Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201402269/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2517
JBO 2015/242 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2016/837
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402269/1/R3.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, deels tussenuitspraak (als bedoeld in artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)), in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Veghel,

2. [appellante sub 2], wonend te Veghel,

3. [appellant sub 3], wonend te Erp, gemeente Veghel,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Erp, gemeente Veghel,

5. de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen, en anderen, (hierna: MOB en anderen),

6. [appellante sub 6], gevestigd te Veghel,

7. [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B], beiden wonend te Veghel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellante sub 8], gevestigd te Veghel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Veghel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, [appellante sub 2] en MOB en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.H. Blom, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. G.H. Blom, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, MOB en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, [appellant sub 7], bijgestaan door mr. H.A. Gooskens, [appellante sub 8], vertegenwoordigd door J. van Veenendaal en A.M.C. van Esdonk en bijgestaan door mr. I.C.M. Janssen, advocaat te Veghel en de raad, vertegenwoordigd door A. Munster en F. Schellen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Intrekkingen

3. MOB en anderen hebben hun beroepsgrond over artikel 4, lid 4.5.3, van de planregels ter zitting ingetrokken.

[appellante sub 4] heeft haar beroepsgrond dat niet wordt voldaan aan de vereiste afstand tussen een bouwwerk en de perceelgrens van 5 m ter zitting ingetrokken.

Samenhangende beroepsgronden van de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3] en MOB en anderen

Referentiesituatie in het milieueffectrapport

4. [appellante sub 2] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, omdat het milieueffectrapport (hierna: plan-MER) onzorgvuldig is totstandgekomen. Zij voert daartoe aan dat in het plan-MER bij de referentiesituatie is uitgegaan van onjuiste dieraantallen, omdat de cijfers waarop deze aantallen zijn gebaseerd niet betrouwbaar zijn. Zo zijn ten onrechte cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) over 2011 gebruikt, omdat het aantal varkens in Veghel over 2012 onjuist zou zijn. Over 2013 is ook een stijging van het aantal varkens te zien. Verder zijn in het Bestand Veehouderij Bedrijven (hierna: BVB) niet alle verleende milieuvergunningen dan wel omgevingsvergunningen voor milieu op een juiste wijze verwerkt, zodat dit bestand een lager aantal varkens weergeeft dan in werkelijkheid is vergund. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [appellante sub 2] van vier bedrijven de verleende milieuvergunningen opgevraagd. Van drie van deze vergunningen komt het aantal vergunde varkens niet overeen met het in het BVB genoemde aantal. Het gevolg is dat voor de referentiesituatie van te weinig varkens is uitgegaan, aldus [appellante sub 2].

4.1. De raad stelt zich wat betreft de cijfers van het CBS op het standpunt dat de cijfers over 2011 vergeleken met 2012/2013 onverklaarbare grote verschillen tonen. Uit nader onderzoek bleek dat deze verschillen voortkomen uit de omstandigheid dat het CBS uitgaat van het registratieadres van een bedrijf. Dit hoeft niet het adres te zijn waarop ook daadwerkelijk de varkens worden gehouden. In 2012 is blijkbaar het registratieadres van een bedrijf met een groot aantal varkens naar de gemeente Veghel verplaatst. Om een representatief beeld van het aantal varkens te krijgen is een ander systeem in ontwikkeling, het zogenoemde GIAB-plus. In dit systeem worden de dieraantallen gekoppeld aan de locatie waar ze daadwerkelijk gehouden worden. Blijkens dit systeem is het aantal aanwezige varkens in de gemeente Veghel flink lager dan het aantal waarvoor een vergunning is afgegeven. Over de door [appellante sub 2] geconstateerde verschillen met vergunde dieraantallen stelt de raad dat twee van de door [appellante sub 2] genoemde vergunningen heel recent waren en derhalve nog niet waren verwerkt. Dit betekent echter niet dat het plan-MER in de referentiesituatie geen representatief beeld geeft van het aantal dieren, aldus de raad.

4.2. De resultaten van de milieu-effectrapportage zijn neergelegd in het rapport "MER 1; Bestemmingsplan Buitengebied, Gemeente Veghel" van 27 april 2011 (hierna: MER 1), opgesteld door het onderzoeksbureau Arcadis. Bij de terinzagelegging van dit rapport in 2013 is geconstateerd dat het MER 1 niet meer voldeed aan de toen geldende normen en eisen. Om die reden is het rapport "MER 2; Bestemmingsplan Buitengebied, gemeente Veghel" van 21 maart 2013 (hierna: MER 2), eveneens door Arcadis opgesteld. Deze beide rapporten zijn aan de commissie m.e.r. voorgelegd, op basis waarvan het rapport "Buitengebied Veghel; Toetsingsadvies over het milieueffectrapport" van 16 mei 2013 is uitgebracht. Naar aanleiding hiervan is op 19 juni 2013 een aanvulling op het MER 2 uitgebracht, die met name in hoofdstuk 7 van het MER 2 is neergelegd. De passende beoordeling maakt als bijlage 1 onderdeel uit van het MER 2.

4.3. Om de milieueffecten van het plan te kunnen beoordelen is in het MER 2 een referentiesituatie bepaald, waarbij is uitgegaan van de huidige situatie met de autonome ontwikkeling. Hierbij is uitgegaan van de huidige vergunde situatie, waarbij met toepassing van het Besluit Huisvesting een inschatting is gemaakt hoe de milieubelasting zich zal ontwikkelen. Verder is op grond van de CBS landbouwtellingen, ook wel meitellingen genoemd, een inschatting gemaakt van het verschil tussen het vergunde aantal dieren en het daadwerkelijk aantal dieren dat gemiddeld aanwezig is. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante sub 2] over de dieraantallen zo dat het is gericht tegen de referentiesituatie die als uitgangpunt is gehanteerd in het MER 2.

4.4. Voor zover is uitgegaan van de CBS-gegevens over 2011 constateert de Afdeling dat uit tabel 3 in het MER 2 volgt dat het verschil in aantal vergunde dieren tussen de jaren 2011 en 2012 aanzienlijk groter is dan de verschillen tussen voorgaande jaren. De raad heeft onweersproken verklaard dat het verschil verband houdt met de manier van gegevensverwerking bij het CBS, omdat het CBS uitgaat van het adres waar het bedrijf geregistreerd staat op welk adres niet altijd daadwerkelijk de dieren gehouden worden. Na controle bleek dat het grote verschil voortkomt uit de omstandigheid dat één groot bedrijf geregistreerd staat in de gemeente Veghel, terwijl de dieren in werkelijkheid buiten de grenzen van de gemeente zijn gehuisvest. Hiermee acht de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de CBS-gegevens over 2012 een onvoldoende representatief beeld geven van de werkelijke dieraantallen in de gemeente Veghel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het GIAB-plus, ondanks dat dit systeem nog in ontwikkeling is, aanwijzingen geeft voor lagere dieraantallen dan de CBS-gegevens over 2012.

Wat betreft de gestelde ondeugdelijke verwerking van verleende milieuvergunningen in het BVB-bestand oordeelt de Afdeling als volgt. In het MER 2 staat dat een verschil tussen de vergunde situatie voor veehouderijen en de CBS-gegevens kan ontstaan door een andere wijze van registreren zoals hiervoor beschreven, functionele leegstand, het feit dat bedrijven in opbouw zijn en daarom de vergunde ruimte nog niet volledig benutten, bedrijven gestopt zijn maar vergunningen nog niet zijn ingetrokken of omdat bedrijven structureel of vanwege marktomstandigheden hun vergunde ruimte niet benutten. In tabel 9 in het MER 2 is het verschil tussen de verleende vergunningen en de CBS landbouwtellingen berekend in een percentage. Vervolgens is dit percentage gecorrigeerd. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat twee van de genoemde vergunningen weliswaar nog niet waren verwerkt, maar dat het om vergunningen ging die na de peildatum van februari 2013 zijn verleend. Om te kunnen bepalen hoe de milieubelasting zich heeft ontwikkeld dient een peildatum gekozen te worden. Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een milieueffectrapport gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd. Omdat het plan vanaf 27 juni 2013 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen, acht de Afdeling de gekozen peildatum van februari 2013 niet onredelijk. Nu de genoemde vergunningen na deze peildatum zijn verleend heeft de raad, anders dan [appellante sub 2] betoogt, hiermee geen rekening kunnen houden. Verder heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat met het gecorrigeerde percentage onvoldoende rekening is gehouden met nog niet verwerkte gegevens en dat deze niet binnen de marge van het gecorrigeerde percentage vallen.

[appellante sub 2] heeft al met al niet aannemelijk gemaakt dat is uitgegaan van een niet representatieve referentiesituatie.

Het betoog faalt.

Geur

5. MOB en anderen voeren aan dat het plan niet uitsluit dat de achtergrondbelasting niet toeneemt zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd.

Volgens [appellante sub 2] is in het worstcasescenario uitgegaan van onjuiste uitgangspunten en kan een onaanvaardbare geurbelasting niet worden voorkomen met behulp van de geurverordening. Temeer nu met de achtergrondbelasting geen rekening wordt gehouden bij het verlenen van omgevingsvergunningen en er geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat 50% van de luchtwassers van de stallen niet in werking is. Bovendien is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de geurbelasting in de zomer hoger is dan in de rest van het jaar. Ook is het advies van de commissie m.e.r. op het aspect geur niet verwerkt, aldus [appellante sub 2].

5.1. De raad stelt dat bij de berekening van de geurbelasting het model V-stacks is gebruikt, waarin wordt uitgegaan van gemiddelde waarden. Verder is de maximaal toegestane cumulatieve geurbelasting vastgelegd in de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder. Als hieraan niet wordt voldaan zal een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een vergroting van de bebouwing worden geweigerd, omdat geen sprake is van een duurzame locatie.

5.2. In het MER 2 is voor het aspect geur uitgegaan van het beoordelingskader van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). Deze wet schrijft onder meer voor hoe bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor milieu de geuremissie van veehouderijen en geurbelasting op geurgevoelige objecten moeten worden beoordeeld. Gemeentebesturen kunnen op grond van artikel 6 van de Wgv binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten en een afwijkende normering vastleggen in een geurverordening. Deze geurverordening moet worden onderbouwd met een gebiedsvisie. De gebiedsvisie moet aantonen dat de gemeentelijk normstelling noodzakelijk is om in een bepaald gebied een bepaald geurklimaat te kunnen garanderen. Bij het vaststellen van de zogenoemde voorgrondbelasting is op grond van artikel 8 van de Wgv rekening gehouden met de geurhinder van meerdere bronnen, de zogenoemde achtergrondbelasting. Dit betekent dat bij de vaststelling van de norm in de geurverordening, waaraan een vergunning zal worden getoetst, het geurklimaat van de omgeving, de achtergrondbelasting, mede bepalend is. De raad heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en heeft een geurverordening vastgesteld. Op grond van de geurverordening is binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom maximaal 14 ou/m³ als voorgrondbelasting toegestaan.

5.3. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat voor het aspect geur is in het MER 2 in eerste instantie uitgegaan van het voorkeursalternatief (worst-case invulling). Hierbij is de geurverordening als uitgangspunt gehanteerd en is gebruik gemaakt van een door Arcadis ontwikkelde applicatie, gecombineerd met het model V-stacks. In paragraaf 6.7 van het MER 2 is geconcludeerd dat bij het voorkeursalternatief (worst-case invulling) de geurbelasting zowel binnen de bebouwde kom als buiten de bebouwde kom toeneemt. Ofschoon er geen verplichting bestaat om de aanbevelingen van de commissie m.e.r. over te nemen, is naar aanleiding van dat advies een drietal nieuwe alternatieven beoordeeld, waaronder het trendmatig voorkeursalternatief en het nieuwe voorkeursalternatief (eveneens een worst-case invulling). Bij deze alternatieven zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd. De rechtstreekse omschakelingsmogelijkheid van agrarische bedrijven zonder vee naar grondgebonden veehouderijen is uit het plan verwijderd. Verder is de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak van een grondgebonden veehouderij tot 2,5 ha verwijderd en hebben bedrijven met een bedrijfsomvang van minder dan 10 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge) geen aanduiding "intensieve veehouderij". Tot slot is een aparte berekening gehanteerd voor een mogelijke vergroting dan wel verandering van agrarische bouwvlakken, waarbij als voorwaarde geldt dat sprake moet zijn van een duurzame locatie. In deze toets wordt een matig woon- en leefklimaat aanvaardbaar geacht als ondergrens ten aanzien van de achtergrondbelasting. Hiervoor is aangesloten bij de door de raad op 23 december 2010 vastgestelde "Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder", waarin staat dat een achtergrondbelasting van 20 ou/m³ buiten de bebouwde kom aanvaardbaar wordt geacht. Er is voor het berekenen van de milieuruimte voor veehouderijen voor de vergroting dan wel verandering van het bouwvlak bij de voornoemde alternatieven uitgegaan van 10 ou/m³ als maximale voorgrondbelasting.

Uit de tabellen in het MER 2 volgt dat het trendmatig voorkeursalternatief als licht negatief wordt beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie en het nieuwe voorkeursalternatief (worst-case invulling) als negatief. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met de hiervoor beschreven methodiek onvoldoende inzicht heeft gekregen in de gevolgen van het plan voor de geursituatie. De raad heeft daarbij in redelijkheid, gelet op de beleidsvrijheid die hem toekomt bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat, een lichte verslechtering van het geursituatie aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in zijn geheel is uitgesloten en uitbreidingsmogelijkheden zeer beperkt zijn. Over het betoog dat in de zomerperiode de geurbelasting hoger is dan in de rest van het jaar, overweegt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat het model V-stacks met gemiddelden werkt. Dat onvoldoende rekening is gehouden met de zomerperiode heeft [appellante sub 2] dan ook niet aannemelijk gemaakt. Het betoog dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat 50% van de luchtwassers van de stallen niet functioneert, is, zo dat al het geval zou zijn, niet relevant, aangezien dat een kwestie van handhaving van de omgevingsvergunningen is die het in gebruik hebben van de luchtwassers verplicht stellen.

De betogen falen.

Stikstofdepositie

6. Volgens MOB en anderen biedt het plan ten onrechte uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen, waardoor er een onaanvaardbare toename mogelijk is van stikstofdepositie op voor verzuring gevoelige Natura 2000-gebieden. Niet uitgesloten is dat hierdoor de natuurlijke kenmerken van die gebieden zullen worden aangetast. In dit verband wijzen MOB en anderen op de wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, leden 3.7.2, 3.7.4 en 3.7.5, van de planregels.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de stikstofdepositie niet zal toenemen en dat het plan kon worden vastgesteld zonder strijd met artikel 19g van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

6.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.

Ingevolge artikel 19g kan een vergunning, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

6.3. Niet in geschil is dat het plan ontwikkelingen mogelijk maakt die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor deze gebieden zijn aangewezen, zodat een passende beoordeling is gemaakt.

6.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat:

1. een intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij";

2. hervestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" of "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" niet is toegestaan;

3. een glastuinbouwbedrijf uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw";

4. een geiten- en/of schapenhouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - geiten en/of schapenhouderij";

5. hervestiging van een geiten- en/of schapenhouderij niet is toegestaan;

6. omschakeling naar of hervestiging van een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" of "ecologische hoofdstructuur" niet is toegestaan;

7. omschakeling van een agrarisch bedrijf zonder vee naar een agrarisch bedrijf met vee niet is toegestaan;

8. per bouwvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder f, mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:

1. de afstand van bouwwerken tot de weg waaraan wordt gebouwd, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen, niet minder mag bedragen dan 10 m;

2. de afstand van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen en het bepaalde in lid 3.2.4, onder f, niet minder mag bedragen dan 5 m.

Ingevolge lid 3.2.2 gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen de volgende regels:

(…)

e. in afwijking van het bepaalde onder lid 3.2.1, onder f, geldt dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij, welke op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór het moment van terinzagelegging van het ontwerp ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, uitsluitend is toegestaan als sprake is van een duurzame locatie;

(…)

g. in afwijking van het bepaalde onder 3.2.1, onder f, geldt voor intensieve veehouderijen binnen de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" dat vergroting van de bebouwing, welke op de peildatum 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, niet is toegestaan;

h. in afwijking van het bepaalde onder 3.2.1, onder f, geldt voor intensieve veehouderijen binnen de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" dat vergroting van de bebouwing, welke op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór het moment van terinzagelegging van het ontwerp ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, niet is toegestaan.

6.5. Bij de beoordeling van de mogelijke stikstofdepositie als gevolg van dit plan, dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Het plan maakt geen nieuwvestiging van intensieve veehouderijen mogelijk. Verder is de omschakeling van een agrarisch bedrijf zonder vee naar een agrarisch bedrijf met vee uitgesloten en is de hervestiging van een intensieve veehouderij alleen toestaan in gebieden die zijn aangeduid met "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied" of "reconstructiewetzone-verwevingsgebied 1". In deze gebieden is daarnaast uitbreiding van bebouwing en bouwvlakverandering en/of vergroting onder toepassing van een wijzigingsbevoegdheid toegestaan, indien er onder andere sprake is van een duurzame locatie. Het bouwvlak mag maximaal 1,5 ha zijn.

In de passende beoordeling is er terecht vanuit gegaan dat locaties met de aanduiding "intensieve veehouderij" die zijn aangeduid als "reconstructiewetzone-extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone-verwevingsgebied 2" hun huidige bouwvlak houden en gelet op artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder f, en lid 3.2.2, aanhef en onder g en h in beginsel niet verder kunnen worden bebouwd voor intensieve veehouderij. Bij locaties met de aanduiding "intensieve veehouderij" op een perceel dat is aangeduid als "reconstructiewetzone-verwevingsgebied 1" en/of "reconstructiewetzone-landbouwontwikkelingsgebied" is ervan uitgegaan dat deze veehouderijen kunnen uitbreiden naar maximaal 1,5 ha, zoals neergelegd in de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3, lid 3.7.2 en lid 3.7.5, van de planregels. Bij bedrijven die deels liggen in zowel "reconstructiewetzone-verwevingsgebied 1" als het "reconstructiewetzone-verwevingsgebied 2" is uitgegaan van het ruimere regime van "reconstructiewetzone-verwevingsgebied 1". Verder is er vanuit gegaan dat alle grondgebonden en overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven die buiten de EHS liggen kunnen uitbreiden naar een bouwvlak van maximaal 2,5 ha, wat meer is dan de maximale omvang van 1,5 ha in het door MOB en anderen genoemde artikel 3, lid 3.7.4, van de planregels. Bij agrarische bouwvlakken voor grondgebonden agrarische bedrijven waarop vee is toegestaan, maar waarop nu geen dieren worden gehouden, is in de passende beoordeling ervan uitgegaan dat er wel dieren worden gehouden. Gelet op de mogelijkheden in dit plan zoals hiervoor beschreven en de verwerking hiervan in de passende beoordeling hebben MOB en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen daarin onvoldoende zijn betrokken.

De conclusie in de passende beoordeling luidt dat de stikstofdepositie niet zal toenemen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de passende beoordeling ten grondslag heeft kunnen leggen aan dit plan. Het betoog van MOB en anderen faalt derhalve.

Aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2"

7. [appellante sub 2], [appellant sub 3] en MOB en anderen richten zich tegen de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2". Volgens hen dient een kernrandzone, die in dit plan deze aanduiding heeft gekregen, als extensiveringsgebied te worden aangeduid. Volgens hen is het plan in strijd met het reconstructieplan Peel en Maas en de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc). Volgens MOB en anderen is het reconstructieplan op het onderdeel kernrandzones niet verbindend, omdat volgens de bijlage bij het Rwc een kernrandzone in het extensiveringsgebied hoort te liggen. Verder betogen MOB en anderen dat de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" op de verbeelding ontbreken.

7.1. De raad stelt dat de zogenoemde kernrandzones, de zones van 250 m rondom kernen, op de verbeelding zijn opgenomen met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2". In de meeste Brabantse gemeenten zijn de woonkernen en bedrijventerreinen aangewezen als extensiveringsgebied. Dit is ook opgenomen in het reconstructieplan Peel en Maas en de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012). Om aansluiting te zoeken bij dit uitgangspunt heeft het gemeentebestuur in 2011 een gedragslijn voor intensieve veehouderijen in kernrandzones opgesteld. De essentie van deze gedragslijn is dat intensieve veehouderijen die in de op een kaart vastgelegde kernrandzone liggen in beginsel "op slot worden gezet", aangezien in dit gebied niet wordt voldaan aan de voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij geldende eis van een duurzame locatie. Hierop wordt alleen een uitzondering gemaakt als de uitbreiding verband houdt met dierenwelzijnseisen.

7.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, sub 2, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat hervestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" of "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" niet is toegestaan.

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder f, geldt voor het bouwen dat het bouwvlak onder bepaalde voorwaarden volledig mag worden bebouwd.

Ingevolge lid 3.2.2, aanhef en onder g, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen in afwijking van het bepaalde onder 3.2.1, aanhef en onder f, voor intensieve veehouderijen binnen de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" dat vergroting van de bebouwing, welke op de peildatum 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, niet is toegestaan.

Ingevolge lid 3.2, aanhef en onder h, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen in afwijking van het bepaalde onder 3.2.1, aanhef en onder f, voor intensieve veehouderijen binnen de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" dat vergroting van de bebouwing, welke op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór het moment van terinzagelegging van het ontwerp ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, van de Verordening 2012 geldt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied:

a. bepaalt dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij niet is toegestaan;

b. bepaalt dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. kan bepalen dat hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij zijn toegestaan op een duurzame locatie tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor goede landschappelijke inpassing;

d. kan voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing;

e. kan bepalen dat vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie;

f. kan bepalen dat de bouw van een voorziening voor het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting is toegestaan;

g. kan binnen het bouwblok voorzien in een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 11.

7.3. De raad heeft de zonering voor de intensieve veehouderij in het plan gebaseerd op de Verordening 2012. Voor de zonering uit de Verordening 2012 is aangesloten bij het reconstructieplan. Niet in geschil is dat de gronden die in dit plan zijn aangeduid als "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" volgens de kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" behorende bij de Verordening 2012 in een verwevingsgebied liggen. Anders dan MOB en anderen veronderstellen is het plan niet aan het reconstructieplan Peel en Maas getoetst, maar aan de Verordening 2012. Voor zover MOB en anderen betogen dat het reconstructieplan in strijd is met de Rcw, omdat in de bijlage als bedoeld in artikel 9 van de Rcw staat dat de ligging van extensiveringsgebieden aansluit bij de zeer kwetsbare bos- en natuurgebieden en kernrandzones en deze gronden derhalve volgens de bij het reconstructieplan behorende kaarten ten onrechte in het verwevingsgebied liggen, overweegt de Afdeling dat het reconstructieplan in deze procedure niet ter toets voorligt en dat de aanwijzing van de kernrandzones evenmin deel uitmaakt van de bindende onderdelen die direct doorwerken als bedoeld in artikel 27 van de Rcw en bij de vaststelling van een plan in acht moeten worden genomen.

Het betoog faalt.

7.4. In dit plan heeft de raad de ontwikkelingen voor een deel in het verwevingsgebied nader begrensd door de uitbreiding van bebouwing voor intensieve veehouderijen niet toe te staan. Voor gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" is in artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder h, van de planregels bepaald dat voor intensieve veehouderijen de uitbreiding van bebouwing, die op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen aanwezig was of gebouwd mocht worden, niet is toegestaan. Hiermee heeft de raad de toegelaten ontwikkelingen in het verwevingsgebied verder begrensd dan waartoe hij op grond van de Verordening 2012 is gehouden. In de nota zienswijzen staat dat de raad voor de zones van 250 m rondom de bebouwde kom van zowel woongebieden als bedrijventerreinen, de zogeheten kernrandzones, heeft aangesloten bij de in 2011 opgestelde gemeentelijke gedragslijn, die ingaat op intensieve veehouderijen in kernrandzones. Uit deze gedragslijn volgt dat met de kernrandzones is beoogd hierin voor intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden toe te staan. De Afdeling is van oordeel dat de raad hiermee de nadere begrenzing in ontwikkelingsmogelijkheden in een deel van het verwevingsgebied voldoende heeft gemotiveerd. Dat het regime dat geldt voor de gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" sterk overeenkomt met het regime dat geldt voor de gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied", betekent niet dat aan die gronden de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" had moeten worden toegekend. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er een verschil is in peildatum, waarop de bestaande bebouwing aanwezig moet zijn of gebouwd mocht worden.

Het betoog van MOB en anderen dat de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" niet op de verbeelding voorkomen mist feitelijke grondslag.

De betogen falen.

Het beroep van [appellant sub 1]

[locatie 1] te Veghel

8. [appellant sub 1], die aan de [locatie 1] een gemengd veeteeltbedrijf exploiteert, betoogt dat zijn zienswijze ten onrechte niet is meegenomen en ten onrechte niet aan de raad ter besluitvorming is voorgelegd.

Verder betoogt [appellant sub 1] dat de raad ten onrechte de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" voor zijn perceel heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Voorheen had zijn perceel de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1" en had hij uitbreidingsmogelijkheden omdat zijn locatie werd aangemerkt als duurzaam. Volgens [appellant sub 1] zijn zijn belangen onvoldoende meegewogen.

[appellant sub 1] betoogt dat dat de raad ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" voor zijn perceel heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat alleen de verwachting van aanwezigheid van archeologische waarden onvoldoende is voor het opleggen van een verplichting tot het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden en werken in de grond. Dit is onevenredig bezwarend.

8.1. De raad erkent dat de zienswijze ten onrechte niet is behandeld in de nota van zienswijzen. Later is er echter alsnog op de zienswijze gereageerd. Verder heeft de raad in het verweerschrift betoogd dat vanwege de beoogde woningbouwlocatie in de Bunderse Hoek, in de directe omgeving van het perceel van [appellant sub 1], de begrenzing zodanig is verlegd dat zijn perceel in de kernrandzone is komen te liggen. Over de archeologische waarde heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de archeologische verwachtingskaart tot stand is gekomen op grond van een archeologische inventarisatie.

8.2. De Afdeling stelt vast dat de raad de zienswijze van [appellant sub 1], die ziet op zijn perceel, niet heeft beoordeeld in de nota van zienswijzen. De raad heeft derhalve het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel voor het perceel [locatie 1], niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Bij brief van op 18 februari 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders alsnog de zienswijze beantwoord. Het college heeft een afschrift van die brief ter kennisneming aan de raad toegezonden. In het verweerschrift heeft de raad het standpunt van het college van burgemeester en wethouders tot het zijne gemaakt. Voor zover het de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" betreft, heeft [appellant sub 1] de mogelijkheid gehad hierop te reageren en ziet de Afdeling aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Wat betreft de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" heeft de raad ter zitting nog een nadere toelichting gegeven. Gelet op deze late toelichting heeft [appellant sub 1] hierop niet adequaat kunnen reageren. De Afdeling ziet onder deze omstandigheden in zoverre geen aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling ziet aanleiding in het kader van finale geschilbeslechting de beroepsgronden van [appellant sub 1] in het licht hiervan te beoordelen en zal de uitkomst daarvan betrekken in de einduitspraak, voor zover dit plandeel zal worden vernietigd.

8.3. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden", de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4", de aanduiding "intensieve veehouderij" en de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met dien verstande dat:

1. een intensieve veehouderij, uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';

2. hervestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" of "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" niet is toegestaan.

Ingevolge lid 4.2.2, aanhef en onder i, geldt in afwijking van het bepaalde in lid 4.2.1, sub g, voor intensieve veehouderijen binnen de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" dat vergroting van de bebouwing, welke op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór het moment van terinzagelegging van het ontwerp ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, niet is toegestaan.

8.4. De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellant sub 1] op de kaart behorende bij de Verordening 2012 ligt in het gebied dat is aangeduid als verwevingsgebied. Op de kaart behorende bij de onder 7.1 vermelde gemeentelijke gedragslijn ligt het perceel net buiten de kernrandzone. Blijkens de brief, verzonden 18 februari 2014, en de nota van zienswijzen, is de kernrandzone ter plaatse vergroot, waarbij rekening is gehouden met een beoogde woningbouwlocatie. In het verweerschrift heeft de raad daaraan toegevoegd dat de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Bunderse Hoek ook een rol heeft gespeeld. Ter zitting heeft de raad echter verklaard dat nog niet duidelijk is of en wanneer deze woningbouwlocatie gerealiseerd gaat worden. Nu onvoldoende zekerheid bestaat over de realisatie van de beoogde woningbouwlocatie ter plaatse heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom de kernrandzone in afwijking van eerder genoemde gedragslijn ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] is vergroot. Dit betekent eveneens dat de raad zonder deugdelijke motivering de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" voor zijn perceel heeft vastgesteld.

Het betoog slaagt.

8.5. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht worden gesteld.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge artikel 35, lid 35.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 4" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden.

Ingevolge lid 35.4.1, is het verboden op of in de in lid 35.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, waaronder het aanleggen en/of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

Ingevolge lid 35.4.2 is het in lid 35.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a. het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen;

b. een oppervlakte hebben die niet meer bedraagt dan 10.000 m²;

c. een diepte hebben die niet meer bedraagt dan 0,3 meter;

(…).

8.6. Op het gemeentebestuur rust de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het voldoen aan die verplichting klemt temeer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt - waarvan in dit plan gebruik is gemaakt - om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of -gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn.

8.7. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003-2004, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

8.8. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting is vermeld dat het toekennen van dubbelbestemmingen ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden in de grond een vertaling is van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Veghel. Deze kaart is onder meer gebaseerd op onderzoek van het onderzoeksbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie B.V. (hierna: BAAC), neergelegd in het rapport "Een actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart" van maart 2009. Blijkens de archeologische verwachtingskaart ligt het perceel in een gebied met een lage verwachtingswaarde. Aan gronden met deze verwachtingswaarde is de bestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek van BAAC dat aan de archeologische verwachtingskaart ten grondslag ligt zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij de vaststelling van het plan niet heeft mogen baseren. Voorts heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat er geen trefkans meer bestaat op archeologische waarden. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden wegens de vergunningplicht ernstig worden beperkt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat die plicht niet bestaat voor het in artikel 35, lid 35.4.2, van de planregels genoemde normale onderhoud, beheer of gebruik en voor werken en werkzaamheden bij een oppervlak van niet meer dan 10.000 m² en voor werken en werkzaamheden niet dieper dan 0,3 m. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 1], zodat het betoog van [appellant sub 1] faalt.

Het beroep van [appellante sub 2] voor het overige

LOG Jekschot

9. [appellante sub 2], die woont op [locatie 2] te Veghel, betoogt dat de raad de gronden tegenover haar woning aan de Jekschotstraat 10 -12 ten onrechte heeft aangeduid als "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Gelet op de kenmerken van het gebied, waaronder de aanwezigheid van acht burgerwoningen, een bebouwingscluster, een zone stads- en dorpsmilieu en een zone historische stedenbouw, is geen sprake meer van een landbouwontwikkelingsgebied. [appellante sub 2] vreest dat de geurbelasting bij haar woning toeneemt doordat er een nieuwe intensieve veehouderij in haar omgeving wordt gevestigd, het bouwvlak van de bestaande intensieve veehouderij op het Gerecht 2 richting haar woning verschuift door middel van vormverandering en doordat er op Jekschotstraat 14A een mestverwerkingsbedrijf komt. Verder is door de ligging van het landbouwontwikkelingsgebied de bescherming van de cultuurhistorische zone van het gehucht Zondveld onvoldoende in dit plan gewaarborgd en komt ten onrechte geen bescherming meer toe aan het bebouwingscluster.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de integrale zonering is aangesloten bij de Verordening 2012. Nu de bedoelde gronden in het landbouwontwikkelingsgebied liggen is in dit plan de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" toegekend. Daarbij merkt de raad op dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen niet ruimer zijn dan die op gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1".

9.2. Aan de gronden tegenover de woning van [appellante sub 2] is de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" toegekend. Aan de percelen Jekschotstraat 10 en 12 is een woonbestemming toegekend. De gronden daaromheen hebben een agrarische bestemming. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is aan het Gerecht 2 gevestigd en ligt op ongeveer 300 m afstand van de woning van [appellante sub 2]. Meer in zuidelijke richting aan de Jekschotstraat 14A is een bouwvlak opgenomen met de aanduiding "intensieve veehouderij". Dat ligt op een afstand van ongeveer 350 m van haar woning.

De Afdeling stelt vast dat de door [appellante sub 2] bedoelde gronden op de kaart behorende bij de Verordening 2012 in een landbouwontwikkelingsgebied liggen. In overeenstemming met de Verordening 2012 is op de verbeelding een gelijkluidende aanduiding toegekend. Dat het gebied volgens [appellante sub 2] niet meer de kenmerken zou hebben van een landbouwontwikkelingsgebied is hierbij niet van belang. De Afdeling stelt voorts vast dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in dit plan binnen een landbouwontwikkelingsgebied niet is toegestaan. Ook overigens komen de uitbreidingsmogelijkheden van bebouwing in het landbouwontwikkelingsgebied nagenoeg overeen met die op de gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1". De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet meer beperkingen heeft vastgesteld voor de intensieve veehouderijen in het gebied Jekschot.

Voorts is niet in geschil dat het bouwvlak op het perceel Het Gerecht 2, dat de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "intensieve veehouderij" heeft, een omvang van 1,5 ha heeft. Dit betekent, gelet op artikel 4, lid 4.8.5, aanhef en onder c, van de planregels, dat het bouwvlak niet vergroot kan worden. Weliswaar kan de vorm van het bouwvlak ingevolge artikel 4, lid 4.8.2 van de planregels worden veranderd en zou het bouwvlak na wijziging dichter bij de woning van [appellante sub 2] kunnen komen te liggen, maar gelet op de grote afstand tot de woning van [appellante sub 2] en de wijzigingsvoorwaarde in artikel 4, lid 4.8.2, aanhef en onder h, van de planregels inhoudende dat de verandering van het bouwvlak vanuit zowel milieuoogpunt als vanuit ruimtelijke oogpunt aanvaardbaar is, is niet aannemelijk dat een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat zal optreden dat de raad de wijzigingsbevoegdheid voor dit perceel niet heeft mogen vaststellen.

Voor zover [appellante sub 2] vreest dat zich op Jekschotstraat 14A een mestverwerkingsbedrijf vestigt, oordeelt de Afdeling dat de planregels daaraan in de weg staan, nu aan dit perceel niet een zodanige aanduiding is toegekend en ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, van de planregels een mestverwerkingsbedrijf uitsluitend ter plaatse van een dergelijke aanduiding is toegestaan.

Wat het gehucht Zondveld betreft stelt de Afdeling vast dat dit in de directe omgeving ten noorden van de woning van [appellante sub 2] ligt en dat dit gebied is aangeduid als "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1". In de planregels is bij de wijzigingsbevoegdheden voor het veranderen dan wel vergroten van een bouwvlak de voorwaarde opgenomen dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt waaronder uit het oogpunt van de cultuurhistorie aanvaardbaar moet zijn. Gelet hierop komt het gehucht Zondveld voldoende bescherming toe. Aan bebouwingsclusters heeft de raad geen specifieke bescherming willen bieden. Dat standpunt acht de Afdeling niet onredelijk.

Het betoog faalt.

Duurzame locatie, afstanden in verband met geur en gezondheid

10. [appellante sub 2] betoogt dat ten onrechte de ruimtelijke criteria voor de landbouwontwikkelingsgebieden zijn komen te vervallen, waardoor onduidelijk is wanneer sprake is van een duurzame locatie. Met het loslaten van vaste afstanden tussen een intensieve veehouderij ten opzichte van een geurgevoelig object is een aanvaardbare geurbelasting niet gegarandeerd, te meer nu er in Veghel al een overbelaste geursituatie bestaat. [appellante sub 2] acht het wenselijk dat de richtafstanden van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) in acht worden genomen. Voorts betoogt [appellante sub 2] dat met het ontbreken van minimale afstanden de gezondheidseffecten onvoldoende zijn meegewogen. Ten onrechte is in dit plan geen gezondheidseffectscreening (hierna: GES) verplicht gesteld en heeft de raad geen aanbevelingen gevraagd van de GGD of de Gezondheidsraad. Daarmee is het plan volgens [appellante sub 2] in strijd met artikel 16 van de Wet Publieke Gezondheid.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ruimtelijke criteria voor landbouwontwikkelingsgebieden met name zien op nieuwvestiging en omschakeling naar en vergroting van een intensieve veehouderij tot 2,5 ha. Nu dit plan niet voorziet in die ontwikkelingen zijn die criteria niet van toepassing. De Gezondheidsraad stelt in haar rapport "Gezondheidsrisico's rond veehouderijen" uit 2012 dat er onvoldoende wetenschappelijke kennis is over de gezondheidsrisico's van veehouderijen, waardoor er nog geen gefundeerde keuzes kunnen worden gemaakt over algemene afstandscriteria en ook geen andere normen kunnen worden gesteld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om nadere beperkingen op te leggen, aldus de raad.

10.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.51, van de planregels wordt onder een duurzame locatie verstaan een bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, verantwoord is om ter plaatse door te laten groeien.

Ingevolge artikel 3, lid 3.7.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, conform artikel 3.6 van de Wro, een bouwvlak van een intensieve veehouderij te veranderen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. het bouwvlak ligt ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" of "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1";

b. het bouwvlak is voorzien van de aanduiding "intensieve veehouderij";

c. de oppervlakte van het bouwvlak wordt niet vergroot;

d. de verandering betreft niet een geiten- of schapenhouderij;

e. er is sprake van een duurzame locatie;

f. er zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig die noodzaken tot verandering van het bouwvlak;

g. er is aangetoond dat de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak te doen plaatsvinden;

h. de verandering is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar;

(…).

Ingevolge lid 3.7.5, aanhef en onder a, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, conform artikel 3.6 van de Wro, een bouwvlak van een intensieve veehouderij te vergroten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. het bouwvlak ligt ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' of 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1';

b. het bouwvlak is voorzien van de aanduiding 'intensieve veehouderij';

c. de oppervlakte van het bouwvlak wordt niet groter dan 1,5 ha;

d. de vergroting dient plaats te vinden aansluitend aan het bestaande bouwvlak;

e. de vergroting betreft niet een geiten- of schapenhouderij;

f. er is sprake van een duurzame locatie;

g. er zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig die noodzaken tot vergroting van het bouwvlak;

h. er is aangetoond dat de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak te doen plaatsvinden;

i. de vergroting is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar;

(…).

Ingevolge artikel 9.3, tweede lid, van de Verordening 2012 blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

10.3. De Afdeling stelt vast dat de in artikel 1, lid 1.51, van de planregels opgenomen definitie van een duurzame locatie overeenkomt met die in de toelichting op artikel 9.3, tweede lid, van de Verordening 2012. In artikel 3, leden 3.7.2 en 3.7.5 en artikel 4, leden 4.8.2 en 4.8.5, van de planregels zijn bevoegdheden opgenomen voor het veranderen dan wel vergroten van een bouwvlak van een intensieve veehouderij, mits sprake is van een duurzame locatie. In deze planregels zijn de voorwaarden opgenomen zoals genoemd in artikel 9.3, tweede lid, van de Verordening 2012. Dat in dit plan onduidelijk is wanneer sprake is van een duurzame locatie onderschrijft de Afdeling niet. Bij de toetsing van een duurzame locatie, in welk geval een intensieve veehouderij op grond van dit plan kan uitbreiden, zullen onderscheidenlijke milieuaspecten worden getoetst bij de vaststelling van het wijzigingsplan. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen aanleiding voor het oordeel dat het verplicht stellen van een minimale afstand in dit plan tussen een intensieve veehouderij en een geurgevoelig object noodzakelijk is, aangezien de Wgv, de gemeentelijke geurverordening en het gemeentelijke geurbeleid reeds waarborgen bevatten voor een aanvaardbaar geurklimaat. Verder stelt de Afdeling vast dat dit plan de nieuwvestiging van, de omschakeling naar en vergroting van een intensieve veehouderij tot 2,5 ha niet mogelijk gemaakt. De raad heeft gelet hierop terecht de eerder genoemde ruimtelijke criteria voor landbouwontwikkelingsgebieden niet in dit plan opgenomen. Wat de indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure betreft overweegt de Afdeling dat de VNG-brochure alleen bedoeld is voor nieuwe situaties. Nu dit plan geen nieuwvestiging mogelijk maakt, heeft de raad reeds daarom niet hoeven aan te sluiten bij de in deze brochure genoemde richtafstanden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3), vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere wetgeving en kunnen daarnaast aan een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. De mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven is niettemin een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De raad dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te onderzoeken of een plan niet zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd. Daarbij bestaat echter geen plicht tot het maken van een GES. De raad heeft de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen in het plan beperkt doordat de huidige bouwvlakken zijn bestemd en uitbreiding van de bouwvlakken alleen onder bepaalde voorwaarden met gebruikmaking van wijzigingsbevoegdheden mogelijk is gemaakt. Ook is omschakeling naar intensieve veehouderij niet mogelijk. Voor zover [appellante sub 2] wijst op een advies van de GGD waarin staat dat tussen veehouderijen en woningen bepaalde afstanden moeten worden aangehouden, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat dit advies en de daarin genoemde maatregelen of afstanden geen bindende status hebben. Niet is gebleken dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van de volksgezondheid bij de vaststelling van dit plan. Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat in strijd met de Wet publieke gezondheid wordt gehandeld, overweegt de Afdeling dat deze wet geen bepalingen kent die in acht dienen te worden genomen bij het vaststellen van een plan door de raad.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3]

Dieperskant 6 te Erp

11. [appellant sub 3], die op [locatie 3] te Erp woont, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel Dieperskant 6 heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het bouwvlak groter dan is 2,5 ha, terwijl het college van gedeputeerde staten daarvoor geen ontheffing van de provinciale algemene regels heeft verleend. Voorts is er in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de aanvraag van het projectbesluit ten onrechte uitgegaan van een vormverandering en een omvang van 2,5 ha, terwijl het om een bouwvlakvergroting gaat. Nu er een onjuist uitgangspunt is gehanteerd is de toets of ter plaatse sprake is van een duurzame locatie ondeugdelijk. In dat verband voert [appellant sub 3] aan dat bij deze toets niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, nu niet is uitgesloten dat er andere dieren kunnen worden gehouden of een ander huisvestingssysteem dan wel meer bebouwing gerealiseerd zou kunnen worden. [appellant sub 3] verwijst naar zijn beroepschrift in de procedure over het projectbesluit. Verder voert [appellant sub 3] aan dat de uitbreiding van het bouwvlak ook aan de andere zijde had kunnen worden gesitueerd. In dat verband betwist [appellant sub 3] het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB).

11.1. De raad betwist dat het bestaande bouwvlak groter is dan 2,5 ha. Verder stelt hij zich op het standpunt dat het bij besluit van 5 februari 2013 verleende projectbesluit voor het oprichten van een zeugenstal, vleesvarkensafdelingen, luchtkanaal en werktuigenopslagloods in dit plan is opgenomen. De raad verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, in zaak nr. 201307433/1/A1, waarin over het beroep van [appellant sub 3] over dit projectbesluit is geoordeeld. In die zaak betrof het een vormverandering van het bouwvlak, net als in dit plan. Reeds om die reden treft hetgeen [appellant sub 3] over de ondeugdelijke toets met betrekking tot de duurzame locatie aanvoert geen doel, aldus de raad.

11.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden", de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied I" en de aanduiding "intensieve veehouderij".

Volgens de kaart behorende bij de Verordening 2012 ligt het perceel in een verwevingsgebied.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepalen dat vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

11.3. Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders een projectbesluit genomen en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een zeugenstal, vleesvarkensafdelingen, luchtkanaal en werktuigenopslagloods op het perceel Dieperskant 6. Aan het projectbesluit is een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd, waarin onder andere is ingegaan op het beleid, de Verordening 2012, ruimtelijke en milieuaspecten. De Afdeling heeft bij voormelde uitspraak van 30 april 2014 over dit projectbesluit overwogen, dat met het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende is gewaarborgd dat het erfbeplantingsplan zal worden uitgevoerd. Het hoger beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit is in zoverre vernietigd. De Afdeling heeft zelfvoorziend het desbetreffende voorschrift aan het bestreden besluit verbonden. Het projectbesluit en de bouwvergunning zijn hiermee onherroepelijk geworden.

11.4. De raad heeft beoogd hetgeen met het projectbesluit mogelijk is gemaakt in dit plan op te nemen. Uit de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit volgt, dat het gaat om het veranderen van een bestaand bouwvlak van 2,5 ha. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak in dit plan overeenkomt met hetgeen met het projectbesluit is vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 3] dat een groter bouwvlak dan 2,5 ha mogelijk wordt gemaakt mist feitelijke grondslag.

Uit de Verordening 2012 volgt dat een bouwvlak in een verwevingsgebied in beginsel niet groter dan 1,5 ha mag zijn. Bestaande grotere bouwvlakken, zoals in dit geval, mogen die omvang behouden, maar mogen niet uitbreiden. Een ontheffing van de Verordening 2012 is derhalve, anders dan [appellant sub 3] stelt, niet vereist. Wel kan ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening 2012 een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied bepalen dat vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie. In de ruimtelijke onderbouwing zijn de milieuaspecten beoordeeld en is geconcludeerd dat sprake is van een duurzame locatie, waarbij de nieuw te realiseren stallen zijn betrokken. Het betoog dat deze toets ondeugdelijk is, omdat ten onrechte niet is uitgegaan van een bouwvlakvergroting mist, gelet op het vorenstaande, feitelijke grondslag. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat de inhoud van de toets inzake de duurzame locatie niet juist is, dat niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden en dat de uitbreiding van het bouwvlak aan de andere zijde had kunnen plaatsvinden, zijn dat betogen die zich richten tegen het projectbesluit dat inmiddels onherroepelijk is. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel dan in de uitspraak van 30 april 2014 is gedaan.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 4]

[locatie 4] te Erp

12. [appellante sub 4], waarvan het bedrijf aan de [locatie 4] te Erp is gevestigd, betoogt dat de raad ten onrechte een maximale goothoogte van 5,5 m zoals neergelegd in artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels heeft vastgesteld voor haar perceel. Daartoe voert zij aan dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft gehouden met de in 2011 verleende omgevingsvergunning voor een bouwwerk met een hogere goothoogte. Weliswaar heeft de raad een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, maar volgens [appellante sub 4] is dat niet afdoende. Verder vreest [appellante sub 4] dat artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder i, van de planregels aan een eventuele toekomstige vergunning in de weg staat.

Voorts betoogt [appellante sub 4] dat de raad ten onrechte de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" voor haar perceel heeft vastgesteld, omdat hiermee bestaande rechten ten onrechte worden beperkt.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bedoelde omgevingsvergunning ten tijde van het bestreden besluit nog niet onherroepelijk was. Verder stelt de raad dat de goothoogte van het vergunde bouwwerk 7 cm hoger is dan de in het plan maximaal toegestane goothoogte. Hiertegen zal niet handhavend worden opgetreden, gelet op de afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4, lid 4.3.3, aanhef en onder a, van de planregels. Verder stelt de raad dat voor zover een aanvraag van latere datum op ondergeschikte punten afwijkt van de oorspronkelijke aanvraag artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder i, van de planregels niet aan deze uitbreiding van bebouwing in de weg staat.

Wat de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" betreft stelt de raad dat die aanduiding is toegekend, omdat het perceel in de kernrandzone ligt.

12.2. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" en "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan 5,5 m.

Ingevolge dit lid, aanhef en onder i, geldt in afwijking van het bepaalde onder 4.2.1, sub g, voor intensieve veehouderijen binnen de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" dat vergroting van de bebouwing, welke op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór het moment van terinzagelegging van het ontwerp ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag, niet is toegestaan.

Ingevolge lid 4.3.3, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, aanhef en onder a, voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goothoogte, mits de goothoogte van bedrijfsgebouwen niet meer bedraagt dan 6,5 m.

12.3. De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellante sub 4] op de kaart behorende bij de Verordening 2012 ligt in het gebied dat is aangeduid als verwevingsgebied. De Afdeling overweegt dat de raad de beleidsvrijheid heeft om de exacte omvang te bepalen van de mogelijke ontwikkelingsruimte in het verwevingsgebied en dat de ligging van gronden in het verwevingsgebied niet betekent dat de raad op grond van de Verordening 2012 gehouden is de bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te staan, mits daaraan een voldoende motivering ten grondslag heeft gelegen. Zoals hiervoor in 7.4 is overwogen heeft de raad voor de zones van 250 m rondom de bebouwde kom van zowel woongebieden als bedrijventerreinen, de zogeheten kernrandzones, aangesloten bij de in 2011 opgestelde gemeentelijke gedragslijn, die ingaat op intensieve veehouderijen in kernrandzones. Uit deze gedragslijn volgt dat is beoogd in de kernrandzones voor intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden toe te staan. Op de kaart behorende bij de gedragslijn ligt het perceel [appellante sub 4] binnen de kernrandzone. Gelet hierop heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" voor het perceel is vastgesteld.

Het betoog faalt.

12.4. Vast staat dat aan [appellante sub 4] in 2011 een bouwvergunning voor het oprichten van een stal met een goothoogte van 5,7 m is verleend. Hiertegen hebben omwonenden eerst bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Naar aanleiding van een tussenuitspraak van die rechtbank is vervolgens bij besluit van 7 februari 2012 een omgevingsvergunning voor bouwen verleend voor een goothoogte van 5,95 m. Een rechtsgeldige omgevingsvergunning voor bouwen is een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Uit hetgeen de raad in het verweerschrift naar voren heeft gebracht volgt, dat hij heeft beoogd om het vergunde legale bouwwerk als zodanig te bestemmen. De Afdeling stelt vast dat de goothoogte van de stal hoger is dan de in het plan toegestane maximale goothoogte van 5,5 m. Nu de raad niet heeft gedaan hetgeen hij heeft beoogd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden planonderdeel voor zover het de maximaal toegestane goothoogte betreft niet met de te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Voor zover de raad heeft gewezen op de afwijkingsbevoegdheid, overweegt de Afdeling dat hiermee een minder rechtszekere situatie ontstaat omdat aldus de aanvaardbaarheid van bestaande legale bebouwing afhankelijk wordt gesteld van een nader besluit. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in zoverre rechtsonzeker.

Het betoog slaagt. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:80b, derde lid, van de Awb de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen teneinde onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

12.5. Voor zover [appellante sub 4] vreest dat zij zal worden beperkt door artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder i, van de planregels, indien de bij besluit van 7 februari 2012 verleende omgevingsvergunning geen stand houdt in de procedure bij de rechtbank, overweegt de Afdeling als volgt. Indien zij opnieuw een aanvraag doet voor een omgevingsvergunning, heeft de raad zich op voorhand in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ondergeschikte bouwkundige afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke volledige en ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor de terinzagelegging van het ontwerpplan als bestaande bebouwing zal worden aangemerkt. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder i, van de planregels dient te worden vernietigd.

Het betoog faalt.

Het beroep van MOB en anderen voor het overige

Gestaakte agrarische bedrijven

13. MOB en anderen betogen dat de raad ten onrechte aan de gestaakte agrarische bedrijven geen passende niet-agrarische herbestemming heeft gegeven. In verband hiermee wijzen MOB en anderen op 23 percelen in het plangebied met een agrarische bestemming, waarop de agrarische bedrijfsvoering volgens hen is gestaakt.

13.1. De raad betwist dat MOB en anderen belanghebbenden zijn bij deze bestreden plandelen.

13.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

13.3. Vast staat dat MOB en anderen, voor zover het beroep is ingesteld door natuurlijke personen, op minimaal 700 m afstand wonen van de percelen met de bestreden agrarische bestemmingen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door MOB en anderen bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt is de afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben MOB en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door de bestreden plandelen zou worden geraakt. De conclusie is dat MOB en anderen, voor zover het de natuurlijke personen betreft, geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn bij de bestreden plandelen en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro geen beroep kunnen instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

13.4. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. Het belang dat MOB zich blijkens haar statuten ten doel stelt te behartigen, is het in overeenstemming met artikel 130r(1) (thans artikel 174) van het EG-milieubeleid bevorderen van:

- behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

- bescherming van de gezondheid van de mens;

- behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

- het nemen van maatregelen om het hoofd te bieden aan lokale, regionale of mondiale milieuproblemen;

- het voorzien in stoffelijke belangen van de leden, door in het kader van haar onderneming overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen te sluiten.

Dit doel is mede gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

De belangen die verband houden met een agrarisch bedrijf, zoals het verlagen van het aantal agrarische bedrijven, behoren tot de belangen die de MOB blijkens haar statutaire doelstelling behartigt.Het beroep is in zoverre ontvankelijk.

13.5. De raad betwist dat op de aangegeven locaties geen agrarische bedrijven meer geëxploiteerd worden, omdat hij is afgegaan op de geldende milieuvergunningen dan wel omgevingsvergunningen voor milieu. Bedrijven zonder een dergelijke vergunning of een bedrijfsomvang van onder 10 Nge hebben een passende herbestemming gekregen. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het plan de omschakeling van een agrarisch bedrijf zonder vee naar een agrarisch bedrijf met vee niet toestaat.

13.6. De raad heeft in een nader stuk onweersproken toegelicht dat op 10 van de 23 genoemde percelen een agrarisch bedrijf gevestigd is of dat concrete plannen bestaan om weer een agrarisch bedrijf te starten. Voor één locatie is een procedure in gang gezet voor een herziening van het bestemmingsplan. Op één andere genoemde locatie wordt geen agrarisch bedrijf meer geëxploiteerd en is alleen een klein gebouw aanwezig dat onder het overgangsrecht valt. Weliswaar zijn op 11 van de resterende locaties geen agrarische bedrijven meer gevestigd, maar dat betekent volgens de raad niet dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat een andere bestemming had moeten worden toegekend. Het uitgangspunt in dit plan is dat de bestaande bestemmingen gehandhaafd blijven, tenzij er andere beleidsmatige inzichten zijn, dan wel feitelijke informatie bekend is die ertoe noopt dat een andere bestemming dient te worden toegekend. Daar is volgens de raad geen sprake van. De raad acht de agrarische bestemmingen voor deze locaties nog steeds wenselijk en sluit niet uit dat nieuwe agrarische bedrijven zich op deze locaties zullen vestigen. Voor de gevallen waarin het gebruik afwijkt van de agrarische bestemming is het gemeentebestuur voornemens handhavend op te treden. Verder is het gemeentebestuur voornemens in 2016 beleid op te stellen inzake het omzetten van voormalige agrarische bedrijfswoningen in plattelandswoningen of burgerwoningen. De Afdeling acht voorgaande standpunten niet onredelijk en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestaande agrarische bestemmingen heeft kunnen handhaven.

Het betoog faalt.

Onderscheid tussen grondgebonden en intensieve veehouderijen

14. MOB en anderen betogen dat het plan ten onrechte onvoldoende onderscheid maakt tussen een intensieve veehouderij en een grondgebonden melkveehouderij. Het begrip grondgebonden melkveehouderij is niet nader verklaard. De verwijzing in de toelichting naar de "Handreiking Verordening Ruimte en Grondgebonden Melkrundveehouderij" van 2 mei 2011, opgesteld door IGO adviescommissie Landbouw en Milieu (hierna: de handreiking), of de begripsomschrijving uit de Verordening 2012 volstaan niet.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in dit plan alleen een onderscheid wordt gemaakt tussen een intensieve veehouderij en een grondgebonden agrarisch bedrijf, welke definities voldoende rechtszeker zijn.

14.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.64, van de planregels wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge lid 1.74 wordt onder een intensieve veehouderij verstaan een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf gericht op het houden van dieren, zoals een rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.

14.3. De Afdeling stelt vast dat de definitie van een grondgebonden agrarisch bedrijf overeenkomt met de definitie uit de Verordening 2012 en dat de definitie van een intensieve veehouderij nagenoeg overeenkomt met de definitie uit de Verordening 2012. De Afdeling ziet in hetgeen MOB en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de definities onvoldoende duidelijk zijn. Verder wordt in paragraaf 5.1.2 van de plantoelichting voor het onderscheid tussen grondgebonden agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen verwezen naar de handreiking. Hierin is ingegaan op het onderscheid tussen deze twee soorten agrarische bedrijven. Teneinde uniformiteit te bewerkstelligen in de beoordeling van gemeentebesturen of een veehouderij grondgebonden is, is in de handreiking een systematiek neergelegd. Bij deze beoordeling zijn onder meer de omvang van het bouwvlak en het aantal koeien bepalend. Verder worden in de handreiking enkele uitzonderingen beschreven. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad voor een verdere beoordeling van het onderscheid bij deze handreiking aansluit. Voor een definitie in dit plan van een grondgebonden melkveehouderij, naast een grondgebonden agrarisch bedrijf, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien.

Het betoog faalt.

Uitbreiding van gebruik en bebouwing voor veehouderijen

15. MOB en anderen betogen dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.3.3, van de planregels ruimer is dan in het vorige plan en ten onrechte geen beperking voor pluimveestallen bevat. Hierdoor laat deze bevoegdheid toe dat meer dieren worden gehouden. Dit is in strijd met de gedachte dat in bepaalde zones uitbreiding van veehouderij niet is toegestaan. Voorts betogen MOB en anderen dat artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels een zinloze regeling is. Volgens MOB en anderen dient het plan de herbouw van een nieuwe stal in bepaalde gebieden te voorkomen.

15.1. Volgens de raad voorziet dit plan niet in ruimere bouwmogelijkheden dan het vorige plan wat de bouwhoogte betreft. Voor een hogere bouw- en goothoogte is als voorwaarde gesteld dat deze noodzakelijk dient te zijn. Vergroting van bebouwing voor intensieve veehouderijen in een gebied dat is aangeduid als "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2", is bovendien niet toegestaan, aldus de raad. Verder stelt de raad dat artikel 3, lid 3.2.2, onder g en h en artikel 4, lid 4.2.2, onder g en h, van de planregels de bouw van nieuwe stallen tegengaan.

15.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan:

a. het gebruiken of laten gebruiken van meer dan één bouwlaag van een gebouw voor het houden van dieren;

b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van nevenactiviteiten, behoudens het bepaalde in lid 3.1.

Ingevolge artikel 4, lid 4.3.3, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, sub a en b, voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goot- en/of bouwhoogte, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. de goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt niet meer dan 6,5 m;

b. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, uitgezonderd kassen, bedraagt niet meer dan12 m;

c. er is sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf;

d. de hogere bouw- en/of goothoogte is noodzakelijk in het kader van een doelmatige en duurzame agrarische bedrijfsvoering of -ontwikkeling;

e. de hogere bouw- en/of goothoogte is vanuit stedenbouwkundig, cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar;

f. er is vooraf advies ingewonnen bij de AAB over het bepaalde onder c en d.

15.3. In het vorige plan "Landelijk Gebied" golden voor agrarische bebouwing de volgende regels.

Ingevolge artikel 25, derde lid, onder a, van de voorschriften kan aan de navolgende genoemde bijzondere vormen van agrarische bebouwing slechts medewerking worden verleend door middel van vrijstelling indien:

1. dat uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering of — ontwikkeling noodzakelijk of wenselijk is;

2. daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden volgens de waardenkaarten ter plaatse en in de directe omgeving niet onevenredig worden aangetast;

3. een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is/blijft;

4. voldaan wordt aan de overige voorwaarden, die bij de desbetreffende onderwerpen in navolgende derde leden, onder b t/m h van dit artikel worden genoemd.

Ingevolge het bepaalde onder c gelden bij het verlenen van vrijstelling voor de bouw van hogere bedrijfsgebouwen en kassen binnen de bestemming "Agrarische bedrijven" aanvullend op de voorwaarden genoemd in het derde lid, onder a, de volgende voorwaarden:

1. De bouw dient nodig te zijn als onderdeel van een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering ter plaatse;

(..)

4. De hoogte van bedrijfsgebouwen, anders dan kassen, mag niet meer gaan bedragen dan 12 m;

5. De goothoogte van kassen, uitsluitend bij met "G" aangeduide glastuinbouwbedrijven, mag niet meer gaan bedragen dan 6,5 m;

6. De waarden van de omringende bestemmingen en detailbestemmingen, met name ook in cultuurhistorisch en/of visueel-ruimtelijk opzicht, mogen niet onevenredig worden belast;

7. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van een terzake deskundige commissie/instantie over tenminste de voorwaarden zoals genoemd in het derde lid, onder a, sub 1 en het derde lid, onder c, sub 1.

15.4. De Afdeling stelt vast dat de afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4, lid 4.3.3, van de planregels in vergelijking met het vorige plan geen hogere goot- en bouwhoogte mogelijk maakt. Ook de voorwaarden waaronder een hogere goot- en bouwhoogte kan worden toegestaan komen nagenoeg overeen met die in het vorige plan. Verder heeft de raad ter zitting onweersproken toegelicht dat de bouw van een hogere stal voor pluimvee niet snel noodzakelijk zal worden geacht.

Voor zover MOB en anderen stellen dat artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels de bouw van nieuwe stallen onvoldoende tegen gaat omdat dit artikellid alleen ziet op gebruik en niet op bouwen en dat het daarmee een zinloze regeling bevat betekent dat nog niet dat de planregel vernietigd dient te worden. Met artikel 3, lid 3.2.2, onder g en h en artikel 4, lid 4.2.2, onder g en h van de planregels wordt naar het oordeel van de Afdeling voorkomen dat bebouwing voor intensieve veehouderijen op gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" en "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" kan worden vergroot. Met deze bepaling wordt, anders dan MOB en anderen veronderstellen, eveneens voorkomen dat nieuwe bebouwing voor intensieve veehouderijen kan worden opgericht. Voor het opnemen van een verdere beperking voor het houden van pluimvee heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellante sub 6]

Dorshout 31 te Veghel

16. [appellante sub 6], die op het perceel [locatie 5] te Veghel woont, betoogt dat de raad ten onrechte aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Dorshout 31 geen aanduiding "intensieve veehouderij" heeft toegekend. Hierdoor is de varkenshouderij wegbestemd.

16.1. De raad heeft in het verweerschrift erkend dat het agrarisch bedrijf op het perceel Dorshout 31 als een intensieve veehouderij moet worden aangemerkt en dat het perceel ten onrechte geen aanduiding "intensieve veehouderij" heeft gekregen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

16.2. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Dorshout 31 geen aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 7] en [appellante sub 8]

[locatie 6] te Veghel

17. [appellante sub 8] aan de [locatie 6] betoogt dat de raad ten onrechte de bouwmogelijkheden voor het plandeel met de bestemming "Recreatie" van haar perceel heeft beperkt. Daartoe voert zij aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de raad aan haar geen reactie heeft gevraagd naar aanleiding van de zienswijze die omwonenden naar voren hebben gebracht en naar aanleiding waarvan de raad het plandeel gewijzigd heeft vastgesteld. Verder stelt zij dat de raad in artikel 18, lid 18.2.1, aanhef en onder e, van de planregels de maximale omvang van de bouwwerken buiten het bouwvlak ten onrechte heeft beperkt tot 50 m². Thans zijn er 54 standplaatsen en zijn er sanitaire voorzieningen aanwezig in een gebouw dat een oppervlakte van 55 m² heeft. Hoewel deze omvang nu volstaat, is [appellante sub 8] van plan om binnen afzienbare tijd uit te breiden naar 90 standplaatsen, waarvoor eerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend. Daarbij bestaat de wens om nieuwe sanitaire voorzieningen dichter bij de standplaatsen en derhalve buiten het bouwvlak te realiseren. Een bouwwerk met een oppervlakte van 50 m² volstaat dan niet.

[appellant sub 7], die in de directe omgeving van de camping woont, betoogt dat de raad ten onrechte de gebruiksmogelijkheden van het plandeel met de bestemming "Recreatie" voor het perceel [locatie 6] niet heeft beperkt. Daartoe voert hij aan dat het gebruik ten onrechte in de planregels niet is beperkt tot extensief recreatief gebruik, zoals destijds met de vrijstelling was beoogd. Dit is ook van belang om de afwijkingsbevoegdheid in artikel 18, lid 18.5.1 en de wijzigingsbevoegdheid in artikel 18, lid 18.6.1 van de planregels af te kunnen bakenen. Volgens [appellant sub 7] heeft de raad zijn zienswijze op dit onderdeel onvoldoende weerlegd. Verder vreest [appellant sub 7] voor overlast van de op het perceel toegestane horeca. Het plan voorkomt zelfstandige horeca niet, nu de bistro voor een ieder is geopend en niet alleen voor campinggasten. Volgens [appellant sub 7] legt het gemeentebestuur de planregeling anders uit dan hij is bedoeld. Voorts ziet [appellant sub 7] in het toestaan van ondersteunende horeca een ongeoorloofde uitbreiding, nu het plan al een bistro mogelijk maakt. Over de bebouwing die het plan buiten het bouwvlak mogelijk maakt, betoogt [appellant sub 7] dat in het plan onvoldoende is vastgelegd dat die bebouwing alleen ten behoeve van de camping opgericht mag worden.

17.1. De raad stelt zich ten aanzien van het beroep van [appellante sub 8] op het standpunt dat hij alleen op de hoogte is van de plannen om bouwwerken van minder dan 50 m² te realiseren, waaronder een fietsenstalling en een dierennachthok. Sanitaire voorzieningen zijn reeds voorzien binnen het bouwvlak. De raad heeft bij het bepalen van de omvang van bouwwerken buiten het bouwvlak aangesloten bij de algemene regeling zoals bijvoorbeeld de bestemming "Sport", waarmee verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. Verder stelt de raad dat voldoende duidelijk is ten behoeve van welk gebruik de bebouwing buiten het bouwvlak opgericht mag worden.

De raad stelt zich ten aanzien van het beroep van [appellant sub 7] op het standpunt dat door het aantal standplaatsen te maximeren op 90 het extensieve karakter tot uitdrukking is gebracht. In de beantwoording van de zienswijze is hierop afdoende ingegaan, aldus de raad. Over de horeca in de vorm van een bistro betoogt de raad dat het opnemen van een beperking voor de openingstijden in de avond voor alleen campinggasten niet ruimtelijk relevant is. Het toegankelijk zijn van de bistro voor anderen dan campinggasten betekent nog niet dat er sprake is van een zelfstandige volwaardige horecagelegenheid. De raad ziet in de in het plan opgenomen voorwaarden voldoende gewaarborgd dat de bistro verband houdt met de camping. Wat betreft de ondersteunende horeca stelt de raad dat deze uitsluitend bedoeld is voor campinggasten.

17.2. Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders een vrijstelling en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het verbouwen van een ligboxenstal ten behoeve van de omvorming van een agrarisch bedrijf naar een extensief recreatief bedrijf op het perceel [locatie 6] te Veghel. Hiermee is voorzien in het veranderen van een voormalige ligboxenstal ten behoeve van het gebruik van dat bouwwerk en de bijbehorende terreinen als camping met bistro. Bij de omvang van de camping is uitgegaan van 90 standplaatsen. Het projectgebied heeft een omvang van 4,2 ha. De bistro is kleinschalig en laagdrempelig en is bedoeld voor zowel campinggasten als andere gasten, aldus de ruimtelijke onderbouwing behorende bij die vrijstelling. De raad heeft beoogd deze ontwikkeling in dit plan op te nemen.

17.3. In dit plan is aan het perceel de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 3" toegekend. Het perceel heeft een bouwvlak, waarbinnen maximaal 804 m² aan bebouwing is toegestaan. Voorts is aan de gronden binnen het bouwvlak de aanduiding "horeca" toegekend. Het bestaande gebouw met sanitaire voorzieningen van 55 m² staat binnen het bouwvlak.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

- a. aanhef en onder 3, de uitoefening van een recreatief bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 3", uitsluitend een camping met maximaal 90 standplaatsen en dagrecreatieve activiteiten zijn toegestaan;

- c. horeca in de vorm van een bistro uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca", waarbij het bepaalde in lid 18.4.1 van toepassing is;

- d. ondersteunende horeca, waarbij het bepaalde in lid 18.4.2 van toepassing is.

Ingevolge lid 18.2.1, aanhef en onder d, geldt voor het bouwen dat de bebouwde oppervlakte, exclusief de oppervlakte van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte".

Ingevolge lid 18.2.1, aanhef en onder e, geldt voor het bouwen dat de bebouwde oppervlakte buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 150 m², met dien verstande dat de oppervlakte per bouwwerk niet meer mag bedragen dan 50 m².

Ingevolge lid 18.4.1, is binnen deze bestemming ter plaatse van de aanduiding "horeca" een bistro toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. de bistro bevat maximaal 30 tafels;

b. de bistro is, behoudens incidentele festiviteiten, in het kampeerseizoen gesloten om 23.00 uur en buiten het kampeerseizoen gesloten om 19.00 uur;

c. in de bistro vinden maximaal vier incidentele festiviteiten per jaar plaats.

Ingevolge lid 18.4.2 is binnen deze bestemming ondersteunende horeca toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. de openingstijden van de horeca-activiteit zijn gelijk aan de openingstijden van de hoofdactiviteit, met dien verstande dat alleen horeca-activiteiten in de dagperiode zijn toegestaan;

b. de toegang tot de horeca-activiteit is uitsluitend via de toegang van de hoofdfunctie, er is dus geen aparte ingang;

c. voor de horeca-activiteit mag geen aparte reclame worden gemaakt;

d. het verhuren of het ter beschikking stellen aan derden voor feesten en partijen is niet toegestaan;

e. maximaal 30% van de bestaande bedrijfsbebouwing is in gebruik ten behoeve van ondersteunende horeca, met dien verstande dat een absoluut maximum geldt van 100 m².

17.4. Vast staat dat de raad naar aanleiding van de door [appellant sub 7] naar voren gebrachte zienswijze het plan gewijzigd heeft vastgesteld in die zin dat aan artikel 18, lid 18.2.1, aanhef en onder e, van de planregels de voorwaarde is toegevoegd dat een bouwwerk buiten het bouwvlak niet groter mag zijn dan 50 m². Voorts is niet in geschil dat de raad deze wijziging niet aan [appellante sub 8] heeft voorgelegd alvorens het plan vast te stellen.

De procedure van afdeling 3.4 van de Awb kent geen verplichting om bij het voornemen een plan gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan vast te stellen nog een reactiemogelijkheid te bieden. Evenmin heeft [appellante sub 8] omstandigheden aangedragen, waardoor een dergelijke mogelijkheid uit het oogpunt van zorgvuldigheid had moeten worden geboden.

Het betoog faalt.

17.5. [appellante sub 8] wil het aantal standplaatsen op termijn uitbreiden naar het aantal zoals was voorzien in de verleende vrijstelling. Het plan voorziet hierin en maakt 90 standplaatsen mogelijk. De plannen van [appellante sub 8] om een nieuw gebouw voor sanitaire voorzieningen te bouwen buiten het bouwvlak was niet betrokken bij de in 2010 verleende vrijstelling. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De raad stelt dat hij niet op de hoogte was van dit plan van [appellante sub 8]. Daartoe heeft de raad alle door [appellante sub 8] bij hem ingediende aanvragen om omgevingsvergunningen voor bouwen in deze procedure overgelegd. Hieruit volgt dat [appellante sub 8] aanvragen heeft ingediend voor de bouw van een zwembad, overkapte afwasplaats, fietsenstalling, een nachthok voor dieren en privé-sanitair ten behoeve van acht standplaatsen van 16 m², die volgens de bijgevoegde tekening binnen het bouwvlak is gesitueerd. [appellante sub 8] heeft niet nader onderbouwd dat zij bij de raad kenbaar heeft gemaakt plannen te hebben voor een gebouw van meer dan 50 m² buiten het bouwvlak. Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat er geen sprake is van een concreet plan, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. De raad heeft voor de toegestane maximale oppervlakte aangesloten bij de gebruikelijke regeling voor bijgebouwen buiten het bouwvlak in het buitengebied. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet geconcentreerde bebouwing zoveel mogelijk wordt tegen gegaan.

Het betoog faalt.

17.6. In artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels staat dat de camping niet meer dan 90 standplaatsen mag omvatten. Dit is in overeenstemming met het met de vrijstelling voorziene gebruik. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat met het opnemen van 90 standplaatsen het gebruik voldoende is beperkt. Verder stelt de Afdeling vast dat de raad op dit betoog in de nota van zienswijzen ingegaan, zodat het betoog van [appellant sub 7] op dit onderdeel niet wordt onderschreven.

Het betoog faalt.

17.7. In de uitspraak van 30 november 2011, in zaak nr. 201104957/1/H1, heeft de Afdeling over het besluit van het college van 29 juni 2010 geoordeeld. In de uitspraak is overwogen dat een akoestisch rapport is opgesteld waarin de geluidemissie van de camping en de bistro is onderzocht. Uit dit rapport volgt dat het project niet leidt tot een uit een oogpunt van geluidhinder onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het besluit bevatte echter geen beperking met betrekking tot de omvang van de horeca-activiteiten. De Afdeling heeft geoordeeld dat het college ter onderbouwing van de vrijstelling, wat de reikwijdte van het gebruik ten behoeve van de bistro betreft, niet heeft kunnen verwijzen naar de weergave van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport, omdat in het besluit van ruimere openingstijden is uitgegaan dan in het aan het besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport. Gelet hierop heeft de Afdeling het besluit in strijd met de rechtszekerheid geacht. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat aan het besluit ten aanzien van het gebruik ten behoeve van de bistro de beperkende voorschriften worden verbonden dat de bistro maximaal 30 tafels bevat, de bistro, behoudens incidentele festiviteiten, in het kampeerseizoen gesloten is om 23.00 uur en buiten het kampeerseizoen gesloten is om 19.00 uur en in de bistro maximaal vier incidentele festiviteiten per jaar plaatsvinden. De uitspraak is in zoverre in plaats getreden van het vernietigde besluit.

De Afdeling stelt vast dat voornoemde beperkende voorschriften in dit plan zijn opgenomen. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toegestane gebruik onevenredige overlast geeft. Verder heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding gezien nog nadere beperkingen te stellen. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de planregels door het gemeentebestuur onjuist worden uitgelegd in de handhavingsprocedure, overweegt de Afdeling dat die procedure hier niet ter toetsing voorligt.

Het betoog faalt.

17.8. Over de ondersteunende horeca heeft de raad ter zitting toegelicht dat op dit moment alleen horeca-activiteiten in de bistro plaatsvinden. Desondanks acht de raad ondersteunende horeca, waarbij bijvoorbeeld gedacht moet worden aan de verkoop van ijsjes bij de camping, niet onwenselijk nu het om onderschikt gebruik gaat. De raad stelt dat onaanvaardbare hinder hiervan niet te verwachten is. De Afdeling acht deze standpunten niet onredelijk.

Het betoog faalt.

17.9. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de bebouwing buiten het bouwvlak in relatie moet staan met het recreatieve gebruik overweegt de Afdeling dat dit uit de systematiek van de planregels over de bestemming "Recreatie" volgt.

Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

18. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van de geschillen aanleiding de raad op te dragen om binnen 18 weken na verzending van deze uitspraak de gebreken, genoemd in 8.2, 8.4, 12.4 en 16.1, in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe:

a. met inachtneming van overwegingen 8.2 en 8.4 de zienswijze van [appellant sub 1] te behandelen en alsnog de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" die aan het perceel [locatie 1] is toegekend, toereikend te motiveren dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor dat perceel;

b. met inachtneming van overweging 12.4 voor het perceel [locatie 4] te Erp een goothoogte op te nemen in overeenstemming met de vergunning voor het bouwwerk;

c. met inachtneming van overweging 16.1 voor perceel Dorshout 31 een zodanige planregeling vast te stellen dat de bestaande intensieve veehouderij als zodanig wordt bestemd.

De raad dient de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst van de uitvoering van de voormelde opdracht mede te delen.

Bij de voorbereiding van het te nemen besluit hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van het plan dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

Conclusie en proceskosten

19. In hetgeen [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellante sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de in 18 genoemde plandelen is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en de rechtszekerheid. De beroepen zijn gegrond.

Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], MOB en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] ongegrond.

20. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellante sub 6] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], MOB en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en anderen, voor zover het is ingesteld door natuurlijke personen en voor zover zij zich richten tegen de in 13 genoemde plandelen met de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden", niet-ontvankelijk;

II. draagt de raad van de gemeente Veghel in de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellante sub 6] op:

- om binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in 18 is overwogen het besluit van 19 december 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" te herstellen;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen;

- een wijziging van het besluit op de wettelijk voorschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

III. treft de voorlopige voorziening dat voor het perceel [locatie 4] te Erp een goothoogte van 5,95 m voor de in 12.4 genoemde stal geldt tot het tijdstip dat het gebrek is hersteld als bedoeld onder II;

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] en [appellante sub 8] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Mercker

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

661.