Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201408804/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5297, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201408804/1/V3.

Datum uitspraak: 27 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 3 oktober 2014 in zaak nr. 13/12727 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 oktober 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in het tweede deel van grief 1 en in grief 2 tot en met 4 is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2. In het eerste deel van grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat in de door haar overgelegde brief van haar behandelaar van 4 oktober 2013 is vermeld dat zij inmiddels is overgestapt op de medicijnen Kivexa, in combinatie met darunavir en ritonavir en dat het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) ten onrechte niet heeft onderzocht of darunavir, een nieuw medicijn, in Nigeria aanwezig is.

2.1. De klacht dat de rechtbank niet is ingegaan op de beroepsgrond van de vreemdeling dat het BMA niet heeft onderzocht of het medicijn darunavir in Nigeria aanwezig is, is terecht voorgedragen maar kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, gelet op het navolgende.

2.2. In het advies van het BMA van 27 oktober 2012 is vermeld dat de vreemdeling tegen haar HIV-infectie Kivexa, abacavir, lamivudine, atazanavir, ritonavir en salbutamol gebruikt. Uit de brief van 4 oktober 2013 van haar behandelaar blijkt dat de medicatie is gewijzigd en dat de vreemdeling thans Kivexa, in combinatie met darunavir en ritonavir gebruikt. De brief van 4 oktober 2013 dateert van na het besluit van 3 mei 2013 en maakt wat betreft de medicatie van de vreemdeling melding van een na dat besluit ingetreden omstandigheid. Reeds daarom bestaat in de daarop gebaseerde aanvullende beroepsgrond dat het BMA ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de verkrijgbaarheid in Nigeria van het in de haar thans voorgeschreven medicatie opgenomen medicijn darunavir, geen aanleiding voormeld besluit te vernietigen.

De grief faalt.

3. In grief 5 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris heeft kunnen afzien van het horen in de bezwaarprocedure.

3.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gezien de motivering van het besluit van 4 februari 2013 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd is aan deze maatstaf voldaan.

De grief faalt.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Nieuwenhuizen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2015

633.