Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201502708/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college het plaatsingsplan voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Duindorp (wijk 100) te Den Haag gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502708/1/A4.

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college het plaatsingsplan voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Duindorp (wijk 100) te Den Haag gewijzigd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2015, waar [appellant] en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver en ir. H.W. Terlouw, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 24 juni 2014 heeft het college, door vaststelling van een plaatsingsplan, in de wijk Duindorp concrete locaties aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Bij uitspraak van 18 november 2014 in zaken nrs. 201406531/1/A4 en 201406531/2/A4 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het besluit van 24 juni 2014 vernietigd, voor zover daarbij locatie 100-10C was aangewezen. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij het bestreden besluit het plaatsingsplan gewijzigd. Daarbij is onder meer voorzien in de plaatsing van twee naast elkaar gelegen ORAC’s op locatie 100-11. Deze locatie is gesitueerd ter hoogte van de woningen van [appellant] en anderen aan de [locatie 1] en [locatie 2].

2. Bij de wijziging van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn kadervoorstel ‘Ondergrondse inzamelcontainers voor restafval’ met kenmerk RIS 160943 (hierna: de randvoorwaarden), gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

"- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!)

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!)

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."

3. [appellant] en anderen voeren aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de maximale loopafstand van 75 m zou worden overschreden indien locatie 100-11 zou vervallen en de bewoners van het appartementencomplex Zeemeeuw 2 voor het aanbieden van hun huisvuil naar locatie 100-10C zouden moeten lopen. Daartoe voeren zij aan dat de maximale loopafstand in de randvoorwaarden wordt gerelateerd aan de afstand van het perceel tot de ORAC, dat alle woningen in het appartementencomplex tot hetzelfde perceel behoren en dat de loopafstand van de ingang van de garage van het complex en van de hoofdingang aan de Zeezwaluwstraat tot locatie 100-10C minder dan 75 m bedraagt. Ter zitting hebben zij voorts gesteld dat, indien wordt uitgegaan van de huisdeuren van individuele appartementen binnen het complex, ook met de aanwijzing van locatie 100-11 niet wordt voldaan aan de maximale loopafstand van 75 m.

3.1. In de randvoorwaarden, zoals weergegeven onder 2, wordt de loopafstand niet berekend vanaf de grens van het perceel van een woning tot aan de container, maar vanaf de huisdeur tot aan de container. Wat het appartementencomplex Zeemeeuw 2 betreft, is het college bij de berekening van de loopafstanden uitgegaan van de in- en uitgangen van het complex aan de straatzijde en niet van in- en uitgangen van appartementen binnen het complex zelf. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college hiermee op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de randvoorwaarden. Onbetwist is dat het appartementencomplex meerdere in- en uitgangen naar de straat heeft en dat de loopafstand van een deel van deze in- en uitgangen tot locatie 100-10C meer dan 75 m bedraagt. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het vervallen van locatie 100-11 in zoverre zou leiden tot een overschrijding van de in de randvoorwaarden genoemde maximale loopafstand.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen voeren aan dat het college onvoldoende heeft gereageerd op de door hen voorgestelde alternatieve locatie voor de plaatsing van ORAC’s, op de hoek van de Houtrustweg en de Gruttostraat aan de zijde van het Norfolkterrein, achter de daar aanwezige rioleringen en leidingen. Verder voeren zij aan dat het college stelt te hebben gekeken naar alternatieve locaties, die volgens het college geen verbetering bleken te zijn ten opzichte van locatie 100-11, zodat het heeft gekozen voor aanwijzing van die locatie, maar dat het college ten onrechte niet heeft omschreven welke alternatieve locaties het heeft bekeken.

4.1. In de Nota van Antwoord, behorend bij het besluit van 24 juni 2014, heeft het college toegelicht dat plaatsing van ORAC’s op de hoek van de Houtrustweg en de Gruttostraat aan de zijde van het Norfolkterrein niet mogelijk is vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen. Ter zitting heeft het college hieraan toegevoegd dat het verder daarachter, op een gedeelte van het Norfolkterrein waar geen kabels en leidingen aanwezig zijn, realiseren van een locatie voor ORAC’s ook geen alternatief is voor locatie 100-11, omdat de leegwagen in dat geval over de stoep en de parkeerstrook het terrein op zou moeten voor het legen van de ORAC’s, hetgeen tot onveilige situaties zou leiden. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat inmiddels gebleken is dat binnen de plannen voor de herinrichting van het Norfolkterrein mogelijkheden bestaan om op dat terrein een locatie voor ORAC’s te realiseren waarbij deze bezwaren zich niet voordoen, overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de plannen voor het Norfolkterrein ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvoldoende concreet en zeker waren om daarmee bij de besluitvorming rekening te houden. Niet gebleken is dat dit standpunt van het college onjuist is. Het college was, anders dan [appellant] en anderen menen, niet gehouden te wachten met het nemen van het bestreden besluit totdat er concretere plannen voor de herinrichting van het Norfolkterrein zouden zijn. Dat er inmiddels concretere plannen zijn, is voor de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling verder niet relevant. Die toetsing dient plaats te vinden op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dat besluit. Er bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant] en anderen voorgestelde locatie geen alternatief is voor locatie 100-11.

Anders dan waar [appellant] en anderen van uitgaan, hoeft het college slechts te motiveren waarom het locatie 100-11 heeft aangewezen voor de plaatsing van ORAC’s en moet het reageren op aangedragen alternatieven. Daarbuiten hoeft het college niet te verantwoorden welke onderzochte locaties het niet heeft aangewezen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen voeren aan dat het college locatie 100-11 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van ORAC’s, omdat daardoor hun welzijn, woongenot en veiligheid zal worden aangetast. Daartoe voeren zij aan dat zij uitzicht zullen hebben op de ORAC’s en overlast zullen ondervinden door stank en geluid. Verder voeren zij aan dat bij brandstichting in een ORAC ernstig gevaar voor hun woningen kan optreden en dat ook het legen van de ORAC’s met een leegwagen met een hoge uitzwaaiende kraan op korte afstand van de gevel van het appartementencomplex een veiligheidsrisico voor hun woningen oplevert.

5.1. Het college heeft toegelicht dat de ORAC’s grotendeels ondergronds worden geplaatst waardoor uitzicht en woongenot niet worden aangetast en dat een minimale afstand van 1,5 m tot gevels wordt gehanteerd. De ORAC’s op locatie 100-11 zullen volgens het college op 2 m van de dichtstbijzijnde gevel komen te staan. Verder heeft het college toegelicht dat stankoverlast en geluidoverlast tot een minimum worden beperkt doordat de ORAC’s grotendeels onder de grond worden geplaatst, zijn voorzien van een dubbelschalige trommel met rubberen dempers en twee keer per jaar grondig worden gereinigd. Gelet op deze motivering ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stank- en geluidoverlast en aantasting van het uitzicht en woongenot tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2014 in zaak nr. 201402662/1/A4), behoeft het college bij de beslissing over aanwijzing van een locatie voor de plaatsing van ORAC’s geen rekening te houden met de mogelijkheid van brandstichting, nu dit een kwestie van illegaal gebruik en handhaving is.

In het verweerschrift heeft het college toegelicht niet bekend te zijn met het bestaan van een veiligheidsrisico vanwege het legen van de ORAC’s met de leegwagen. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk veiligheidsrisico reëel aanwezig is.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid locatie 100-11 heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van ORAC’s.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen stellen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij noemen in dit verband het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het verbod van détournement de procedure en het beginsel van fair play.

6.1. Voor zover [appellant] en anderen hebben gesteld dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel hebben zij dit niet met concrete argumenten onderbouwd.

Aan hun stelling dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel hebben [appellant] en anderen ten grondslag gelegd dat het college bij de plaatsing van ORAC’s ten onrechte onderscheid maakt tussen delen van Duindorp waar sprake is van oudbouw en delen waar sprake is van nieuwbouw. Zoals het college heeft toegelicht heeft dit onderscheid te maken met de mate van parkeerdruk in deze delen van Duindorp. In de oudere delen van Duindorp is sprake van een hoge parkeerdruk, hetgeen reden is om thans nog niet tot plaatsing van ORAC’s over te gaan. In de nieuwere delen van Duindorp doet dit probleem zich niet voor, zodat het college daarvoor bij het besluit van 24 juni 2014 en het bestreden besluit al wel locaties voor de plaatsing van ORAC’s heeft aangewezen. Dit is, anders dan [appellant] en anderen menen, niet onzorgvuldig. Anders dan waarvan zij uitgaan, was het college niet gehouden te wachten met het nemen van het bestreden besluit totdat voor alle delen van Duindorp één plaatsingsplan gemaakt zou kunnen worden.

Voor zover [appellant] en anderen hebben gesteld dat de procedure niet correct is gevolgd, waardoor het bestreden besluit in strijd zou zijn met het verbod van détournement de procedure, overweegt de Afdeling dat hetgeen zij in dit verband naar voren hebben gebracht geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de door het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit gevolgde procedure in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht of enige andere rechtsregel. Zo was het college, anders dan zij veronderstellen, niet verplicht om in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit een bewonersavond te houden.

Hetgeen [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het beginsel van fair play.

Het betoog faalt.

7. Gelet op al het voorgaande geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college locatie 100-11 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van ORAC’s.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015

687-462.