Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2605

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201500606/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8322, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 23 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2008 en 2009 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500606/1/A2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 december 2014 in zaak nr. 14/3171 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 23 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2008 en 2009 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 28 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Alam-Khan, advocaat te Delft, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvangtoeslag verstaan een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. [appellant] heeft in 2008 en 2009 gebruik gemaakt van gastouderopvang door tussenkomst van [gastouderbureau].

Aan de besluiten van 23 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in de jaren 2008 en 2009 daadwerkelijk kosten voor kinderopvang heeft gemaakt.

De rechtbank heeft dit standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag dient aan te tonen dat hij een eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang heeft betaald. Het betalen van een eigen bijdrage is geen wettelijk vereiste om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 mei 2015 in zaak nr. 201406727/1/A2), volgt uit artikel 5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de Wko, dat onder kinderopvangtoeslag wordt verstaan een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wko volgt dat de wetgever heeft gekozen voor financiering door al de betrokkenen van de kinderopvang, waarbij dat deel van de kosten dat resteert nadat de overheid en de werkgever hun aandeel hebben geleverd, voor rekening van de ouders komt (Kamerstukken II 2001/02, 28 447, nr. 3, blz. 20-21). Dat niet expliciet in een wettelijke bepaling is vastgelegd dat een aanvrager van kinderopvangtoeslag een gedeelte van de kosten zelf dient te dragen, wil hij recht op kinderopvangtoeslag hebben, doet hieraan niet af. Dit geldt evenzeer voor de stelling van [appellant] dat een folder van de Belastingdienst/Toeslagen over kinderopvangtoeslag hierover niets vermeldt.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft aangetoond dat hij alle kosten voor kinderopvang in 2008 en 2009 heeft betaald. Hij voert aan dat zijn echtgenote werkzaam was bij [gastouderbureau] en dat delen van haar salaris zijn verrekend met de kosten voor opvang. Als bewijsstukken zijn haar salarisstroken overgelegd. Volgens [appellant] kan het ontbreken van daarop betrekking hebbende facturen niet aan hem worden toegerekend, omdat hij niet verantwoordelijk is voor de administratie van [gastouderbureau].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 november 2014 in zaak nr. 201311519/1/A2), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Hieruit volgt dat nu [appellant] aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, het op zijn weg ligt om aan te tonen dat hij de kosten van kinderopvang volledig heeft betaald. Dat facturen ontbreken, naar hij stelt, dient voor zijn rekening te blijven.

4.2. Volgens de jaaropgave over 2008 heeft [appellant] in dat jaar in totaal € 21.672,00 aan kosten voor kinderopvang gehad. Deze kosten hebben alleen betrekking op de opvang, omdat in de overeenkomst tussen [appellant] en [gastouderbureau] is bepaald dat de ouder geen bemiddelingskosten is verschuldigd aan [gastouderbureau]. Aan [appellant] is over 2008 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 15.933,00 toegekend dat rechtstreeks is gestort op een bankrekening van [gastouderbureau]. Op de jaaropgave 2008 is vermeld dat [gastouderbureau] de [gastouders] heeft betaald voor de opvang. Dit betekent dat [appellant] moet aantonen dat hij € 5.739,00 aan kinderopvangkosten in 2008 heeft voldaan.

[appellant] heeft met het overleggen van de salarisstroken van zijn echtgenote over 2008 niet aangetoond dat een bedrag door middel van verrekening met het salaris van zijn echtgenote in 2008 is voldaan, reeds omdat over de gestelde verrekening vooraf geen afspraken tussen haar en het gastouderbureau op schrift zijn gesteld. Voorts is van belang dat het bedrag van de gestelde verrekening, te weten € 3.323,40, wat daar verder ook van zij, lager is dan het bedrag van € 5.739,00 dat [appellant] had moeten betalen in 2008. Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 in zaak nr. 201409495/1/A2. Nu uit de door [appellant] overgelegde stukken evenmin volgt dat hij rechtstreekse betalingen heeft verricht voor de kinderopvang in 2008, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond de kosten van kinderopvang over dat jaar volledig te hebben voldaan.

Het faalt in zoverre.

4.3. Volgens de jaaropgaven over 2009 heeft [appellant] in dat jaar in totaal € 14.640,00 aan kosten voor kinderopvang gehad. Zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, kunnen deze kosten alleen betrekking hebben op opvangkosten. Aan [appellant] is over 2009 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 10.899,00 toegekend dat rechtstreeks is gestort op een bankrekening van [gastouderbureau]. Dit betekent dat [appellant] moet aantonen dat hij € 3.741,00 aan kosten van kinderopvang in 2009 heeft voldaan.

[appellant] heeft met het overleggen van de salarisstroken van zijn echtgenote over 2009 niet aangetoond dat een bedrag door middel van verrekening met het salaris van zijn echtgenote in 2009 is voldaan. De reden daarvoor is onder 4.2 gegeven. Voorts is van belang dat het bedrag van de gestelde verrekening, te weten € 2.240,10, wat daar verder ook van zij, lager is dan het bedrag van € 3.741,00 dat [appellant] had moeten betalen in 2009. Nu uit de door [appellant] overgelegde stukken evenmin volgt dat hij rechtstreekse betalingen heeft verricht voor de kinderopvang in 2009, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond de kosten van kinderopvang over dat jaar volledig te hebben voldaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

609.