Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201410656/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410656/1/V2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), van 19 december 2014 in zaken nrs. 14/26165 en 14/26166 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 19 december 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Arnhem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank het rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 7 april 2014 (hierna: het iMMO-rapport) ten onrechte als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid heeft aangemerkt. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat niet valt in te zien waarom het eerder - tijdens de eerste procedure - niet mogelijk was het rapport te doen opstellen en in de procedure te brengen.

1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 6 december 2012, een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 31 juli 2013 is deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 17 november 2014 is derhalve van gelijke strekking als het besluit van 31 juli 2013, zodat op het beroep tegen het besluit van 17 november 2014 voormeld beoordelingskader van toepassing is.

1.4. De vreemdeling heeft aan haar opvolgende aanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat zij wegens haar psychische gesteldheid in de procedure leidend tot het besluit van 31 juli 2013 niet naar behoren heeft kunnen verklaren. Ter staving hiervan heeft zij het iMMO-rapport overgelegd. De vreemdeling betoogt voorts dat zij met het iMMO-rapport medisch bewijs heeft geleverd voor haar asielrelaas.

1.5. Het iMMO-rapport is op verzoek van de vreemdeling opgesteld met als doel het verschaffen van een deskundigenoordeel over de vraag of haar psychische klachten en fysieke klachten zijn voortgekomen uit de gestelde asielmotieven en de vraag of psychische problemen bestaan die nu en ten tijde van de eerste asielaanvraag interfereren met het vermogen om compleet, coherent en consistent haar relaas te doen in het kader van die asielaanvraag.

De asielaanvraag van de vreemdeling in de eerste procedure dateert van 6 december 2012. Op 15 februari 2013 heeft de staatssecretaris het (tweede) voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag uitgebracht. Nadat de vreemdeling een zienswijze had ingediend, heeft de staatssecretaris bij besluit van 31 juli 2013 de asielaanvraag van de vreemdeling afgewezen. Op 14 augustus 2013 heeft de vreemdeling hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank, waarna zij op 9 september 2013 de gronden van het beroep heeft ingediend. In de gronden van het beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat zij het iMMO zal benaderen voor een onderzoek. Vervolgens heeft de vreemdeling in de aanvullende gronden van het beroep van 9 oktober 2013 verklaard dat zij het iMMO daadwerkelijk heeft ingeschakeld naar aanleiding van het besluit 31 juli 2013. Het iMMO heeft op 2 december 2013 aangekondigd dat het zal onderzoeken of bij de vreemdeling sprake is van psychische problematiek die van invloed kan zijn op het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren en of haar psychische klachten en fysieke klachten zijn voortgekomen uit de gestelde asielmotieven. Op 7 april 2014 heeft het iMMO het gevraagde rapport uitgebracht.

Nu de vreemdeling eerst in een laat stadium, te weten bijna acht maanden na het voornemen van 15 februari 2013, het iMMO heeft ingeschakeld, heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom zij het iMMO-rapport dan wel een soortgelijk rapport niet al heeft overgelegd in de bestuurlijke fase dan wel beroepsfase van de eerdere procedure. In dit verband is van belang dat het iMMO zes maanden na het verzoek het gevraagde rapport heeft uitgebracht. De rechtbank heeft het iMMO-rapport derhalve ten onrechte aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

3. De beroepsgrond van de vreemdeling dat zij bij terugkeer naar Sri Lanka verdacht zal worden van betrokkenheid bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam en om die reden een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), faalt gelet op de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2014 in zaak nr. 201400058/1/V2, reeds omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als activist zal worden beschouwd door de Sri Lankaanse autoriteiten.

4. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staatssecretaris speciaal beleid voor alleenstaande vrouwen had moeten vaststellen. Zij heeft geen mannelijke familieleden meer die haar bij terugkeer kunnen beschermen, aldus de vreemdeling.

4.1. De vreemdeling heeft geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom zij haar stelling dat zij een alleenstaande vrouw is en om die reden bij terugkeer wordt blootgesteld aan een schending van artikel 3 van het EVRM, niet reeds in de eerdere procedure naar voren had kunnen en derhalve behoren te brengen. Er is daarom geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 december 2014 in zaak nr. 14/26165;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2015

594.