Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201502605/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/289
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502605/1/V2.

Datum uitspraak: 6 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) van 24 maart 2015 in zaken nrs. 15/3036 en 15/3039 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 maart 2015 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij de beantwoording van de vraag of koptische christenen in Egypte moeten worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep, de in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) vermelde elementen ten onrechte niet in onderlinge samenhang heeft gewogen. De staatssecretaris voert voorts aan dat hij, anders dan besloten ligt in hetgeen de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor koptische christenen in Egypte een binnenlands vestigingsalternatief bestaat. Volgens de staatssecretaris heeft hij derhalve deugdelijk gemotiveerd dat zij niet moeten worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep.

1.1. Volgens paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, is de staatssecretaris bevoegd om een bevolkingsgroep in een land van herkomst aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. Bij de vraag of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid, worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

- de vraag of er sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen in het land of in een bepaald gebied van dit land, zoals moord, verkrachting en mishandeling;

- de mate waarin een vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, effectieve bescherming kan inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschendingen;

- de mate waarin een vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, zich kan onttrekken aan dreigend geweld of mensenrechtenschendingen door zich elders te vestigen.

Bij de beoordeling of een vreemdeling zich kan onttrekken aan dreigend geweld of mensenrechtenschendingen sluit de staatssecretaris aan bij artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en het beleid over het vestigingsalternatief, zoals vermeld in paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000.

1.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om koptische christenen in Egypte aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat in het door de vreemdeling overgelegde rapport van het United Kingdom Home Office "Country Information and Guidance Egypt: Christians" van 14 juli 2014 staat dat voor christenen in Egypte in het algemeen geen reëel risico bestaat op vervolging of een onmenselijke behandeling, maar dat dat risico wel bestaat in gebieden buiten de grote steden, onder meer in gebieden waar moslims veel invloed hebben, en dat christenen in dat geval in het algemeen kunnen verhuizen naar een gebied waar de invloed van moslims niet zo groot is. De staatssecretaris heeft in het besluit naar voren gebracht dat hieruit kan worden afgeleid dat koptische christenen zich in het algemeen aan eventueel dreigend geweld of mensenrechtenschendingen kunnen onttrekken door zich elders in Egypte te vestigen. De stelling van de vreemdeling dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat christenen in Egypte in het algemeen te maken hebben met geweld, maakt dit volgens de staatssecretaris niet anders. Daaruit volgt immers niet zonder meer dat van christenen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij zich elders in Egypte vestigen en dat zij geen leven kunnen leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven als normaal zijn aan te merken, zoals bedoeld in paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000. In hoger beroep heeft de staatssecretaris toegelicht dat nu in het algemeen een binnenlands vestigingsalternatief bestaat, aan de beantwoording van de vraag of koptische christenen in het algemeen bescherming kunnen krijgen, minder gewicht toekomt.

1.3. Anders dan besloten ligt in hetgeen de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich, gelet op de hiervoor weergegeven motivering, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor koptische christenen in Egypte in het algemeen een binnenlands vestigingsalternatief bestaat. Uit het vorenoverwogene volgt ook dat de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de in paragraaf C2/3.3 van de Vc 2000 vermelde elementen in het besluit in onderlinge samenhang heeft gewogen. De staatssecretaris heeft gelet op het vorenstaande deugdelijk gemotiveerd dat koptische christenen in Egypte niet moeten worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bij terugkeer naar Egypte. Hij heeft aangevoerd dat hij in Egypte is bespuugd en beroofd door willekeurige personen, omdat hij een koptische christen is. Ook heeft hij aangevoerd dat hij makkelijk herkenbaar is als koptische christen en dat hij door zijn verwestersing nog sneller als zodanig zal worden herkend.

3.1. Om voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 in aanmerking te komen, diende de vreemdeling met specifieke onderscheidende kenmerken aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Het moet ervoor worden gehouden dat de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd. Immers, niet bestreden is de overweging van de rechtbank dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bespuging en beroving een op zijn persoon gerichte en dus geen willekeurige gebeurtenis was.

De beroepsgrond faalt.

4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 maart 2015 in zaak nr. 15/3036;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2015

284-691.