Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201504980/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, Lunteren, buurtschap Nederwoud" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201504980/2/R2.

Datum uitspraak: 30 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Lunteren, gemeente Ede,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, Lunteren, buurtschap Nederwoud" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juli 2015, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Scheffer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Prisma Holding B.V., vertegenwoordigd door T. van de Lagemaat, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in de bouw van elf woningen op vier locaties in het buurtschap Nederwoud (hierna: het buurtschap).

3. [verzoeker] exploiteert een veehouderij in de omgeving van het plangebied. De afstand tussen zijn veehouderij en de meest nabijgelegen in het plan voorziene woningbouwlocatie bedraagt ongeveer 330 m. [verzoeker] vreest dat hij door de in het plan voorziene ontwikkelingen in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Daartoe voert hij aan dat het buurtschap na de bouw van elf extra woningen moet worden aangemerkt als bebouwde kom. In dat geval kan hij niet langer aan geurnormen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) voldoen, die voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom veel lager liggen dan voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom, aldus [verzoeker].

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het buurtschap ook na verwezenlijking van de woningbouw geen bebouwde kom als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) is.

3.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv, voor zover thans van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

3.3. Het begrip bebouwde kom kan volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wgv worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18).

Ter zitting is komen vast te staan dat in het buurtschap thans tussen de 20 en 25 woningen staan. Het betreft voornamelijk vrijstaande woningen op ruime kavels die langs de Kruisbeekweg, Schansweg en Postweg liggen, waarbij de bebouwing wordt onderbroken door stroken groen en doorzicht bestaat naar de achterliggende agrarische cultuurgronden. Volgens de plantoelichting is sprake van een gemengd gebied, omdat aan een aantal gronden in het buurtschap een bedrijfsbestemming is toegekend. Niet in geschil is dat het buurtschap thans niet als bebouwde kom moet worden beschouwd.

Door de raad is ter zitting toegelicht dat ook na verwezenlijking van de woningbouw doorzichten en open gedeelten blijven bestaan. De in het plan voorziene woningen zijn verspreid over het buurtschap. In het zuidelijke gedeelte van het buurtschap maakt het plan de bouw mogelijk van drie vrijstaande woningen ter plaatse van een voormalige bedrijfslocatie, waardoor de openheid in dat gedeelte volgens de raad toeneemt. Ook het noordelijke gedeelte van het buurtschap waarin de overige woningen zijn voorzien, dat de grootste bebouwingsdichtheid kent en waar tevens een basisschool aanwezig is, behoudt een open karakter door de aanleg van een speelweide, aldus de raad. Voorts wijst de raad erop dat ook na de verwezenlijking van de in het plan voorziene ontwikkelingen in het buurschap niet alleen woon- en verblijfsfuncties aanwezig zijn. Volgens de raad vormt de bebouwing in het buurtschap niet een zodanig samenhangende structuur dat het moet worden beschouwd als een bebouwde kom.

In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het standpunt van de raad onjuist te achten. Weliswaar neemt het aantal woningen en daarmee de concentratie van bebouwing en bevolking door de in het plan voorziene ontwikkelingen toe, maar deze toename is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zodanig dat een samenhangende structuur ontstaat die als bebouwde kom is aan te merken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de omgeving van het buurtschap voornamelijk agrarische cultuurgronden liggen en de afstand tot de meest nabijgelegen dorpskern Lunteren meer dan 2 km bedraagt. Voor zover [verzoeker] heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2011 in zaak nr. 201009877/1/H1, overweegt de voorzieningenrechter dat de situatie die in die uitspraak aan de orde was verschilt van de situatie in het onderhavige geding, nu het daarin ging om een aaneengesloten gebied van geconcentreerde bebouwing met weinig doorzichten, bestaande uit woningen die dicht op elkaar stonden.

3.4. Gelet op het voorgaande biedt hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen grond voor de verwachting dat het bestemmingsplan in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Derhalve bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Taal

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2015

325-820.