Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201500025/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, ambtshalve gegevens uit de basisregistratie personen (hierna: brp) verwijderd die hij, naar aanleiding van een door [verzoeker] gedane aangifte van verblijf en adres, daarin had opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500025/2/A3.

Datum uitspraak: 7 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], verblijvend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2014 in zaken nrs. 14/5939 en 14/5940 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft het college, voor zover thans van belang, ambtshalve gegevens uit de basisregistratie personen (hierna: brp) verwijderd die hij, naar aanleiding van een door [verzoeker] gedane aangifte van verblijf en adres, daarin had opgenomen.

Bij besluit van 5 september 2014 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Het college heeft een nader stuk ingebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2015, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. C.M. Suurmeijer-Wawoe, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door E. Bruinsma, vergezeld door mr. M.P.M. van de Mortel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

3. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat het college, in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep, aan zijn aangifte van verblijf en adres te ontlenen gegevens in de brp moet opnemen, omdat hij zonder opname van deze gegevens in de brp niet krachtens de Participatiewet voor een bijstandsuitkering in aanmerking kan komen.

4. Ingevolge artikel 2.19, vijfde lid, van de Wet brp worden de gegevens niet in de brp opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld. In de bodemprocedure, waarin niet in geschil is dat [verzoeker] zich in Nederland van twee onderscheiden identiteiten heeft bediend, is de vraag aan de orde of de identiteit van [verzoeker] deugdelijk kan worden vastgesteld. Deze vraag leent zich niet voor beantwoording door de voorzieningenrechter, terwijl hetgeen [verzoeker] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de Afdeling deze vraag in de bodemprocedure bevestigend zal beantwoorden. Nu voorts uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 2 juni 2015 in zaak nr. 201500133/2/A3) volgt dat het doel van de Wet brp is dat gegevens in de brp zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn, bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening als voormeld te treffen.

5. Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Robben

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2015

610.