld, ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Nuth tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 18 juni 2013 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Nuth aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep tegen het besluit van 18 juni 2013 betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Loo

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015

418.