Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2569

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201500003/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1085, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7319, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het college aan Brand Oil Servicestations B.V., ter zake handelend onder de naam Amigo, omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation ten behoeve van de aflevering van motorbrandstoffen aan derden op het perceel Kouwenaarsweg 84 te Vaassen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500003/1/A1.

Datum uitspraak:12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Vaassen, gemeente Epe,

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 18 februari 2014 en 27 november 2014 in zaak nr. 13/2551 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het college aan Brand Oil Servicestations B.V., ter zake handelend onder de naam Amigo, omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een onbemand tankstation ten behoeve van de aflevering van motorbrandstoffen aan derden op het perceel Kouwenaarsweg 84 te Vaassen (hierna: het perceel).

Het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar heeft het college aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.

Bij tussenuitspraak van 18 februari 2014 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de aan het besluit van 13 maart 2013 klevende gebreken te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft het college van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij uitspraak van 27 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellanten] tegen het besluit van 13 maart 2013 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 31 maart 2014 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 18 februari 2014 hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2015, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door H. de Vries en mr. L. Beckers, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Veluwe IJssel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft aan de bij besluit van 13 maart 2013 verleende omgevingsvergunning een aantal voorschriften verbonden. Voor zover hier van belang heeft het college in hoofdstuk 7 een aantal voorschriften opgenomen over het voeren van licht. In voorschrift 7.1.3 is bepaald dat terreinverlichting moet zijn voorzien van bewegingssensoren en na sluitingstijd tussen 23.00 en 07.00 uur in het geval er geen personen op de inrichting aanwezig zijn, gedimd moet zijn. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank, waarin zij heeft overwogen dat de voorschriften niet stroken met hetgeen het college heeft beoogd en dat daaraan ook anderszins gebreken kleven, heeft het college bij besluit van 31 maart 2014 onder meer voorschrift 7.1.3. laten vervallen en voorschriften 7.1.6 en 7.1.7 toegevoegd. In voorschrift 7.1.6. is bepaald dat de verlichtingssterkte in candela (cd) per armatuur in de luifel niet meer mag bedragen dan 7500 cd in de avondperiode en 500 cd in de nachtperiode. In voorschrift 7.1.7 is bepaald dat de grenswaarden op de gevel van omwonenden voor lichtemissie van reclame-uitingen in het landelijk gebied 5 lux voor de avondperiode en 1 lux voor de nachtperiode bedraagt.

2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat zij door het besluit van 31 maart 2014 in een slechtere positie zijn komen te verkeren. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen bewegingsmelders op het perceel worden geplaatst door het laten vervallen van voorschrift 7.1.3, hetgeen zij wel hebben beoogd. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellanten] niet onderkend dat de noodzaak om het perceel na 23.00 uur te verlichten niet is aangetoond. In dit verband merken zij op dat van het tankstation na dit tijdstip niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt.

2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellanten] door het vervallen van voorschrift 7.1.3 niet in een slechtere positie zijn komen te verkeren. Het college heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de bewegingsmelders niet als middelvoorschrift in de Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (hierna: de NSVV-richtlijnen), waarbij het heeft aangesloten, zijn opgenomen. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de bewegingsmelders, door het regelmatig aan- en uitschakelen, afhankelijk van het aantal klanten, geen goede oplossing zijn voor de natuur en omwonenden en de veiligheid van klanten daardoor minder is gewaarborgd. De rechtbank heeft deze standpunten, nu [appellanten] die niet gemotiveerd hebben weerlegd, terecht bij haar beoordeling betrokken. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het college middels de aan het besluit van 31 maart 2014 verbonden voorschriften 7.1.6 en 7.1.7 de toegestane verlichting heeft genormeerd, waardoor het in het kader van handhaving duidelijker is aan welke normen moet worden voldaan. Dat, als gesteld, niet is aangetoond dat verlichting van het perceel na 23.00 uur noodzakelijk is, maakt niet dat het besluit van 13 maart 2013 onrechtmatig is. Het college heeft zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aan Amigo is om te beoordelen welke verlichting noodzakelijk is en het aan het college is om de aanvaardbaarheid van de verlichting te toetsen aan de daarvoor geldende normen.

Het betoog faalt.

3. [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de in voorschrift 7.1.6 opgenomen grenswaarden niet mocht hanteren. Daartoe wordt overwogen dat het college aansluiting heeft gezocht bij de NSVV-richtlijnen en dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201300941/1/A4, deze richtlijnen als uitgangspunt kunnen worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of er lichthinder optreedt. [appellanten] hebben niet onderbouwd waarom het college in dit geval geen aansluiting bij de NSVV-richtlijnen mocht zoeken.

4. [appellanten] betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte niet aan de inhoudelijke beoordeling van het besluit van 7 december 2012, waarbij het college omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van een prijszuil op het perceel en het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, is toegekomen. Daargelaten of de brief van 23 april 2013, waarbij [appellanten] beroep hebben ingesteld, aldus moet worden opgevat dat deze ook gericht is tegen het besluit van 7 december 2012, wordt overwogen dat de rechtbank niet aan de inhoudelijke beoordeling van dat besluit had kunnen toe komen. Vaststaat dat ten tijde van de brief van 23 april 2013 de daarvoor bestemde termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen het besluit van 7 december 2012 was verstreken. Niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, zodat het daartegen ingestelde beroep te laat zou zijn ingediend.

5. [appellanten] betogen voor het eerst in hoger beroep dat de verleende vergunning niet kon worden verleend, omdat tevens een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, nu het gebruik van het perceel als tankstation in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellanten] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Troostwijk

lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

531-712.