Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201505181/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:5652, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2015 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/267

Uitspraak

201505181/1/V3.

Datum uitspraak: 27 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 juni 2015 in zaak nr. 15/11504 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2015 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 juni 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling is op 31 maart 2015 de toegang geweigerd krachtens artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 5, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen. Op 29 mei 2015 is hem, na strafrechtelijke detentie, krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de verplichting opgelegd zich op te houden in het Passantenverblijf Justitieel Complex Schiphol. De vreemdeling heeft geen asielwens geuit.

2. De rechtbank heeft, in hoger beroep onbestreden, overwogen dat, nu de vreemdeling niet valt onder het toepassingsbereik van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Pb 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013 L 180; hierna: de Opvangrichtlijn), het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi (ECLI:EU:C:2014:1320; hierna: het arrest Mahdi) en de jurisprudentie van de Afdeling naar aanleiding van dat arrest niet op hem van toepassing zijn.

3. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 een discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris is waaraan een kenbare en deugdelijk gemotiveerde belangenafweging vooraf dient te gaan. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de staatssecretaris, zoals onder meer is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012 in zaak nr. 201106665/1/V4, de vaste praktijk hanteert dat van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel wordt afgezien indien in het geval van de vreemdeling sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onredelijk bezwarend maken. Nu in het besluit van 29 mei 2015 geen motivering betreffende de verrichte belangenafweging is opgenomen en een proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ontbreekt, is volgens de rechtbank niet duidelijk welke eventuele (bijzondere) belangen van de vreemdeling de staatssecretaris in zijn afweging heeft betrokken en waarom hij in dit geval aan het grensbewakingsbelang doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Aldus is het besluit van 29 mei 2015, naar het oordeel van de rechtbank, in strijd met artikel 3:46 en 3:47 van de Awb en is de vrijheidsontneming van meet af aan onrechtmatig.

3.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank, met die hiervoor onder 3. weergegeven overwegingen, heeft miskend dat, anders dan wanneer de Terugkeerrichtlijn dan wel de Opvangrichtlijn van toepassing is, voor het mogen opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in een geval zoals hier aan de orde niet is vereist dat andere, minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast. De staatssecretaris betoogt dat voor een nadere motivering geen aanleiding bestaat nu uit voormelde uitspraak van 22 mei 2012 volgt dat het standpunt dat in gevallen als deze het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vergt, niet onjuist is en voorts dat met het beleid en de praktische invulling daarvan voldoende is gewaarborgd dat geen vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, dan wel een reeds opgelegde maatregel wordt opgeheven indien, in het licht van de bijzondere individuele omstandigheden van een vreemdeling, het opleggen of het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel in redelijkheid niet of niet langer gerechtvaardigd is. De vreemdeling heeft geen bijzondere individuele omstandigheden gesteld, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris merkt tot slot nog op dat, mede ter wille van een uniforme uitvoeringspraktijk, is besloten om thans in gevallen als deze in de vrijheidsontnemende maatregel te motiveren dat sprake is van zicht op uitzetting en waarom niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 december 2011 in zaak nr. 201108418/1/V4) dient een vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 mede ter voorbereiding van de terugkeer en/of de uitvoering van de verwijderingsprocedure en niet louter ter verhindering van de binnenkomst van een vreemdeling op het grondgebied. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2015 in zaak nr. 201504413/1/V3 volgt voorts dat het karakter van de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 in zoverre niet zodanig verschilt van een maatregel van bewaring krachtens artikel 59 van de Vw 2000 dat om die reden het uit het arrest Mahdi voortvloeiende motiveringsvereiste niet van toepassing zou zijn in het geval van een vreemdeling aan wie, na het uiten van een asielwens, een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Uit het oogpunt van zowel rechtsgelijkheid als eenvoud en overzichtelijkheid van het recht is de Afdeling van oordeel dat het uit het arrest Mahdi voortvloeiende motiveringsvereiste evenzeer van toepassing is in het geval van een vreemdeling die geen asielwens heeft geuit en aan wie een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd.

3.3. De staatssecretaris had gezien het vorenstaande in de vrijheidsontnemende maatregel kenbaar moeten motiveren waarom niet met toepassing van een lichter middel kon worden volstaan. Hierom faalt het betoog van de staatssecretaris over de invulling van de belangenafweging op grond waarvan hij een nadere motivering in het geval van de vreemdeling achterwege kon laten. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op andere gronden, onderkend dat de staatssecretaris het besluit van 29 mei 2015 ondeugdelijk heeft gemotiveerd en de vrijheidsontneming van meet af aan onrechtmatig is geweest.

De grief faalt.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Vonk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2015

345-775.