Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201500088/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500088/1/A2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2014 in zaak nr. 14/2258 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2014 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2015, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, aldaar werkzaam, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van deze wet vallen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren, indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden.

De raad voert ten aanzien van de toepassing van de Wrb het beleid, onder meer neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 (hierna: het Handboek) en de Werkinstructie B010 bestuursrecht (hierna: de Werkinstructie).

Volgens aantekeningen 9 en 31 bij artikel 12 van de Wrb, onder het opschrift "Noodzaak rechtsbijstand", in het Handboek, vloeit de uitsluitingsgrond van artikel 12, tweede lid, onder g, van de Wrb voort uit de doelstelling van deze wet, die ertoe strekt een voorziening te bieden voor bijstand van juridische aard. In een aantal gevallen zal weliswaar een probleem bestaan waarvoor de rechtzoekende hulp nodig heeft, maar in het kader van de Wrb zal beoordeeld moeten worden of de noodzaak bestaat juridische bijstand te verlenen. Is juridische bijstand (nog) niet geïndiceerd, dan dient de aanvraag te worden afgewezen, waarbij de rechtzoekende zo nodig gewezen kan worden op andere, meer geëigende vormen van hulpverlening, bijvoorbeeld hulpverlening van maatschappelijk werk, slachtofferhulp of een bureau sociaal raadslieden, aldus deze aantekeningen.

Volgens paragraaf 2 van de Werkinstructie wordt voor bezwaar tegen een besluit van de raad in beginsel niet toegevoegd, omdat deze zaken niet juridisch of feitelijk complex zijn. Alleen als een dergelijke zaak juridisch of feitelijk complex is, kan een toevoeging worden verstrekt. Voor het voeren van een procedure in beroep of hoger beroep over een besluit van de raad wordt een toevoeging verstrekt als aan alle overige voorwaarden is voldaan.

2. Bij onderscheiden besluiten van 10 november 2010 heeft de raad toevoegingen verleend aan [appellant] op basis van een geschat verzamelinkomen, waarbij de raad het peiljaar desgevraagd heeft verlegd van 2008 naar 2010.

Bij onderscheiden besluiten van 4 september 2013 heeft de raad deze toevoegingen ingetrokken en de aan de advocaat betaalde vergoedingen van € 1.169,51 en € 1.258,58 van [appellant] gevorderd, omdat zijn definitief vastgestelde verzamelinkomen over 2008 en 2010 te hoog was.

[appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 december 2013 is de raad teruggekomen op zijn besluiten van 4 september 2013, in die zin dat hij [appellant] heeft bericht dat de vorderingen zullen worden ingediend bij zijn bewindvoerder nu gebleken is dat [appellant] is toegelaten tot de schuldsanering als bedoeld in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: de Wsnp).

[appellant] heeft een toevoeging aangevraagd voor het instellen van beroep tegen het besluit van 9 december 2013.

De raad heeft aan de handhaving van de afwijzing bij besluit van 23 mei 2014 een advies van de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand ten grondslag gelegd, waarin is uiteengezet dat van [appellant] mag worden verwacht dat hij zelf, of met behulp van een ander dan een advocaat, beroep instelt bij de rechtbank en in zijn eigen bewoordingen aangeeft waarom hij van mening is dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat niet is beslist op de door hem verzochte kostenvergoeding in bezwaar. Verder is vermeld dat uit de Werkinstructie volgt dat een toevoeging wordt verleend voor het instellen van beroep tegen een beslissing van de raad als aan alle overige voorwaarden is voldaan. Hieruit kan worden afgeleid dat nog steeds wordt getoetst op de inhoudelijke toetsingscriteria van de Wrb, bijvoorbeeld "bereik" en "zelfredzaamheid", aldus dit advies.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat rechtsbijstand van een advocaat in de beroepsprocedure nodig was. [appellant] stelt dat hij zelf niet wist dat hij beroep kon instellen tegen de beslissing van de raad van 9 december 2013 en dat hij daarbij kon verzoeken om de raad te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure. Volgens [appellant] kan dit ook niet uit de beslissing van 9 december 2013 worden afgeleid en was het zelfs voor de rechtbank onduidelijk dat deze beslissing een voor beroep vatbaar besluit is.

3.1. De door [appellant] gestelde omstandigheden laten onverlet dat hij de hulp had kunnen inroepen van een persoon of instelling die niet binnen de werkingssfeer van de Wrb valt, die hem had kunnen informeren over het tegen de beslissing van 9 december 2013 openstaande rechtsmiddel en de mogelijkheid om daarbij te verzoeken om veroordeling van de raad in de kosten van de bezwaarprocedure. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat rechtsbijstand van een advocaat hiervoor niet noodzakelijk is.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond heeft verworpen dat voor een soortgelijke zaak wel een toevoeging is verleend.

4.1. De raad heeft bevestigd dat in een soortgelijke zaak wel een toevoeging is verleend en onweersproken gesteld dat dit een incidentele fout was. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200903132/1) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat een gemaakte fout dient te worden herhaald. [appellant] betoogt dan ook tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

615.