Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
201410424/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college aan RFI Pyro Events toestemming als bedoeld in artikel 3B.1, derde lid, aanhef en onder a, van het Vuurwerkbesluit verleend voor het tot ontbranding brengen van vuurwerk en daarmee samenhangende werkzaamheden op 23 en 30 juli en 6, 13 en 20 augustus 2014, tussen 22.00 uur en 23.30 uur, in het attractiepark aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vuurwerkbesluit
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0208
JOM 2015/909
Milieurecht Totaal 2015/6240
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7075
Milieurecht Totaal 2016/6472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410424/1/A4.

Datum uitspraak: 12 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college aan RFI Pyro Events toestemming als bedoeld in artikel 3B.1, derde lid, aanhef en onder a, van het Vuurwerkbesluit verleend voor het tot ontbranding brengen van vuurwerk en daarmee samenhangende werkzaamheden op 23 en 30 juli en 6, 13 en 20 augustus 2014, tussen 22.00 uur en 23.30 uur, in het attractiepark aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [attractiepark] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door ing. P.G.J. Jacobs, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [attractiepark], vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1. appellant] betoogt dat het college bij het nemen van het besluit op de aanvraag om ontbrandingstoestemming ten onrechte zijn bedrijfsmatige belangen als melkveehouder en het welzijn van zijn vee niet heeft betrokken, nu het Vuurwerkbesluit niet op andere wijze in de bescherming van die belangen voorziet en de ontbranding is voorzien in een gebied dat primair een agrarische functie heeft. Daartoe voert hij aan dat hij voor zijn vee weidegang toepast, waarbij het vee verblijft in weilanden op korte afstand van de ontbrandingslocatie. Het ontbranden van vuurwerk kan volgens hem tot paniekreacties bij het vee leiden, waardoor de melkproductie kan afnemen, het welzijn van het vee kan worden aangetast en het vee kan uitbreken, hetgeen schade kan veroorzaken. Het uitbreken van het vee leidt volgens [appellant] bovendien tot risico's voor verstoring van de openbare orde en voor de gezondheid van mensen. Te meer nu de burgemeester van Horst aan de Maas het college op die risico's heeft gewezen, heeft het college hiermee ten onrechte geen rekening gehouden bij het nemen van het besluit op de aanvraag, en hiernaar ten onrechte geen onderzoek op locatie gedaan, aldus [appellant].

1.1. Het college stelt zich op het standpunt dat ontbrandingstoestemming slechts kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu, zodat de bedrijfsbelangen van derden of openbare orde en veiligheid in relatie tot opgeschrikt vee niet bij de beoordeling van de aanvraag kunnen worden betrokken. Het college heeft vastgesteld dat de veiligheidsafstand van 90 m als bedoeld in artikel 3.6 van de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk (hierna: de Regeling) in acht wordt genomen en stelt zich op het standpunt dat binnen de aldus bepaalde veiligheidszone geen gevaar voor de gezondheid van de mens en van het milieu bestaat. Nu het gaat om goedgekeurd consumentenvuurwerk dat voldoet aan daaraan gestelde wettelijke eisen, heeft het college de gevolgen van onder meer de geluids- en lichteffecten van het vuurwerk, voor zover die zich buiten de veiligheidszone kunnen voordoen, niet in zijn beoordeling betrokken.

1.2. Ingevolge artikel 3B.1, derde lid, aanhef en onder a, van het Vuurwerkbesluit wordt aan een toepassingsvergunning voor het voor theatergebruik tot ontbranding brengen van consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen het voorschrift verbonden dat voorafgaand aan het tot ontbranding brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik door de aanvrager toestemming is verkregen van gedeputeerde staten van de provincie waarin de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht en de aan de toestemming verbonden voorschriften worden nageleefd.

Ingevolge artikel 3B.3, eerste lid, kan de ontbrandingstoestemming worden geweigerd in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu.

Ingevolge het tweede lid kunnen aan de ontbrandingstoestemming voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. De voorschriften kunnen afwijken van regels gesteld in de Regeling.

Ingevolge het zevende lid verlenen gedeputeerde staten geen ontbrandingstoestemming indien de burgemeester binnen wiens gemeente het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de aanvraag heeft verklaard tegen het verlenen van de toestemming in verband met de veiligheid bedenkingen te hebben.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Regeling wordt bij het tot ontbranding brengen van consumentenvuurwerk, bestaande uit luchtvuurwerk met kaliber vanaf 1 inch tot 2 inch een veiligheidsafstand van 60 m in acht genomen.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, zijn tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk binnen de veiligheidsafstand, vermeerderd met vijftig procent, geen bedrijfsmatig gehouden dieren aanwezig, tenzij de toepasser met de eigenaar van de dieren schriftelijk anders is overeengekomen.

1.3. Door ervan uit te gaan dat de beoordeling van de gevolgen van het ontbranden van vuurwerk voor de gezondheid van de mens en voor het milieu beperkt dient te blijven tot de gevolgen binnen de veiligheidszone als bedoeld in de Regeling, heeft het college een te beperkte uitleg aan artikel 3B.3 van het Vuurwerkbesluit gegeven. Deze beperking vloeit niet voort uit dat artikel en evenmin uit andere bepalingen van het Vuurwerkbesluit en de Regeling. Dat de gevraagde ontbrandingstoestemming betrekking heeft op goedgekeurd consumentenvuurwerk dat voldoet aan wettelijke eisen, biedt evenmin grond voor deze beperkte uitleg. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het tweede lid van artikel 3B.3 het college de bevoegdheid biedt om bij het verbinden van voorschriften af te wijken van de regels gesteld in de Regeling. Het college heeft dan ook ten onrechte niet de gevolgen van de gevraagde ontbranding van vuurwerk voor de gezondheid van de mens en voor het milieu buiten de veiligheidszone in zijn beoordeling betrokken.

Artikel 3B.3 van het Vuurwerkbesluit biedt het college - behoudens het bepaalde in het zevende lid - geen ruimte om ontbrandingstoestemming te weigeren, dan wel aan ontbrandingstoestemming voorschriften te verbinden, op andere gronden dan in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. Verstoring van de openbare orde en bedrijfsbelangen van [appellant] kunnen daar als zodanig niet onder worden begrepen. Er is echter geen grond voor het oordeel dat onder de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 3B.3 van het Vuurwerkbesluit niet mede de bescherming van dieren moet worden begrepen, waaronder in dit geval ook het vee van [appellant]. Voor een dergelijke beperkte uitleg van het begrip milieu als bedoeld in het Vuurwerkbesluit, biedt dat besluit geen grond. Het college heeft in dit verband tevergeefs ter zitting gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013 in zaak nr. 201203981/1/A4 (www.raadvanstate.nl). In die zaak was, anders dan in de voorliggende zaak, een besluit omtrent verlening van een milieuvergunning voor een inrichting voor het houden van dieren aan de orde, waarop andere regelgeving dan het Vuurwerkbesluit van toepassing is. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat bij de beoordeling van het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens niet mede mogelijke gevolgen van het uitbreken van vee voor die gezondheid moeten worden betrokken. Dat, zoals het college stelt, dergelijke gevolgen mede de openbare orde raken ten aanzien waarvan de burgemeester het bevoegde gezag is, betekent niet dat het college dit aspect in zijn beoordeling buiten beschouwing diende te laten.

Gelet op het voorgaande heeft het college - daargelaten welk gewicht daar in dit geval aan toekomt en of dit vraagt om onderzoek op locatie - ten onrechte niet het belang van de bescherming van dieren en de risico's van het eventueel uitbreken van vee voor de gezondheid van de mens, ook buiten de veiligheidszone, betrokken in zijn beoordeling of ontbrandingstoestemming kan worden verleend en of aanleiding bestaat om aan die toestemming voorschriften te verbinden.

Het betoog slaagt.

2. Het beroep is gegrond. Het besluit van 11 november 2014 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

3. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 11 november 2014, kenmerk 2014/61244;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 540,24 (zegge: vijfhonderdveertig euro en vierentwintig cent), waarvan € 490,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2015

457-727.