Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201410590/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2014, heeft de raad het bestemmingsplan "Winsum-Dorp, Winkelcentrum Obergon" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410590/1/R4.

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Winsum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2014, heeft de raad het bestemmingsplan "Winsum-Dorp, Winkelcentrum Obergon" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Baturaden B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2015, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Gerdes en A. Spier zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Baturaden B.V. vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.P. van Lochem, advocaat te Amsterdam.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de uitbreiding van de planologische mogelijkheden van het winkelcentrum Obergon te Winsum. Ten opzichte van het vorige plan "Winsum Dorp" uit 2010, voorziet het plan onder meer in een uitbreiding van de aanduiding "supermarkt" en een uitbreiding van de bouwmogelijkheden.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Aan de gronden waarop het restaurant van [appellant] staat is de bestemming "Centrum- 2" en de aanduiding "supermarkt" toegekend. Deze gronden zijn blijkens artikel 3, lid 3.1 van de planregels onder meer bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel met inbegrip van supermarkten, ter plaatse van de aanduiding "supermarkt" en voor complementaire daghorecabedrijven met een brutovloeroppervlak van ten hoogste 120 m².

4. [appellant] voert aan dat geen noodzaak bestaat voor de uitbreiding van het winkelcentrum. Zo voldoet het winkelcentrum volgens hem aan de maatschappelijke vereisten van een winkelcentrum en is de huidige oppervlakte voldoende voor het bedienen van de lokale markt. Hij stelt in dit verband dat Winsum niet gebaat is bij het verdwijnen van kleinere winkels ten behoeve van een grote supermarkt. De noodzaak kan volgens hem evenmin gevonden worden in een tekort aan parkeerplaatsen. [appellant] stelt verder dat ten onrechte niet is onderzocht of de supermarkt ook op een andere locatie kan uitbreiden. Hij noemt daarbij het Boogplein als geschikte alternatieve locatie.

4.1. De raad acht een uitbreiding van het winkelcentrum noodzakelijk en verwijst daarvoor naar de actualisatie detailhandelsvisie "Winsum winkelplaats" uit 2008 (hierna: detailhandelsvisie). Hierin is onder meer de uitbreiding van winkelcentrum Obergon als actiepunt opgenomen. Daarnaast is in de detailhandelsvisie toegelicht dat de noordelijke halter die Obergon vormt met het Boogplein versterking behoeft zowel qua branchering als qua uitstraling. Door de verschuiving in de formule van C1000 naar Albert Heijn en door leegstand in het complex, dienen deze kansen zich aan, aldus de detailhandelsvisie. Kern van de plannen is een betere uitstraling, een verblijfsgebied aan de voorkant waar het goed toeven is en een sterke relatie met de Hoofdstraat-Obergum. Volgens de raad is de uitbreiding van het winkelcentrum niet ingegeven vanuit de wens om meer parkeerplaatsen mogelijk te maken, omdat die voldoende aanwezig zijn. De raad wenst een optimaal voorzieningenniveau te creëren voor de inwoners van Winsum door groei en ontwikkeling te ondersteunen om het dorp aantrekkelijk te houden. Een Albert Heijn supermarkt zal daarbij volgens de raad een trekker zijn voor de kleinere winkels in het winkelcentrum. In de nota van zienswijzen staat dat het realiseren van twee fullservice supermarkten en een discountsupermarkt een van de doelstellingen is van de detailhandelsvisie en dat de alternatieve locaties zorgvuldig zijn afgewogen, zodanig dat wordt bijgedragen aan de centrumvorming van Winsum. Daarbij gaat de raad uit van het haltermodel met twee trekkers. Alternatieve locaties passen niet in het gemeentelijk beleid dat op het haltermodel is gestoeld, aldus de raad.

Gelet op de toelichting van de raad en hetgeen is vermeld in de detailhandelsvisie, waaruit volgt dat de uitbreiding van winkelcentrum Obergon bijdraagt aan de optimalisering van het voorzieningenniveau van Winsum, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een noodzaak bestaat voor de uitbreiding van het winkelcentrum. Gelet op hetgeen is vermeld in de nota van zienswijzen over het haltermodel en het gemeentelijk beleid met betrekking tot de supermarkten in Winsum, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd voorts geen aanleiding voor het oordeel dat niet is onderzocht of de uitbreiding op een andere locatie kan plaatsvinden. Dat [appellant] graag had gezien dat de raad geen medewerking had verleend aan de voorgenomen uitbreiding van het winkelcentrum, althans een andere invulling van het plan had voorgestaan, maakt niet dat de keuze van de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onredelijk moet worden geoordeeld.

Het betoog faalt.

5. [appellant] stelt dat het plan ertoe leidt dat zijn Egyptisch restaurant niet meer ter plaatse kan worden geëxploiteerd en dat het plan daarom leidt tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in Winsum.

5.1. Vast staat dat de gronden waarop het restaurant staat mede zijn bestemd voor complementaire daghorecabedrijven met een brutovloeroppervlak van ten hoogste 120 m². Het plan sluit derhalve niet uit dat [appellant] zijn restaurant ter plaatse voortzet. Reeds om die reden faalt het betoog.

6. Voor zover [appellant] stelt dat het beschermd dorpsgezicht wordt aangetast door de mogelijkheden uit het plan, stelt de Afdeling vast dat de gronden waaraan de mogelijkheden zijn toegekend waartegen [appellant] zich verzet, niet zijn aangemerkt als beschermd dorpsgezicht. Dit betoog faalt derhalve.

7. Ten aanzien van de door [appellant] gestelde strijd met de nota "Winsum Winkelplaats, Detailhandel met toekomst in de regionale kern Winsum", uit februari 2003, stelt de Afdeling vast dat [appellant] noch in zijn beroepschrift, noch ter zitting nader heeft gespecificeerd met welk onderdeel van de nota het plan in strijd is. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is deze nota.

Het betoog faalt.

8. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat zijn belangen onvoldoende zijn betrokken in de belangenafweging van de raad, stelt de raad dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan zowel telefonisch als in persoon is gesproken met [appellant]. Voorts heeft [appellant] een zienswijze ingediend. De Afdeling ziet gelet daarop in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen van [appellant] onvoldoende in de belangenafweging zijn betrokken. Dat [appellant] meer overleg had willen voeren met de gemeente doet hieraan niet af.

Het betoog faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Leeuwen-Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

472-731.