Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201505283/2/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 6 december 2013 en 31 juli 2014 heeft het college de aanvragen van de stichting om huisvesting voor een scholengemeenschap in het huisvestingsprogramma 2014 respectievelijk 2015 op te nemen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505283/2/A2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 27 mei 2015 in zaak nr. 15/961, 15/873 en 15/1145 in het geding tussen:

de stichting Stichting Islamitisch Onderwijs Amsterdam, gevestigd te Amsterdam

en

het college.

Procesverloop

Bij besluiten van 6 december 2013 en 31 juli 2014 heeft het college de aanvragen van de stichting om huisvesting voor een scholengemeenschap in het huisvestingsprogramma 2014 respectievelijk 2015 op te nemen, afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2015 heeft het college naar aanleiding van de door de stichting daartegen gemaakte bezwaren haar aanvragen buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 27 mei 2015 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 maart 2015 vernietigd, voor zover het college daarbij de aanvragen voor 2014 en 2015 buiten behandeling heeft gesteld en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van de stichting onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- voor elke dag dat verweerder in gebreken blijft, met een maximum van € 30.000,-. Voorts heeft de rechtbank het beroep van de stichting tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar voor het jaar 2014 niet-ontvankelijk en voor het jaar 2015 gegrond verklaard en vastgesteld dat het college als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.260,-.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 juli 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.M.C. Nuijten, advocaat te Amsterdam, en D.T.M. Satijn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.W.C. van Kleef, advocaat te Boskoop, en [voorzitter] van de stichting, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college geen nieuw besluit op het bezwaar van de stichting tegen de besluiten van 6 december 2013 en 31 juli 2014 hoeft te nemen, voordat de Afdeling op het hoger beroep zal hebben beslist.

2. Het college heeft geen zwaarwegend belang bij het verzoek gesteld. Anders dan het college heeft aangevoerd leidt het nemen van een inhoudelijk besluit op bezwaar waarbij positief wordt beslist op de aanvragen van de stichting niet op korte termijn tot onomkeerbare gevolgen. Het college dient in dat geval aan de stichting voor 1 augustus 2016 een huisvestingsverklaring te verstrekken. Naar verwachting zal de Afdeling reeds voor die datum uitspraak hebben gedaan in de hoofdzaak. Het is in het belang van een finale beslechting van het geschil dat een nieuw besluit wordt genomen, dat met toepassing van artikel 6:19, gelezen in verbinding met artikel 6:24, van de Awb kan worden beoordeeld in het kader van de hoger beroepen.

3. Gelet daarop ziet de voorzitter geen aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te worden genomen. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

362.