Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
201501478/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de minister het tracébesluit "A4 Vlietland - N14" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501478/1/R6.

Datum uitspraak: 19 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recreatiecentrum Vlietland B.V., gevestigd te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

appellante,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de minister het tracébesluit "A4 Vlietland - N14" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Recreatiecentrum Vlietland beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2015, waar Recreatiecentrum Vlietland, vertegenwoordigd door [directeur], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Dane en A.C. Klijnhout, beiden werkzaam bij het Ministerie, en drs. R.H.E. Bronckers, werkzaam bij Antea Group, zijn verschenen.

Overwegingen

Het tracébesluit

1. Het tracébesluit voorziet in de verbreding van de rijksweg A4 van 2x3 naar 2x4 rijstroken tussen km 38,0 en km 43,6 voor de westelijke rijbaan en tussen km 38,0 en km 42,7 voor de oostelijke rijbaan. Het betreft het gedeelte van de rijksweg A4 tussen de bestaande aansluiting op de N14 bij Leidschendam en het in het kader van het project Rijnlandroute nieuw te realiseren knooppunt Hofvliet. De extra rijstroken worden in de middenberm gerealiseerd.

Het beroep van Recreatiecentrum Vlietland - algemeen

2. Recreatiecentrum Vlietland is als ontwikkelings- en exploitatiemaatschappij de overkoepelende organisatie voor de bedrijfsmatige ontwikkeling en exploitatie van de recreatieve functies in het langs de A4 gelegen recreatiegebied Vlietland. Zij heeft de rechten voor particuliere exploitatie van Vlietland gekocht van Volker Stevin, de voormalige eigenaar van het gebied, die deze rechten had behouden bij de verkoop van het gebied aan de provincie Zuid-Holland. De gronden in het gebied zijn grotendeels in erfpacht uitgegeven aan Recreatiecentrum Vlietland. Een klein deel van de gronden is eigendom van Recreatiecentrum Vlietland en een ander deel wordt door haar gehuurd. Tot de recreatievoorzieningen in het gebied behoren onder meer een binnenhaven met zeilschool en botenverhuur, een camping, een buitenhaven en horeca. Daarnaast heeft Recreatiecentrum Vlietland het voornemen tot de aanleg van een golfbaan en de bouw van 223 recreatiewoningen in Vlietland. In 2005 is een bestemmingsplan vastgesteld dat in de bouw van de recreatiewoningen voorziet.

Recreatiecentrum Vlietland vreest dat de ontwikkeling die het bestreden besluit mogelijk maakt, zal leiden tot aantasting van de recreatieve waarden van Vlietland, met name door toename van geluidhinder, stankhinder, luchtverontreiniging, lichthinder en bodemvervuiling en door aantasting van het uitzicht.

Rijnlandroute

3. De Afdeling stelt vast dat een aantal van de door Recreatiecentrum Vlietland aangevoerde beroepsgronden geen betrekking heeft op het thans ter beoordeling staande tracébesluit "A4 Vlietland - N14", maar op één of meer van de besluiten met betrekking tot het project Rijnlandroute, waartegen Recreatiecentrum Vlietland eveneens beroep heeft ingesteld. Het betreft onder meer de beroepsgronden over de gevolgen van de asverlegging van de A4, de hinder door een tunnelwerkterrein, het kappen van bomen, de gevolgen van het gebruik van de Rijnlandroute en de inpassing van de Rijnlandroute in de omgeving. Deze beroepsgronden kunnen niet leiden tot vernietiging van het in deze procedure bestreden tracébesluit, dat voorziet in de toevoeging van twee extra rijstroken in de huidige middenberm op een niet tot het tracé van de Rijnlandroute behorend deel van de A4. De Afdeling zal deze beroepsgronden in deze procedure dan ook niet behandelen. Hierna wordt uitsluitend ingegaan op de beroepsgronden, voor zover die betrekking hebben op het tracébesluit "A4 Vlietland - N14".

Procedurele beroepsgronden

4. Recreatiecentrum Vlietland voert aan dat de kennisgeving van het tracébesluit ten onrechte op de eerste dag van de terinzagelegging heeft plaatsgevonden. Volgens haar volgt uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de Tracéwet dat de kennisgeving vóór de eerste dag van de terinzagelegging, en daarmee vóór de eerste dag van de beroepstermijn, had moeten plaatsvinden.

4.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Milieueffectrapportage

5. Recreatiecentrum Vlietland betoogt dat de mer-beoordelingsnotitie onvolledig is wat betreft de effecten van de wegverbreding op het recreatiegebied Vlietland. Het gebied is hierin volgens haar niet als waardevol gebied genoemd en er is volgens haar onvoldoende rekening gehouden met de recreatiebelangen. De milieueffecten op het recreatiegebied, zoals een toename van de geluidbelasting en verslechtering van de luchtkwaliteit, worden onvoldoende beperkt, aldus Recreatiecentrum Vlietland.

5.1. Bij de voorbereiding van het tracébesluit is een mer-beoordelingsnotitie opgesteld, die is aangevuld met een oplegnotitie. Op grond van deze stukken heeft de minister besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. De minister stelt dat in de onderzoeken die ten grondslag liggen aan het tracébesluit en de mer-beoordelingsnotitie voor een groot aantal aspecten, waaronder natuur, geluid, luchtkwaliteit en landschap, is onderzocht of de verbreding van de A4 van 2x3 naar 2x4 rijstroken grote nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Volgens de minister is dat niet het geval. Het tracébesluit bevat bovendien een aantal maatregelen om de negatieve effecten te mitigeren.

5.2. Het recreatiegebied Vlietland wordt in de mer-beoordelingsnotitie niet specifiek als waardevol gebied aangeduid. Wel wordt het gebied in de mer-beoordelingsnotitie genoemd als recreatie- en watersportgebied met jaarlijks een miljoen recreanten. Uit de stukken blijkt verder dat de verbreding van de A4 waarin het tracébesluit voorziet niet leidt tot ruimtebeslag op het recreatiegebied Vlietland. In de mer-beoordelingsnotitie, de daarbij behorende oplegnotitie en de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken zijn de gevolgen van de wegverbreding voor onder meer geluid, natuur, landschap en luchtkwaliteit onderzocht. Naar het oordeel van de Afdeling zijn hiermee de gevolgen voor het recreatiegebied Vlietland voldoende in de mer-beoordeling betrokken. Daarbij is tevens van belang dat de locatie voor de 223 geplande recreatiewoningen in Vlietland zich vanwege de afstand tot de projectgrens buiten het onderzoeksgebied van het akoestisch onderzoek bevindt. De Afdeling ziet in hetgeen Recreatiecentrum Vlietland heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de mer-beoordelingsnotitie en de oplegnotitie belangrijke nadelige milieugevolgen buiten beschouwing zijn gelaten en dat de minister ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Of de maatregelen in het tracébesluit toereikend zijn om de nadelige gevolgen te beperken, zal hierna worden beoordeeld.

Het betoog faalt.

Actualiteit onderzoeken

6. Recreatiecentrum Vlietland voert aan dat de minister aan het bestreden besluit onderzoeken ten grondslag heeft gelegd die niet meer actueel zijn. Volgens haar volgt uit de Tracéwet dat de minister bij het gebruik van onderzoeken die ouder zijn dan twee jaar moet motiveren dat deze onderzoeken nog steeds actueel zijn.

In het bijzonder betoogt Recreatiecentrum Vlietland dat het nut en de noodzaak van het project niet met actuele onderzoeken zijn onderbouwd. Meer in het bijzonder kon de minister zich volgens haar niet baseren op de nut- en noodzaaknotitie uit 2008 en de MIRT-verkenning Integrale Benadering Holland-Rijnland uit 2009. Volgens Recreatiecentrum Vlietland is een aantal uitgangspunten van de nut- en noodzaakrapporten achterhaald, met name de prognoses van economische en ruimtelijke ontwikkelingen en de monetaire waardering van reistijdwinst.

Daarnaast betoogt Recreatiecentrum Vlietland dat de gehanteerde verkeersprognoses voor 2030 niet meer actueel zijn. Zij stelt dat de prognoses zijn gebaseerd op het Welvaart en Leefomgeving (WLO)-scenario "hoge groei", het zogenoemde GE-scenario. Uit de Mobiliteitsmonitor 2013 van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) en uit het rapport "Uitbreiding snelwegen: nodig of overbodig" van CE Delft blijkt volgens haar dat de werkelijke verkeersontwikkeling daar al jarenlang ver bij achterblijft. De verkeersprognoses konden daarom niet meer worden gebruikt ter onderbouwing van de nut en noodzaak van het project, aldus Recreatiecentrum Vlietland.

6.1. De minister stelt dat bij het nemen van het tracébesluit is uitgegaan van actuele gegevens. De gehanteerde uitgangspunten en gegevens zijn nader toegelicht in het rapport "Uitgangspunten verkeersmodel Verbreding A4 Vlietland - N14" van 1 mei 2014. Voor het genereren van de verkeersgegevens ten behoeve van het ontwerpbesluit is gebruik gemaakt van de op dat moment meest actuele versie van het Nederlands Regionaal Model (hierna: het NRM 2013). Dit verkeersmodel heeft volgens de minister ook ten grondslag gelegen aan de overige onderzoeken, zoals het akoestisch onderzoek.

Het NRM 2013 gaat uit van het GE-scenario. De minister acht het NRM 2013 op dit punt voldoende representatief. Hij wijst er in dat verband op dat de groeiscenario’s die ten grondslag liggen aan de gehanteerde verkeersmodellen voortdurend worden getoetst aan ontwikkelingen in demografie, mobiliteit en economie en zo nodig worden aangepast. Volgens de minister is bij de besluitvorming daarom uitgegaan van gangbare groeiprognoses voor het wegverkeer.

Op grond van de gehanteerde verkeersprognoses heeft de minister geconcludeerd dat de doorstroming op de A4 tussen Leiden en Den Haag in 2030 niet zal voldoen aan de reistijddoelen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat dit deel van de A4 met 2x3 rijstroken minder rijstroken heeft dan de aansluitende delen en daardoor een flessenhals vormt. De slechte doorstroming op de A4 leidt daarnaast tot vertragingen op andere wegen, aldus de minister. Met een verbreding naar 2x4 rijstroken zal de doorstroming op de A4 blijven voldoen aan deze reistijddoelen. Volgens de minister zijn het nut en de noodzaak van het project daarmee aangetoond.

6.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Tracéwet kan Onze Minister zich bij de vaststelling van het tracébesluit in ieder geval baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar.

6.3. Uit de stukken blijkt niet dat de minister zich bij het nemen van het tracébesluit heeft gebaseerd op de door Recreatiecentrum Vlietland bedoelde nut- en noodzaaknotitie uit 2008 en de MIRT-verkenning Integrale Benadering Holland-Rijnland uit 2009. Reeds hierom kan het betoog dat artikel 12, eerste lid, van de Tracéwet aan het gebruik van deze rapporten in de weg staat niet slagen.

6.4. De minister heeft zich wat de verkeersgegevens betreft bij de vaststelling van het tracébesluit gebaseerd op het rapport van 1 mei 2014. In dat rapport staat dat het NRM 2013 als verkeersmodel wordt gehanteerd. Het rapport van 1 mei 2014 was ten tijde van het nemen van het tracébesluit niet ouder dan twee jaar, zodat daarop artikel 12, eerste lid, van de Tracéwet van toepassing is.

6.5. Voor zover Recreatiecentrum Vlietland betoogt dat de minister desondanks niet van het rapport van 1 mei 2014 en de met behulp van het NRM 2013 berekende verkeersgegevens mocht uitgaan, omdat het op het GE-scenario gebaseerde NRM 2013 volgens haar niet representatief is, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder meer in de uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200703693/1, geven modellen noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weer. De validiteit van een model, zoals het NRM 2013, wordt pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid.

Recreatiecentrum Vlietland heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het NRM 2013 zodanige gebreken vertoont dat de uitkomsten hiervan in dit geval niet als representatief kunnen worden beschouwd en dat de minister zich hier niet in redelijkheid op heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

7. Recreatiecentrum Vlietland voert aan dat het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte is beperkt tot het gebied waarop het tracébesluit betrekking heeft. De gevolgen van het tracébesluit voor de luchtkwaliteit in het aangrenzende gebied Vlietland zijn volgens haar ten onrechte niet onderzocht. Recreatiecentrum Vlietland vreest dat de wettelijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit in Vlietland zullen worden overschreden.

7.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b. (…);

c. (…);

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, zijn de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften onder meer de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet.

Ingevolge het derde lid vindt bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c of d, gedurende de periode waar een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, betrekking op heeft, met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling of het desbetreffende besluit op de luchtkwaliteit geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde voor die periode, noch voor enig jaar

daarna.

7.2. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit zijn in het kader van de mer-beoordeling de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) berekend op de reken- en toetspunten langs de A4, gelegen op 10 m afstand van de rand van de weg. Het betoog dat de minister deze concentraties voor een groter gebied had moeten onderzoeken en aan de wettelijke grenswaarden had moeten toetsen, kan niet slagen. Het project A4 Vlietland - N14 is namelijk opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL). De geldigheidsduur van het NSL is bij besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 3 juni 2014 (Stcrt. 2014, 15920) verlengd tot en met 31 december 2016. Het NSL gold daarom ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Uit artikel 5.16, eerste lid, onder d, en derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat voor een project dat in het NSL is opgenomen geen toetsing aan de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden uit bijlage 2 bij de Wet milieubeheer hoeft te worden uitgevoerd. Het NSL is erop gericht dat de concentraties PM10 en NO2 door de maatregelen uit het programma binnen de wettelijke termijn zullen voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit in het gebied Vlietland. Het betoog faalt.

Geluid

8. Recreatiecentrum Vlietland voert aan dat de uitbreiding van het aantal rijstroken die het tracébesluit mogelijk maakt, leidt tot onaanvaardbare geluidhinder in het recreatiegebied Vlietland, in het bijzonder ter plaatse van de voorziene recreatiewoningen. Volgens haar volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 in zaak nr. 201002029/1/T1/R2 dat het tracébesluit geluidwerende inpassingsmaatregelen ten behoeve van de recreatiewoningen moet bevatten. Recreatiecentrum Vlietland wijst er in dat verband tevens op dat in het erfpachtcontract met de provincie Zuid-Holland ten aanzien van de bouw en exploitatie van 223 geplande recreatiewoningen een bepaling is opgenomen die ertoe strekt dat de recreatiewoningen op gelijke wijze tegen geluidhinder worden beschermd als permanent bewoonde woningen.

8.1. Bij de voorbereiding van het tracébesluit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek TB A4 Vlietland - N14. Hoofdrapport" van 28 november 2014. Volgens de minister blijkt uit het akoestisch onderzoek dat na het aanbrengen van tweelaags ZOAB - zoals voorgeschreven in het tracébesluit - wordt voldaan aan de geluidproductieplafonds die krachtens artikel 11.30 van de Wet milieubeheer zijn vastgesteld voor de referentiepunten op 50 m afstand van de rijksweg. Er zal dan ook geen geluidtoename optreden ten opzichte van de situatie met een geheel benut geluidproductieplafond, aldus de minister. Volgens het akoestisch onderzoek geldt dit ook voor niet-geluidgevoelige bestemmingen in het onderzoeksgebied. De 223 geplande recreatiewoningen liggen vanwege de afstand tot de projectgrens buiten het onderzoeksgebied.

In het kader van de mer-beoordeling is daarnaast onderzoek verricht naar de toekomstige geluidbelasting in verhouding tot de referentiesituatie. Daarbij speelt de autonome groei van het verkeer een belangrijke rol. In paragraaf 4.2 van de mer-beoordelingsnotitie staat dat de geluidproductieplafonds zonder maatregelen zullen worden overschreden. De bijdrage van de wegverbreding aan die overschrijding bedraagt echter minder dan 1 dB en is daarmee gering; de grootste bijdrage aan de overschrijding wordt geleverd door de autonome groei van het wegverkeer. Met toepassing van tweelaags ZOAB worden de geluidproductieplafonds volgens de mer-beoordelingsnotitie niet overschreden en is er juist een afname van de geluidbelasting ten opzichte van de referentiesituatie: een projecteffect van -1,4 dB.

8.2. Uit het akoestisch rapport en de mer-beoordelingsnotitie blijkt dat de geldende geluidproductieplafonds niet zullen worden overschreden en dat de geluidbelasting afneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast blijkt uit kaartblad 9 van het akoestisch rapport dat de ligging van de 47 dB(A)- en 42 dB(A)-contouren ter hoogte van Vlietland niet verslechtert als gevolg van de wegverbreding met de daarbij voorgeschreven maatregel van het aanbrengen van tweelaags ZOAB. Gelet hierop heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project geen onaanvaardbare toename van de geluidbelasting in het recreatiegebied zal veroorzaken.

Met betrekking tot de geplande recreatiewoningen overweegt de Afdeling daarnaast het volgende. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de minister bij de voorbereiding van het tracébesluit onderzoek heeft gedaan naar de geluidbelasting op niet-geluidgevoelige objecten, omdat hij een onaanvaardbare toename van die geluidbelasting wil voorkomen. De 223 voorziene recreatiewoningen zijn niet in dat onderzoek betrokken. Daarvoor is niet doorslaggevend geweest dat het niet-geluidgevoelige objecten betreft, maar dat de beoogde locatie voor de recreatiewoningen zich buiten het op kaartblad 6 van het akoestisch onderzoek aangeduide onderzoeksgebied bevindt en derhalve buiten het gebied waar volgens de minister nog relevante geluideffecten van het project zijn te verwachten. Het betoog dat de minister de toekomstige recreatiewoningen ten onrechte anders heeft behandeld dan reguliere woningen mist daarom, wat daarvan ook zij, feitelijke grondslag. Recreatiecentrum Vlietland heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat het project ter plaatse van de toekomstige recreatiewoningen wel tot een relevante toename van de geluidbelasting zal leiden. Gelet hierop en gelet op de verwachte afname van de geluidbelasting in het onderzoeksgebied ten opzichte van de referentiesituatie heeft de minister er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de toevoeging van twee extra rijstroken geen onaanvaardbare geluidbelasting op de voorziene recreatiewoningen zal veroorzaken.

Gelet op het voorgaande heeft de minister er bovendien in redelijkheid toe kunnen besluiten in het tracébesluit geen maatregelen, zoals een geluidscherm, voor te schrijven ter beperking van de geluidbelasting op het recreatiegebied Vlietland of op de geplande 223 recreatiewoningen.

Het betoog faalt.

Gezondheidseffecten

9. Recreatiecentrum Vlietland betoogt dat het tracébesluit onvoldoende inzicht geeft in de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mensen die in de directe omgeving wonen, verblijven of recreëren in Vlietland. De schadelijke gevolgen zijn volgens haar naar verwachting veel groter dan uit de ter inzage gelegde documenten blijkt.

9.1. De minister stelt dat uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de verbreding van de A4 met de getroffen mitigerende maatregelen binnen de wettelijke normen voor onder meer geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid kan worden gerealiseerd. De effecten op de gezondheid van de gebruikers van het recreatiecentrum zijn volgens de minister dermate gering, dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de leefomgeving. De minister bestrijdt de stelling van Recreatiecentrum Vlietland dat de schadelijke gevolgen veel groter zijn dan blijkt uit de ter inzage gelegde documenten.

9.2. Gelet op hetgeen hiervoor over geluidhinder en luchtkwaliteit is overwogen, kon de minister er voor die aspecten in redelijkheid van uitgaan dat de toevoeging van twee extra rijstroken in de huidige middenberm van de A4 niet leidt tot onaanvaardbare schadelijke gevolgen voor de gezondheid van omwonenden en recreanten in het gebied Vlietland. Recreatiecentrum Vlietland heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat zich als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling andere belangrijke nadelige gezondheidseffecten zullen voordoen of dat de gezondheidseffecten veel groter zullen zijn dan blijkt uit de met het tracébesluit ter inzage gelegde documenten.

Het betoog faalt.

Ontbreken van inpassingsmaatregelen

10. Recreatiecentrum Vlietland betoogt dat het tracébesluit ten onrechte niet voorziet in toereikende inpassingsmaatregelen om de overlast als gevolg van de verbreding van de A4 te beperken. De hinder ontstaat volgens haar onder meer door geluid, aantasting van het uitzicht, stank en verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het bijzonder betoogt Recreatiecentrum Vlietland dat een geluidwerend scherm, voorzien van wintergroene beplanting, moet worden aangebracht. Dat beperkt niet alleen de geluidbelasting, maar neemt ook het zicht vanuit Vlietland op de A4 weg. Recreatiecentrum Vlietland stelt dat ten onrechte is volstaan met het aanbrengen van tweelaags ZOAB als maatregel ter beperking van hinder. Het ZOAB wordt volgens haar bovendien ten onrechte pas aangebracht wanneer regulier onderhoud aan de A4 plaatsvindt.

10.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de inpassingsmaatregelen die in het tracébesluit zijn opgenomen toereikend zijn. Hij stelt daarnaast dat het tweelaags ZOAB direct bij de realisatie van de wegverbreding wordt aangebracht.

10.2. Zoals hiervoor onder 8.2 is overwogen, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorgenomen verbreding van de A4 met het aanbrengen van tweelaags ZOAB niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting in de omgeving. Uit tabel 1 op blz. 5 van het tracébesluit blijkt dat het tweelaags ZOAB voorafgaand aan de openstelling van de extra rijstroken wordt aangebracht. Ter zitting heeft de minister bevestigd dat het tweelaags ZOAB reeds bij oplevering van de nieuwe rijstroken aanwezig zal zijn. Alleen het zogeheten tweelaags ZOAB fijn, dat op een beperkt deel van het tracé wordt aangebracht, zal pas later worden aangebracht. Dit volgt uit artikel 2 en tabel 2 van het tracébesluit.

Met betrekking tot de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling dat het project is opgenomen in het NSL. In het NSL is vastgelegd welke maatregelen dienen te worden getroffen ten behoeve van de luchtkwaliteit. Reeds hierom faalt het betoog dat de minister in het tracébesluit maatregelen had moeten voorschrijven om een goede luchtkwaliteit te verzekeren.

Daarnaast hoeft naar het oordeel van de Afdeling niet te worden gevreesd voor een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht vanuit Vlietland. De twee extra rijstroken worden aangelegd in de huidige middenberm, zodat niet is te verwachten dat het zicht vanuit Vlietland wezenlijk zal veranderen.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen verdere inpassingsmaatregelen in het tracébesluit op te nemen.

Het betoog faalt.

Schade

11. Recreatiecentrum Vlietland voert aan dat de uitbreiding van het aantal rijstroken die het tracébesluit mogelijk maakt, leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de recreatieve waarden van het gebied Vlietland en van de leefbaarheid van de verblijfsrecreatieve voorzieningen in het gebied. Dit geldt volgens haar te meer nu onvoldoende inpassingsmaatregelen worden getroffen. Recreatiecentrum Vlietland stelt dat dit nadelig is voor de huidige en toekomstige exploitatie van het recreatiegebied en stelt hierdoor ernstige schade te lijden. Deze schade wordt onder meer veroorzaakt doordat de 223 voorziene recreatiewoningen minder rendabel zullen zijn of bij het uitblijven van toereikende inpassingsmaatregelen zelfs helemaal niet kunnen worden gebouwd. De investeringen in de nieuwe recreatiewoningen bedragen volgens Recreatiecentrum Vlietland ongeveer € 100 miljoen. Daarnaast wordt schade veroorzaakt doordat een eerder geplande golfbaan niet kan worden gerealiseerd, aldus Recreatiecentrum Vlietland.

11.1. Volgens de minister is geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van de recreatieve waarden van het recreatiegebied Vlietland. Hij betoogt in dat verband dat de verbreding van de A4 plaatsvindt in de middenberm, zodat er geen extra ruimtebeslag is op het recreatiegebied Vlietland. Ook worden er geen bouwwerken opgericht die het vrije zicht belemmeren. Daarnaast wordt volgens de minister door de aanleg van tweelaags ZOAB extra geluidhinder als gevolg van de wegverbreding voorkomen. Indien Recreatiecentrum Vlietland meent schade te lijden, kan zij een verzoek om schadevergoeding indienen, aldus de minister.

11.2. De Afdeling stelt voorop dat de beoordeling van deze beroepsgrond zich dient te beperken tot de gevolgen van het thans bestreden tracébesluit, dat voorziet in de toevoeging van twee extra rijstroken in de middenberm van de A4. Eventuele schade als gevolg van de aanleg van de Rijnlandroute blijft in deze procedure buiten beschouwing.

De vergoeding van eventuele schade als gevolg van de verbreding van de A4 van 2x3 naar 2x4 rijstroken is een aspect dat primair in het kader van een verzoek om schadevergoeding of nadeelcompensatie dient te worden beoordeeld. Artikel 22 van de Tracéwet en de Beleidsregel Nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 bevatten hiervoor een regeling met aparte procedures en eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Ter zitting heeft de minister erop gewezen dat Recreatiecentrum Vlietland van deze regeling gebruik kan maken.

In hetgeen Recreatiecentrum Vlietland heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor de verwachting dat de schade door onder meer toename van geluidhinder, luchtverontreiniging en aantasting van het uitzicht zodanig zal zijn, dat de minister bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de uitvoering van het tracébesluit worden gediend. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het bestreden besluit er niet toe leidt dat de golfbaan niet kan worden gerealiseerd. Verder is van belang dat het, gelet op de afstand tussen het tracé en de voorziene recreatiewoningen en gelet op hetgeen hiervoor over onder meer geluidhinder is overwogen, naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk is dat het bestreden besluit aan de realisatie van de recreatiewoningen in de weg zal staan.

Het betoog faalt.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Helder w.g. Teuben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015

483.