Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201409565/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 19 november 2014, in zaak nr. 201310798/1/R3, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409565/1/R3.

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, in zaak nr. 201310798/1/R3.

Procesverloop

Bij uitspraak van 19 november 2014, in zaak nr. 201310798/1/R3, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

[verzoeker] heeft de Afdeling bij brief verzocht die uitspraak te herzien.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juli 2015, waar [verzoeker] en de raad van de gemeente Wassenaar, vertegenwoordigd door E. Blanker en M. van Leeuwen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. In de uitspraak van 19 november 2014 heeft de Afdeling overwogen dat de keuze van de raad om op het perceel, kadastraal bekend gemeente Wassenaar sectie [.], nummer [….], ter hoogte van de Leidsestraatweg, de ontwikkeling van natuur mogelijk te maken als compensatie voor de bouw van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika niet onredelijk is. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat aannemelijk is dat het kleinschalige gebruik van het perceel voor hoveniersdoeleinden binnen de planperiode zal eindigen, omdat het Rijk de pachtovereenkomst met betrekking tot dit perceel heeft opgezegd. Gelet op het voorgaande was de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid aan het plandeel voor het perceel de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" heeft kunnen toekennen.

3. Aan het verzoek tot herziening heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat de Afdeling er in de uitspraak van 19 november 2014 ten onrechte van is uitgegaan dat de pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel al is opgezegd. Hierover loopt nog een gerechtelijke procedure die nog niet is afgerond, zodat hij nog pachter is. Voorts is de groencompensatie voor de bouw van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika volgens [verzoeker] niet nodig, omdat het gebied waarop de ambassade zal worden gebouwd een sportterrein is en het perceel waaraan de groenbestemming is toegekend al groen is. Indien die compensatie wel noodzakelijk is, kan daarvoor volgens hem ook een ander gebied worden aangewezen. Ter zitting heeft [verzoeker] aangevoerd dat in voormelde uitspraak staat dat zijn beroep is gericht tegen de bestemming voor het perceel kadastraal bekend gemeente Wassenaar sectie [.], nummer [….], hoewel dit nummer [….] had moeten zijn.

3.1. Het betoog van [verzoeker] komt grotendeels neer op een herhaling van hetgeen hij in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 19 november 2014 heeft aangevoerd. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er echter niet toe om een geschil dat reeds is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen en het debat te heropenen nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. In zoverre bestaat derhalve geen grond voor herziening van voormelde uitspraak.

Wat betreft de pachtovereenkomst betoogt [verzoeker] terecht dat de Afdeling er in de uitspraak van 19 november 2014 ten onrechte van is uitgegaan dat deze op dat moment door het Rijk reeds was opgezegd. De raad heeft immers toegelicht dat de pachtovereenkomst pas na de uitspraak van de grondkamer van 6 februari 2015 door het Rijk is opgezegd. Indien dit bij de Afdeling bekend was geweest zou dit echter niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. Zoals de raad heeft toegelicht bestond ten tijde van die uitspraak al het voornemen om de pachtovereenkomst op te zeggen. Gelet daarop was aannemelijk dat het kleinschalige gebruik van het perceel voor hoveniersdoeleinden binnen de planperiode zal eindigen, zodat de raad in redelijkheid aan het plandeel voor het perceel de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" heeft kunnen toekennen. Dat over de beëindiging van de pachtovereenkomst nog een civiele procedure aanhangig is, was reeds bekend ten tijde van voormelde uitspraak. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd over de groencompensatie had hem voor de uitspraak van 19 november 2014 redelijkerwijs bekend kunnen zijn.

Wat betreft het betoog van [verzoeker] dat in de uitspraak van 19 november 2014 een onjuist perceelnummer is opgenomen overweegt de Afdeling dat, daargelaten of het daarin genoemde nummer ziet op een ander perceel, niet in geschil is dat de Afdeling in die uitspraak een oordeel heeft gegeven over de bestemming voor het perceel waarvan [verzoeker] de pachter is en dat door hem is aangeduid met het nummer [….], zodat het opnemen van een ander perceelnummer niet tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden.

De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

4. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Kramer w.g. Brock

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

603.