Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2647

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201406543/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bilthoven Noord 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2015/7374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201406543/1/R2.

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt,

4. [appellant sub 4], wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt,

5. [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), beiden wonend te Bilthoven, gemeente De Bilt,

appellanten,

en

de raad van de gemeente de Bilt,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Bilthoven Noord 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en [appellant sub 4] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2015, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. I.E. Boissevain, advocaat te Utrecht, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden bijgestaan door mr. E.M. Hendriksen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.S. Makhan-Idu en T. Maas, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Intrekking beroepsgrond

1. Ter zitting heeft [appellant sub 5] zijn beroepsgronden over de bekendmaking van het plan ingetrokken.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

3. Het beroep van [appellante sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - 4" voor de gronden ten zuiden van de Tollenslaan 21 te Bilthoven, in de hoek tussen de Tollenslaan en de Bilderdijklaan (hierna: het perceel). [appellante sub 1] woont niet in Bilthoven maar in [woonplaats]. De afstand tussen de woonplaats van [appellante sub 1] en het perceel is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts heeft [appellante sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van haar rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De door [appellante sub 1] naar voren gebrachte omstandigheden dat zij en haar familie sterke historische banden hebben met Bilthoven en het perceel dat naast haar ouderlijk huis ligt, alsmede dat zij ter plaatse een woning wenst te realiseren om in de toekomst dichter bij haar moeder te kunnen wonen, zijn daarvoor niet voldoende. Verder is ter zitting vastgesteld dat het perceel in eigendom is van [bedrijf] Het beroep is niet (mede) door [bedrijf] ingesteld. De Afdeling volgt niet het standpunt van [appellante sub 1] dat haar belangen als natuurlijk persoon te vereenzelvigen zijn met het eigendomsbelang van [bedrijf] omdat deze rechtspersoon, naar zij stelt, is opgericht ten behoeve van de verdeling en het beheer van het bezit van haar familie. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellante sub 1] één van de twee directeuren van [bedrijf] is en dat de enig aandeelhouder van [bedrijf] [de stichting] is.

De conclusie is dat [appellante sub 1] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellante sub 1] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] is eigenaar van de woning aan de [locatie 1] te Bilthoven. Hij heeft bezwaar tegen de situering van de zuidelijke grens van het bouwvlak dat is weergegeven op het plandeel met de bestemming "Wonen - 6" voor de gronden aan de Sweelincklaan 28 te Bilthoven. Hij stelt dat in de raadsvergadering van 22 mei 2014 is besproken dat de zuidelijke bouwvlakgrens zou samenvallen met de voorgevel van de ter plaatse bestaande woning. Volgens [appellant sub 2] wijkt het plan in zoverre ten onrechte af van hetgeen in de raadsvergadering is besproken. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat het uitzicht vanuit zijn woning wordt aantast. Hij voert daartoe aan dat hij thans uitkijkt op de tuin behorende bij de woning aan de Sweelincklaan 28, terwijl hij in de met het plan voorziene situatie zal uitkijken op bebouwing. Volgens [appellant sub 2] klemt dit temeer omdat het in het ontwerpplan voorziene bouwvlak bij de gewijzigde vaststelling aan de westzijde is verkleind, terwijl ten aanzien van de westelijke bouwvlakgrens geen zienswijze naar voren was gebracht.

4.1. De raad stelt dat het plan voor de gronden aan de Sweelincklaan 28 voorziet in de sloop van de bestaande woning en bouw van een nieuwe, grotere woning zuidelijker op het perceel. Volgens de raad leidt het plan niet tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 2].

4.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden betreffende de Sweelincklaan 28 de bestemming "Wonen - 6" toegekend. Voorts is ter plaatse een bouwvlak weergegeven.

Ingevolge artikel 1.59 van de planregels wordt onder ‘voorgevel’ verstaan: de naar de wegzijde gekeerde gevel; in geval er meerdere gevels zijn aan te merken als voorgevel, is de gevel die meetelt in de huisnummering de voorgevel.

Ingevolge artikel 16.1, aanhef en lid a, zijn de voor "Wonen - 6" aangewezen gronden bestemd voor het wonen in de vorm van vrijstaande, twee-aaneengebouwde of aaneengebouwde woningen met aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen.

Ingevolge artikel 16.2.1, lid b, dienen hoofdgebouwen/woningen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.

4.3. Het plan voorziet voor de gronden aan de Sweelincklaan 28 in een bouwvlak voor een woning waarvan de zuidgevel ongeveer 5 meter zuidelijker ligt dan die van de bestaande woning. In de videofragmenten waarnaar [appellant sub 2] verwijst van de raadsvergadering van 22 mei 2014, waarin het plan is vastgesteld, bevestigt een wethouder desgevraagd de stelling van een raadslid dat de zuidgevel van een woning ter plaatse de voorgevel is als bedoeld in artikel 1.59 van de planregels. De videofragmenten betreffen niet het standpunt van de raad als zodanig. Voorts volgt uit deze uitwisseling niet dat volgens de betrokkenen de zuidelijke grens van het bouwvlak dient samen te vallen met de zuidgevel van de bestaande woning. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, door de ongewijzigde vaststelling van de zuidelijke grens van de bouwvlakaanduiding, niet zou hebben bereikt wat hij heeft beoogd.

Het betoog faalt.

4.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat geen blijvend recht op vrij uitzicht (onder meer uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 200905577/1/R2; www.raadvanstate.nl). Het plan voorziet voor de gronden aan de Sweelincklaan 28 in een woning met een bouwhoogte van maximaal 11 meter. De kortste afstand van het betreffende bouwvlak tot de voorziene uiterste situering van de woning van [appellant sub 2] bedraagt ongeveer 27 meter. Het plangebied maakt deel uit van een stedelijke omgeving, de woning aan de Sweelincklaan 28 is omringd door andere woningen op ruime percelen en de voorziene woning aan de Sweelincklaan 28 ligt achter de achtertuin behorende bij de woning van [appellant sub 2]. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet op deze omstandigheden niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene situering van de woning aan de Sweelincklaan 28 niet tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanuit de woning van [appellant sub 2] zal leiden.

Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

6. [appellant sub 3] is eigenaar van de gronden aan de [locatie 2] te Bilthoven. [appellant sub 3] betoogt dat het plan de verkoop van zijn gronden belemmert. Hij voert hiertoe aan dat onvoldoende zeker is of in de toekomst toepassing kan worden gegeven aan de in artikel 18.6.1 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid voor het oostelijke gedeelte van deze gronden, omdat volgens hem in lid i en in bijlage 2 bij de planregels een onjuiste factor voor de minimaal aan te houden afstanden tussen woningen en zijdelingse perceelgrenzen is vermeld. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat zoveel mogelijk opties voor de inrichting en privaatrechtelijke splitsing van deze gronden open dienen te blijven.

6.1. Blijkens de verbeelding is aan het westelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 2] rond de bestaande woning de bestemming "Wonen - hoekkavel" toegekend. Aan het oostelijke gedeelte van deze gronden, waar geen woning staat, is de bestemming "Wonen - 3" toegekend. Voorts zijn ter plaatse twee bouwvlakken weergegeven.

Ingevolge artikel 15.2.2, lid a, van de planregels mogen per bouwperceel niet meer hoofdgebouwen/woningen worden gerealiseerd dan ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestaan.

Ingevolge artikel 15.6.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Wonen 1 t/m 5" te wijzigen ten behoeve van extra woningen, inclusief eventuele bijbehorende toegangswegen en -paden, groenvoorzieningen, bijgebouwen en/of parkeervoorzieningen, met inachtneming van de in lid a tot en met e vermelde regels.

Ingevolge artikel 18.6.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Wonen - Hoekkavel" te wijzigen ten behoeve van de bouw van extra woningen, inclusief eventuele bijbehorende toegangswegen en -paden, groenvoorzieningen, bijgebouwen en/of parkeervoorzieningen, met inachtneming van de in lid a tot en met j vermelde regels.

6.2. In deze procedure staat uitsluitend het plan ter beoordeling. Uit artikel 15.2.2, lid a, van de planregels volgt dat het plan niet bij recht een woning op het oostelijke gedeelte van het perceel aan de [locatie 2] mogelijk maakt. Voor zover de bezwaren van [appellant sub 3] zijn gericht tegen het bij een toekomstige planherziening toekennen van de bestemming "Wonen - Hoekkavel" aan het oostelijke gedeelte van zijn gronden aan de [locatie 2], in welk geval volgens hem onvoldoende zekerheid bestaat over de mogelijkheid om met toepassing van de in artikel 18.6.1 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid een tweede woning mogelijk te maken op de gronden aan de [locatie 2], vallen zij derhalve buiten de omvang van dit geding. Voor zover het beroep van [appellant sub 3] daartegen is gericht, blijft het daarom in deze procedure buiten beschouwing.

Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat onvoldoende zeker is of in de toekomst toepassing kan worden gegeven aan de in artikel 18.6.1 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid om op het oostelijke gedeelte van zijn gronden een woning mogelijk te maken, is van belang dat aan deze gronden niet de bestemming "Wonen - Hoekkavel" is toegekend maar de bestemming "Wonen - 3". Reeds hierom kan voor deze gronden geen toepassing worden gegeven aan de in artikel 18.6.1 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid. Ter zitting is vastgesteld dat ter plaatse met toepassing van de in artikel 15.6.1 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid een woning mogelijk kan worden gemaakt.

Reeds hierom faalt het betoog.

6.3. De Afdeling stelt vast dat het uitgangspunt van de raad is dat in beginsel terughoudend wordt omgegaan met het bieden van nieuwe bebouwingsmogelijkheden teneinde aantasting van het waardevolle karakter van de ruim opgezette, bosrijke villawijk door verdichting tegen te gaan. De bestaande woning aan de [locatie 2] is met de bestemming "Wonen - Hoekkavel" als zodanig bestemd en voorts is voorzien in de mogelijkheid om deze woning te vergroten. Daarnaast is voorzien in de mogelijkheid om met toepassing van de in artikel 15.6.1 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid een tweede woning mogelijk te maken op het oostelijke gedeelte van deze gronden. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van meer of andere bebouwingsmogelijkheden zich niet met het voormelde uitgangspunt verdraagt. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van dit uitgangspunt af te wijken. Daartoe is van belang dat [appellant sub 3] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concrete plannen bestonden voor een andere inrichting van de gronden dan thans met het plan voorzien, dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. De raad heeft dan ook in redelijkheid niet hoeven voorzien in meer flexibele bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de betreffende gronden.

Het betoog faalt.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

8. [appellant sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woning op het onbebouwde oostelijke gedeelte van zijn gronden aan de [locatie 3] te Bilthoven. Hij voert hiertoe aan dat het vorige planologische regime wel voorzag in deze mogelijkheid en dat de waarde van de bedoelde gronden door het plan zal dalen.

8.1. De beheersverordening "De Bilt", vastgesteld door de raad op 27 juni 2013 (hierna: de beheersverordening) voorzag in de realisatie van een woning op het oostelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 3]. Het plan voorziet niet langer in deze mogelijkheid. In het algemeen kunnen aan een geldende beheersverordening geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen bestemmingen en regels voor gronden vaststellen die afwijken van de beheersverordening.

De raad stelt zich op het standpunt dat hij een woning op de bedoelde gronden niet langer in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. Met het plan is beoogd om, zoals vermeld in paragraaf 4.1 van de plantoelichting, het waardevolle karakter van de ruim opgezette, bosrijke villawijk te behouden. Met het oog op deze ruimtelijke belangen is de bestaande ruimtelijke structuur van de wijk als geheel en per deelgebied geïnventariseerd. De resultaten van deze inventarisatie zijn neergelegd in het rapport "Stedenbouwkundige visie Bilthoven Noord, gemeente De Bilt", dat op 30 september 2013 is uitgebracht door Royal Haskoning (hierna: Stedenbouwkundige Visie). Daarop voortbouwend zijn in de Stedenbouwkundige Visie uitgangspunten geformuleerd om te bepalen in hoeverre nieuwbouw kan worden gerealiseerd die past binnen het karakter van de villawijk. Volgens de Stedenbouwkundige Visie maakt het oostelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 3] deel uit van de primaire structuur "lijnen van Drakestein en Biltsche Duinen" en daarbinnen van de zogenoemde hoekkavel op de kruising van de Da Costalaan en de Beetslaan, die is aangeduid als een zogenoemd ruimtelijk verbijzonderd kruispunt. Voor hoekkavels in deze primaire structuur geldt het uitgangspunt dat zij niet dienen te worden verdicht, zo staat in de Stedenbouwkundige Visie. Het mogelijk maken van een woning op het oostelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 3] past gelet hierop niet binnen de beoogde ontwikkeling van het gebied en verdraagt zich niet met genoemde ruimtelijke belangen, aldus de raad. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van het gehanteerde uitgangspunt af te wijken. Gesteld noch gebleken is dat de Stedenbouwkundige Visie zodanig onjuist of onvolledig is dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Voorts heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concrete plannen bestonden voor het realiseren van een woning op het oostelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 3] dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Verder bestaat wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het oostelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 3] betreft, geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

10. [appellant sub 5] richt zich tegen de bestemming "Wonen - 4" die is toegekend aan zijn gronden aan de [locatie 4] te Bilthoven. [appellant sub 5] betoogt dat onduidelijk is welke planregels gelden voor deze bestemming en voert hiertoe aan dat geen planregels zijn geformuleerd voor de bestemming "Wonen - 4", maar alleen voor een bestemming "Wonen 1 t/m 5". Het plan leidt gelet hierop tot rechtsonzekerheid en is in zoverre onzorgvuldig voorbereid, aldus [appellant sub 5].

10.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden aan de [locatie 4] de bestemming "Wonen - 4" toegekend. Voorts is ter plaatse een bouwvlak weergegeven.

Ingevolge artikel 15.1, aanhef en lid a, onder 1, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1 t/m 5" aangewezen gronden bestemd voor het wonen in de vorm van vrijstaande of twee-aaneengebouwde woningen met aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

Ingevolge artikel 15.2.1, lid b, voor zover hier van belang, mag de afstand van gebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens niet minder bedragen dan de in de bijbehorende tabel aangegeven afstand.

In de tabel behorende bij artikel 15.2.1, lid b, voor zover hier van belang, is vermeld dat voor de bestemming "Wonen - 4" een afstand van 7,5 meter geldt.

Ingevolge artikel 15.2.2, lid d, voor zover hier van belang, mag de breedte van de voorgevel van een woning niet minder en niet meer bedragen dan de in bijbehorende tabel aangegeven afstanden.

In de tabel behorende bij artikel 15.2.2, lid d, voor zover hier van belang, is vermeld dat voor de bestemming "Wonen - 4" bij vrijstaande woningen een minimale breedte van 8 meter geldt.

Ingevolge artikel 15.2.12, lid a, zijn bestaande hoofdgebouwen/woningen, aaneengebouwde woningen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, waarvan de situering, de afmeting, de goothoogte en/of de bouwhoogte niet voldoet aan hetgeen in artikel 15.2.1 tot en met 15.2.7 is bepaald, wel toegestaan en mogen worden gehandhaafd, maar niet worden vergroot.

Ingevolge artikel 15.2.12, lid b, is in geval van herbouw het bepaalde in lid a uitsluitend van toepassing indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.

Ingevolge artikel 15.2.12, lid c, zijn in afwijking van het bepaalde in lid a aan- en uitbouwen aan de voor- en achtergevel, evenals uitbreidingen aan de achtergevel conform het bepaalde in artikel 15.2.3, 15.2.4 en 15.2.5 toegestaan.

10.2. Het plan voorziet onder meer in de bestemmingen "Wonen - 1", "Wonen - 2", "Wonen - 3", "Wonen - 4" en "Wonen - 5". Voor gronden waaraan deze bestemmingen zijn toegekend is gedeeltelijk hetzelfde planologische regime van toepassing, zodat de raad ervoor heeft gekozen in de planregels niet steeds deze vijf bestemmingen op te sommen maar deze waar mogelijk tezamen aan te duiden met de afkorting "Wonen 1 t/m 5". Voor zover verschillende regels gelden voor deze bestemmingen is onder meer in tabellen per bestemming een gespecificeerde norm vermeld. Aldus is voldoende duidelijk welk gebruik en welke bebouwing is toegestaan ter plaatse van de gronden aan de [locatie 4], waaraan de bestemming "Wonen - 4" is toegekend. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of is voorbereid in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 5] richt zich voorts tegen de ingevolge artikel 15.2.1, lid b, van de planregels vereiste minimale afstand tussen een woning en de zijdelingse perceelgrens en tegen de ingevolge artikel 15.2.2, lid d, vereiste minimale breedte van de voorgevel van een woning voor gronden waaraan de bestemming "Wonen - 4" is toegekend. Hij stelt dat de voormelde planregels ten minste de feitelijke situering en voorgevelbreedte van zijn woning toe te laten. [appellant sub 5] voert hiertoe aan dat zijn woning legaal is gerealiseerd en dat zijn perceel te smal is om in overeenstemming met de voormelde bepalingen een woning te kunnen realiseren. Voorts voert [appellant sub 5] aan dat het plan niet overeenkomt met hetgeen over de voormelde bepalingen in de Nota beantwoording zienswijzen is vermeld, zodat het onzorgvuldig is voorbereid. Verder betoogt [appellant sub 5] dat de raad met het in de raadsvergadering van 22 mei 2014 aangenomen amendement niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd, te weten het bieden van een oplossing voor de woningen waarvan de situering niet overeenkomt met de minimaal aan te houden afstanden tot zijdelingse perceelgrenzen. Volgens [appellant sub 5] waren bij het aannemen van het amendement tevens de relevante feiten en belangen onvoldoende inzichtelijk.

11.1. Niet in geschil is dat de voorgevel van de bestaande woning aan de [locatie 4] ongeveer 7,1 meter breed is. De woning staat op ongeveer 6 meter afstand van de noordelijke zijdelingse perceelgrens en op ongeveer 9,5 meter afstand van de zuidelijke zijdelingse perceelgrens. Het perceel is ongeveer 22,5 meter breed. Voorts is niet in geschil dat, zoals [appellant sub 5] onweersproken heeft gesteld, de woning is opgericht met een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor het bouwen).

11.2. Vaststaat dat de maatvoering en situering van de woning van [appellant sub 5] niet in overeenstemming zijn met artikel 15.2.1, lid b, en artikel 15.2.2, lid d, van de planregels en dat het perceel te smal is om overeenkomstig de voormelde bepalingen een woning te realiseren. De Afdeling stelt vast dat de woning in de gehanteerde plansystematiek evenwel ingevolge artikel 15.2.12, lid a en lid b, als zodanig is bestemd. De feitelijke situatie hoeft dan ook niet in overeenstemming te zijn met de voormelde bepalingen om toch als zodanig bestemd te zijn. De raad heeft in de omstandigheden dat de woning van [appellant sub 5] legaal is gerealiseerd en dat het perceel van [appellant sub 5] te smal is om in overeenstemming met de voormelde bepalingen een woning te kunnen realiseren, dan ook geen aanleiding hoeven zien voor het treffen van een andere regeling voor de gronden aan de [locatie 4].

Het betoog faalt.

11.3. Over de in artikel 15.2.2, lid d, van de planregels vermelde minimale voorgevelbreedte van 8 meter overweegt de Afdeling voorts dat, zoals [appellant sub 5] stelt, in de Stedenbouwkundige Visie weliswaar geen uitgangspunten staan over minimale voorgevelbreedten, maar door de raad is toegelicht dat hiermee is beoogd aantasting van het waardevolle karakter van de ruim opgezette villawijk door de bouw van nieuwe, smalle panden tegen te gaan. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding het standpunt van de raad dat panden smaller dan 8 meter in beginsel niet passend zijn op gronden die volgens de Stedenbouwkundige Visie het zogenoemde karakter "3.3" hebben, zoals de gronden van [appellant sub 5], niet te volgen. Het aangevoerde geeft gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het betoog faalt.

11.4. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan en het bestreden besluit, waarin zowel de Nota van zienswijzen als het bedoelde amendement is vastgesteld, innerlijk tegenstrijdig zouden zijn. Daarbij betrekt de Afdeling dat verscheidene van de tegen het ontwerpplan ingediende zienswijzen betrekking hebben op de bouwmogelijkheden die met de in het ontwerpplan toegekende woonbestemmingen werden geboden. [appellant sub 5] heeft in zijn zienswijze onder meer naar voren gebracht dat de uitgangspunten voor de toegekende woonbestemmingen onduidelijk zijn en dat zijn perceel te smal is om een woning te realiseren overeenkomstig artikel 15.2.1, lid b, en artikel 15.2.2, lid d, van de ontwerpplanregels. Uit de Nota beantwoording zienswijzen volgt dat het college van burgemeester en wethouders aan de raad onder meer zal voorstellen de minimale afstand van 7,5 meter die voor gronden met de bestemming "Wonen - 4" is vermeld in de tabel behorende bij artikel 15.2.1, lid b, van de ontwerpplanregels gewijzigd vast te stellen en te verkleinen. Ervan uitgaande dat de bedoelde afstand gewijzigd wordt vastgesteld op 3 meter, geldt volgens de Nota beantwoording zienswijzen dat de feitelijke situering van de woning van [appellant sub 5] daarmee in overeenstemming is en dat aan de [locatie 4] een woning met een voorgevel van 18 meter breed kan worden gerealiseerd. Blijkens het vaststellingsbesluit heeft de raad echter, naar aanleiding van een in de raadsvergadering van 22 mei 2014 aangenomen amendement, niet het voorstel van het college van burgemeester en wethouders gevolgd en de bedoelde tabel ten opzichte van het ontwerpplan ongewijzigd vastgesteld. Niet valt in te zien dat het plan en het bestreden besluit onder deze omstandigheden innerlijk tegenstrijdig zijn.

Anders dan [appellant sub 5] meent, heeft de raad voorts met het amendement niet beoogd om te bereiken dat de situering van alle woningen in het plangebied wordt gedekt door de tabel behorende bij artikel 15.2.1, lid b, van de planregels. De raad heeft in dat verband toegelicht dat het voorstel van het college van burgemeester en wethouders met zich bracht dat zou worden afgeweken van de met het oog op het behoud van de groene doorzichten in de Stedenbouwkundige Visie vermelde uitgangspunten, zodat met het amendement is beoogd vast te houden aan de Stedenbouwkundige Visie. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad door de bedoelde tabel ten opzichte van het ontwerpplan ongewijzigd vast te stellen niet zou hebben bereikt wat hij met het amendement heeft beoogd.

Verder is weliswaar in de raadsvergadering waarin het plan is vastgesteld bij amendement besloten niet het voorstel van het college van burgemeester en wethouders te volgen, maar deze omstandigheid geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan zou zijn uitgegaan van een zodanige onjuiste voorstelling van zaken omtrent de betrokken feiten en belangen dat het bestreden besluit daarom niet zou zijn voorbereid met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding van 3,5 meter aan de zuidgevel van zijn woning voor een gelijkvloerse slaap- of badkamer, waardoor hij langer in zijn woning zou kunnen blijven wonen. Hij stelt dat de beheersverordening in een dergelijke zijdelingse uitbreiding voorzag. Volgens [appellant sub 5] is het onbegrijpelijk dat de door hem gewenste zijdelingse uitbreiding niet mogelijk is omdat de afstand van de noordgevel van zijn woning tot de noordelijke zijdelingse perceelgrens kleiner is dan de ingevolge artikel 15.2.1, lid b, vereiste minimale afstand en omdat de voorgevel van zijn woning smaller is dan de ingevolge artikel 15.2.2, lid d, vereiste minimale breedte. Hij voert hiertoe aan dat deze uitbreiding past bij de door de raad gewenste toekomstbestendige woningen en combinatie van behoud van groen met bouwmogelijkheden. Tevens voert hij aan dat de zijdelingse uitbreiding van zijn woning ervoor zorgt dat de gevelbreedte in overeenstemming wordt gebracht met artikel 15.2.2, lid d, en dat ook na realisatie van de uitbreiding wordt voldaan aan de ingevolge artikel 15.2.1, lid b, aan te houden afstand tot de zuidelijke zijdelingse perceelgrens. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom onder deze omstandigheden niet kan worden voorzien in de gewenste zijdelingse uitbreiding, aldus [appellant sub 5]. Verder is het volgens [appellant sub 5] onbegrijpelijk dat geen zijdelingse uitbreiding aan een woning kan worden gerealiseerd indien de goot- of bouwhoogte van deze woning hoger is dan de in artikel 15.2.2, lid b en c van de planregels vermelde hoogte.

12.1. Op grond van de beheersverordening diende de woning van [appellant sub 5] op minimaal 6 meter afstand van de zijdelingse perceelgrenzen te liggen. Deze woning kon derhalve nog ongeveer 3,5 meter in zuidelijke richting worden uitgebreid. Het plan voorziet niet langer in deze mogelijkheid. In het algemeen kunnen aan een geldende beheersverordening geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen, bestemmingen en regels voor gronden vaststellen die afwijken van de beheersverordening.

De raad heeft toegelicht dat hij een zijdelingse uitbreiding van 3,5 meter aan de zuidzijde van de woning van [appellant sub 5] niet langer in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. Zoals hiervoor reeds vastgesteld onder 8.1, is met het plan beoogd om het bestaande waardevolle karakter van de ruim opgezette, bosrijke villawijk te behouden en zijn in de Stedenbouwkundige Visie uitgangspunten geformuleerd om te bepalen in hoeverre bebouwing kan worden gerealiseerd die past binnen het karakter van de villawijk. De Afdeling stelt vast dat de raad als uitgangspunt heeft gehanteerd dat niet langer wordt voorzien in zijdelingse uitbreidingen van bestaande woningen waarbij de afstand tot een zijdelingse perceelgrens minder bedraagt dan de helft van de afstand die volgens de Stedenbouwkundige Visie tussen bebouwing aanwezig dient te zijn, teneinde aantasting van het waardevolle karakter van de ruim opgezette, bosrijke villawijk door verdichting van de groene doorzichten tegen te gaan.

Volgens de raad maken de gronden van [appellant sub 5] zoals vermeld in de Stedenbouwkundige Visie deel uit van de primaire structuur "lijnen van Sterrenbos" en daarbinnen van het subgebied met grote en hele diepe kavels aan de westzijde van de Wagnerlaan en aan de zuidwestzijde van de Mozartlaan, dat het karakter "3.3" heeft. Voor gronden met karakter 3.3 geldt volgens paragraaf 3.3.3 van de Stedenbouwkundige Visie als richtlijn dat de afstand tussen de bebouwing, inclusief aanbouwen, ten behoeve van de groene doorzichten minimaal 15 meter bedraagt. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Stedenbouwkundige Visie zodanig onjuist of onvolledig is dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. In aanmerking genomen dat de woning van [appellant sub 5] op minder dan 7,5 meter van de noordelijke zijdelingse perceelgrens staat, heeft de raad zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van een zijdelingse uitbreiding van deze woning zich niet met het voormelde uitgangspunt verdraagt. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van dit uitgangspunt af te wijken. Daartoe is van belang dat door een zijdelingse uitbreiding van 3,5 meter aan de zuidgevel van de woning weliswaar ook de voorgevelbreedte in overeenstemming wordt gebracht met artikel 15.2.2, lid d, en dat daardoor niet de ingevolge artikel 15.2.1, lid b, minimaal aan te houden afstand tot de zuidelijke zijdelingse perceelgrens wordt overschreden, maar dat hiermee volgens de raad verder wordt benadrukt dat de woning dichter bij de noordelijke zijdelingse perceelgrens is gesitueerd dan volgens het op de Stedenbouwkundige Visie gebaseerde uitgangspunt wenselijk is. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Voorts heeft [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concrete plannen bestonden voor het realiseren van een zijdelingse uitbreiding om zijn woning levensloopbestendig te maken, dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Verder acht de Afdeling van belang dat wel is voorzien in de mogelijkheid om aan- en uitbouwen aan de voor- en achtergevel en uitbreidingen aan de achtergevel te realiseren. De raad heeft in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding hoeven zien om van zijn gehanteerde uitgangspunt af te wijken.

Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, geeft gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen toekennen aan het behoud van het karakter van de villawijk dan aan het belang van [appellant sub 5] om een zijdelingse uitbreiding aan zijn woning te kunnen realiseren.

Het betoog faalt.

12.2. Uit artikel 15.2.12 van de planregels volgt dat de omstandigheid dat de goot- of bouwhoogte van een bestaande woning de in artikel 15.2.2, lid b en c, vermelde maten overschrijdt, reeds eraan in de weg staat dat een zijdelingse uitbreiding aan die woning wordt gerealiseerd. De bedoelde bepaling dient ertoe aantasting van het waardevolle karakter van de villawijik door de realisatie van nieuwe, hoge panden tegen te gaan. Daargelaten of het plan in zoverre in de weg staat aan de realisatie van de door [appellant sub 5] gewenste zijdelingse uitbreiding, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding het standpunt van de raad onredelijk te achten dat zijdelingse uitbreiding van bebouwing die de bedoelde hoogten overschrijdt de ruimtelijke uitstraling van die hoogten versterkt, en derhalve niet past bij het door de raad gewenste bebouwingsbeeld binnen de villawijk. De raad heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien in zoverre een andere planregeling te treffen voor de gronden van [appellant sub 5].

Het betoog faalt.

13. [appellant sub 5] betoogt dat de gronden aan de Sweelincklaan 99 en 101, waaraan de bestemming "Wonen - 3" is toegekend, niet zodanig verschillen van zijn gronden dat aan zijn gronden een andere bestemming dient te worden toegekend. [appellant sub 5] voert hiertoe aan dat de bedoelde percelen ongeveer 22 meter onderscheidenlijk 25 meter breed zijn en dat de afstand tussen de op deze percelen gelegen woningen ongeveer 17 meter bedraagt.

13.1. Over de door [appellant sub 5] gemaakte vergelijking met de gronden aan de Sweelincklaan 99 en 101, wordt overwogen dat de raad in dit verband heeft gewezen op de toelichting in de Stedenbouwkundige Visie, waarin is vermeld dat het plangebied bestaat uit verscheidene zogenoemde structuren en dat elke structuur wordt gevormd door een aantal subgebieden met eigen karakter. Het verschil in de karakters, dat soms heel subtiel is, zorgt voor variatie in een samenhangende wijk. De verdeling in subgebieden heeft te maken met het karakter en dichtheid van de verkaveling en wordt bepaald door de afmetingen van groene doorzichten, de diepte van de kavels, de diepte van de groene voortuinen en de typologie van bebouwing. De voormelde eerste drie karakteristieken worden onder meer vertaald naar de minimale afstand die tussen bebouwing aanwezig dient te zijn, aldus de Stedenbouwkundige Visie. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [appellant sub 5] aangehaalde situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de gronden aan de Sweelincklaan 99 en 101 gelet op de diepte van de kavels, de diepte van de groene voortuinen en de typologie van bebouwing deel uitmaken van het subgebied met minder brede maar diepe kavels aan de westzijde van de Sweelincklaan tussen de Beethovenlaan en de Lassuslaan, met karakter "4.6". Voor gronden in het subgebied met karakter 4.6 geldt volgens de Stedenbouwkundige Visie het uitgangspunt dat de afstand tussen de bebouwing, inclusief aanbouwen, ten behoeve van de groene doorzichten minimaal 10 meter bedraagt. Aan deze gronden is derhalve overeenkomstig het in paragraaf 3.5 van de Stedenbouwkundige Visie vermelde uitgangspunt de bestemming

"Wonen - 3" toegekend, op grond waarvan onder meer bebouwing in beginsel op tenminste 5 meter van de zijdelingse perceelgrens dient te staan om de voormelde afstand tussen bebouwing te waarborgen. [appellant sub 5] heeft ook in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat de Stedenbouwkundige Visie zodanig onjuist of onvolledig is dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren. Zoals hiervoor onder 12.2 is uiteengezet, maken de gronden aan de [locatie 4] deel uit van het subgebied met karakter 3.3, waarvoor het uitgangspunt geldt dat de afstand tussen bebouwing minimaal 15 meter bedraagt. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

14. [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een zwembad op minder dan 5 meter afstand van de zijdelingse en achterste perceelgrens. Hij voert aan dat de beheersverordening hierin voor een gedeelte van zijn gronden wel bij recht voorzag. [appellant sub 5] stelt dat de raad dit niet heeft onderkend, terwijl was beoogd in zoverre bij de beheersverordening aan te sluiten. Volgens [appellant sub 5] wordt in de Nota beantwoording zienswijzen tevens de suggestie gewekt dat het plan zal voorzien in een afwijkingsregeling voor de door hem gewenste situering van zwembaden. [appellant sub 5] stelt dat de vereiste afstand de gebruiksmogelijkheden van vooral smallere percelen beperkt en dat de te verwachten geluidoverlast van zwembaden vergelijkbaar is met die van buitenkeukens, speeltoestellen en terrassen, die wel aan de perceelgrens kunnen worden gerealiseerd. Verder voert [appellant sub 5] aan dat bestaande zwembaden veelal op minder dan 5 meter afstand van de perceelgrens aanwezig zijn, zo ook op gronden grenzend aan zijn perceel. In dergelijke gevallen dient ook op zijn perceel een zwembad op minder dan 5 meter afstand van die perceelgrens te kunnen worden gerealiseerd, aldus [appellant sub 5]. Hij wijst erop dat in het plan voor dakterrassen een vergelijkbare uitzondering is gemaakt.

14.1. Ingevolge artikel 15.2.10, lid d, van de planregels, voor zover hier van belang, mag de afstand tot de zijdelingse of achterste bouwperceelgrens niet minder bedragen dan 5 meter, voor zover het gaat om bouwwerken behorende bij zwembaden.

Ingevolge artikel 15.2.11, lid a, aanhef en onder 1, zijn dakterrassen op aan- en uitbouwen toegestaan, met inachtneming van de regel dat de afstand van het dakterras tot de zijdelingse bouwperceelgrens(-zen) minimaal 2 meter dient te bedragen, behalve indien bij de tot de bouwperceelgrens gebouwde aangrenzende woning - in geval het aaneengebouwde of halfvrijstaande woningen betreft - eveneens een dakterras aanwezig is.

Blijkens de verbeelding behorende bij de beheersverordening zijn de gronden aan de [locatie 4] aanduid als "Deelgebied 16".

Ingevolge artikel 16 van de beheersverordening, voor zover hier van belang, wordt het beheer van het bestaande gebruik, waaronder mede bouwen is begrepen, op de gronden die zijn aangegeven als "Deelgebied 16" bepaald door:

a. de planregels die zijn opgenomen in de van deze verordening deel uitmakende "planregels deelgebied 16" […];

b. de verbeelding die is opgenomen in de van deze verordening deel uitmakende "verbeelding deelgebied 16" […].

Blijkens de "verbeelding deelgebied 16" is aan het oostelijke gedeelte van de gronden aan de [locatie 4] de bestemming "Tuinen en erven" toegekend en aan het westelijke gedeelte de bestemming " "Bebouwing met eengezinshuizen (Ef)".

Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de "planregels deelgebied 16", wordt ten aanzien van de bebouwing van de voor "Tuinen en erven" aangewezen gronden bepaald dat op deze gronden geen zwembaden mogen worden gebouwd.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid, onder c, voor de bouw van één open of overdekt zwembad.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Bebouwing met eengezinshuizen (Ef)" aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen.

14.2. De beheersverordening voorzag voor het oostelijke gronden aan de [locatie 4] door middel van een afwijkingsregeling en voor het westelijke gedeelte van deze gronden bij recht in een zwembad op minder dan 5 meter afstand van de zijdelingse en achterste perceelgrens. Het plan voorziet niet langer in de mogelijkheid om een zwembad te realiseren op minder dan 5 meter afstand van de zijdelingse en achterste perceelgrens van de gronden aan de [locatie 4].

In de Nota beantwoording zienswijzen is vermeld: "De reden voor het hanteren van een afstand van 5 meter is het voorkomen van overlast voor buren door het gebruik van het zwembad en geluid van mogelijke installaties. Net als bij eerdere plannen is een zwembad via een binnenplanse afwijking mogelijk." Anders dan [appellant sub 5] stelt, volgt hieruit noch anderszins dat de raad de mogelijkheden die de beheersverordening bood voor de realisatie van zwembaden nabij de perceelgrenzen niet heeft onderkend. Ook kan uit de Nota beantwoording zienswijzen niet worden afgeleid dat de raad voor de situering van zwembaden beoogde aan te sluiten bij de beheersverordening. Hoewel aan [appellant sub 5] moet worden toegegeven dat het plan anders dan vermeld in de Nota beantwoording zienswijzen bij recht, en niet met een afwijkingsregeling voorziet in zwembaden op een afstand van meer dan 5 meter van de perceelgrens, volgt de Afdeling evenmin het standpunt van [appellant sub 5] dat de suggestie wordt gewekt, wat daar verder ook van zij, dat het plan zou voorzien in een afwijkingsregeling waarmee zwembaden op minder dan 5 meter afstand van de perceelgrens mogelijk kunnen worden gemaakt.

Zoals hiervoor vermeld kunnen in het algemeen aan een geldende beheersverordening voorts geen blijvende rechten worden ontleend. De raad stelt zich op het standpunt dat hij zwembaden op korte afstand van zijdelingse en achterste perceelgrenzen niet langer in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat met het plan is beoogd om een bij de villawijk passend woon- en leefklimaat te waarborgen en dat in dit verband het voorkomen van overlast afkomstig van naburige percelen voorop staat. Gelet hierop heeft de raad als uitgangspunt gehanteerd dat zwembaden op tenminste 5 meter afstand van de zijdelingse en achterste perceelgrens dienen te worden gerealiseerd, zodat overlast voor buren door het gebruik van een zwembad en mogelijke bijbehorende installaties wordt voorkomen. Uit de door [appellant sub 5] naar voren gebrachte omstandigheid dat het plan niet in de weg staat aan het realiseren van buitenkeukens, terrassen en speeltoestellen op kortere afstand van de zijdelingse en achterste perceelgrens, volgt niet dat het door de raad gehanteerde uitgangspunt voor zwembaden onredelijk is. De raad heeft in dat verband toegelicht dat de door [appellant sub 5] aangehaalde installaties doorgaans vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd alsmede dat hij veel klachten ontvangt over overlast door zwembaden op naburige percelen, hetgeen door [appellant sub 5] niet is betwist.

Voor dakterrassen bij aaneengebouwde of halfvrijstaande woningen is weliswaar voorzien in een specifieke uitzonderingsregeling voor situaties waar op één gedeelte van de betreffende woning reeds een dakterras binnen de in beginsel minimaal aan te houden afstand aanwezig is, maar dit brengt niet met zich dat de raad in de door [appellant sub 5] gestelde omstandigheid dat in het plangebied op aangrenzende percelen op minder dan 5 meter afstand van de perceelgrens zwembaden aanwezig zijn, zo ook op het perceel naast dat aan de [locatie 4], in het algemeen of voor de gronden van [appellant sub 5] aanleiding had moeten zien om van zijn uitgangspunt af te wijken. Ook in dit verband is van belang dat de raad heef toegelicht dat hij veel klachten ontvangt over overlast door zwembaden op naburige percelen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de situering van de door [appellant sub 5] bedoelde zwembaden weliswaar als zodanig is bestemd omdat het, naar de raad stelt, legale bestaande situaties betreft, maar daarmee niet past bij het gewijzigde planologische inzicht van de raad. Verder is in dit kader van belang dat [appellant sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concrete plannen bestonden voor het realiseren van een zwembad op minder dan 5 meter afstand van de zijdelingse of achterste perceelgrens van zijn gronden dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden.

Het betoog faalt.

15. [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in kelders op delen van zijn gronden waar bovengrondse bebouwing is toegestaan maar feitelijk niet aanwezig is. Volgens [appellant sub 5] voorzien andere planologische regelingen binnen de gemeente wel in deze mogelijkheid en volgt uit de Nota beantwoording zienswijzen dat de raad daarbij heeft willen aansluiten. Hij wijst in dat verband op de bestemmingsplannen "Parapluregelingen", vastgesteld door de raad op 25 september 2003, en "Bilthoven Zuid 2009", vastgesteld door de raad op 26 januari 2011. Daarnaast heeft de raad volgens [appellant sub 5] onvoldoende gemotiveerd welke ruimtelijk relevante bezwaren in de weg staan aan deze door hem gewenste mogelijkheid. Hij wijst in dit verband voorts erop dat rond bestaande bebouwing vaak, en zo ook bij zijn woning, al een pad, oprit, gazon of terras aanwezig is en geen diepgewortelde beplanting. Het behoud van beplanting is op de bedoelde gronden bovendien niet gewaarborgd omdat bovengrondse bebouwing kan worden gerealiseerd, aldus [appellant sub 5].

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in andere plannen binnen de gemeente niet wordt voorzien in kelders op locaties waar geen bovengrondse bebouwing kan worden gerealiseerd. Volgens de raad is in dit geval ook het realiseren van kelders buiten de voetafdruk van bestaande bovengrondse bebouwing vanuit beleidsmatig en constructief oogpunt ongewenst. De raad stelt dat op gronden waar ondergrondse bebouwing wordt gerealiseerd, geen diepgewortelde bomen of beplanting kunnen worden geplaatst. Het mogelijk maken van ondergrondse bebouwing leidt volgens de raad dan ook tot aantasting van het bosrijke karakter van de villawijk.

15.2. Ingevolge artikel 15.2.9, lid a, van de planregels is onderkeldering van bebouwing toegestaan onder het grondoppervlak van een hoofdgebouw/woning, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

1. de oppervlakte van onderkeldering mag niet meer bedragen dan de grondoppervlakte van de bebouwing die op grond van het bestemmingsplan bovengronds is toegestaan;

2. in afwijking van het bepaalde in lid 15.2.9 sub a onder 1 zijn ondergeschikte bouwdelen, zoals koekoeken, wel toegestaan buiten de grondoppervlakte van de bovengrondse bebouwing;

[…].

15.3. Anders dan [appellant sub 5] kennelijk meent, heeft de raad niet beoogd aan te sluiten bij de twee door [appellant sub 5] aangehaalde bestemmingsplannen die bij recht onderscheidenlijk door een afwijkingsregeling voorzien in kelders tot maximaal de grondoppervlakte van de bebouwing die op basis van het betreffende bestemmingsplan bovengronds is toegestaan. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet zou hebben bereikt wat hij heeft beoogd. De Afdeling ziet in de Nota beantwoording zienswijzen geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij is van belang dat in de Nota beantwoording zienswijzen staat dat door [appellant sub 5] wordt verzocht om "kelders zonder bovengrondse bebouwing" mogelijk te maken. Daarover is vervolgens vermeld: "Deze mogelijkheid is standaard uitgesloten in de gemeentelijke bestemmingsplannen." Nog daargelaten dat de raad heeft toegelicht dat hiermee is bedoeld dat andere bestemmingsplannen niet voorzien in kelders ter plaatse van gronden waar geen bovengrondse bebouwing is voorzien, kan hieruit niet worden afgeleid dat de raad in het plan een regeling heeft willen opnemen als door [appellant sub 5] gewenst.

Het betoog faalt.

15.4. De Afdeling stelt vast dat het uitgangspunt van de raad is dat niet langer wordt voorzien in kelders die de feitelijke voetafdruk van de bovengrondse bebouwing overschrijden teneinde de landelijke uitstraling van de villawijk, die wordt bepaald doordat in veel tuinen diepgewortelde en volwassen bomen aanwezig zijn, te behouden. Niet valt in te zien dat de raad in zoverre geen ruimtelijk relevant belang aan het plan ten grondslag heeft gelegd. De raad heeft in dit verband voorts toegelicht dat op gronden waar ondergrondse bebouwing wordt gerealiseerd onder meer geen diepgewortelde bomen of beplanting kunnen worden geplaatst. [appellant sub 5] heeft dit niet gemotiveerd bestreden.

Uit de door [appellant sub 5] naar voren gebrachte omstandigheid dat het plan op de bedoelde gronden bovengrondse bebouwing niet uitsluit zodat het behoud van het groen ter plaatse niet is gewaarborgd, volgt niet dat het door de raad gehanteerde uitgangspunt voor kelders onredelijk is. Weliswaar is niet verzekerd dat het ter plaatse aanwezige groen behouden blijft, maar hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het behoud van dit groen dan aan het belang om kelders te kunnen realiseren zolang dergelijke bovengrondse bebouwing niet aanwezig is.

De raad heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van een kelder die de voetafdruk van de aanwezige bebouwing aan de [locatie 4] overschrijdt zich niet met dit uitgangspunt verdraagt. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van dit uitgangspunt af te wijken. De enkele omstandigheid dat rond de woning van [appellant sub 5] thans geen diepgewortelde bomen staan en een tuinpad en terras aanwezig zijn, zijn daarvoor onvoldoende. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plan erin voorziet dat ondergeschikte bouwdelen van kelders buiten de voetafdruk van de bovengrondse bebouwing worden gerealiseerd. Voorts is van belang dat [appellant sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concrete plannen bestonden om een kelder aan de [locatie 4] te realiseren die de voetafdruk van de aanwezige bovengrondse bebouwing overschrijdt dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden.

Het betoog faalt.

15.5. Over de door [appellant sub 5] gemaakte vergelijking met de bestemmingsplannen "Parapluregelingen" en "Bilthoven Zuid 2009" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de bedoelde regelingen betrekking hebben op andere delen van de gemeente waar het belang om het bestaande, bosrijke karakter en daarmee het diepgewortelde groen te behouden niet of in minder mate speelt dan bij deze villawijk. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

16. [appellant sub 5] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 5] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

17. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015

743.