Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2512

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201409869/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college aan [appellant] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de achterzijde en een erker aan de voorzijde van de woning op het perceel [locatie] te Egmond-Binnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409869/1/A1.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Egmond-Binnen, gemeente Bergen,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2014 in zaak nr. 14/1152 in het geding tussen:

F. van der Werff

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft het college aan [appellant] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de achterzijde en een erker aan de voorzijde van de woning op het perceel [locatie] te Egmond-Binnen.

Bij mondelinge uitspraak van 29 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Brouwer, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. de Vries, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. P.G. Wemmers, advocaat te Alkmaar, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, wordt van het besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:

a. met overeenkomstige toepassing van de artikel 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege, indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen.

2. [appellant] heeft op 2 juli 2010 bij het college een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het vergroten van de woning met een gevelopbouw aan de achterzijde en een erker aan de voorzijde. Vanwege stedenbouwkundige bezwaren tegen de gevelopbouw was het college niet bereid hiervoor ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen. [appellant] heeft om die reden het bouwplan gewijzigd in die zin dat de gevelopbouw geen onderdeel meer is van het bouwplan, maar dat aan de achterzijde van de woning een dakkapel is voorzien. Ook dit gewijzigde bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorp West/Luilaantje Egmond-Binnen". Om dit gewijzigde bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college ten behoeve van het bouwplan met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening ontheffing verleend van het bestemmingsplan. Blijkens het aan de ontheffing ten grondslag liggende advies van de afdeling Burgers en Bedrijven van 14 januari 2011 ziet de verleende ontheffing uitsluitend op het gewijzigde bouwplan, waar de gevelopbouw geen, maar de dakkapel wel onderdeel van uitmaakt. Weliswaar heeft het college beoogd bouwvergunning te verlenen voor het bouwplan waarop de ontheffing ziet en zijn de bouwtekeningen van dit gewijzigde bouwplan gewaarmerkt als behorend bij de bij besluit van 8 maart 2011 verleende bouwvergunning in het archief van de gemeente aanwezig, maar de aan [appellant] toegezonden bouwvergunning bevat de oorspronkelijke bouwtekeningen, die eveneens gewaarmerkt zijn als behorend bij de bouwvergunning van 8 maart 2011. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 8 maart 2011 een ontheffing en twee niet met elkaar overeenstemmende bouwvergunningen bevat.

3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het door [belanghebbende] ingediende beroepschrift wegens het ontbreken van een ondertekening niet voldoet aan artikel 6:5, eerste lid, van de Awb en de rechtbank dit beroep om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Overeenkomstig artikel 6:6 van de Awb heeft de rechtbank [belanghebbende] in de gelegenheid gesteld het aanvankelijk niet ondertekende beroepschrift alsnog te ondertekenen, hetgeen [belanghebbende] heeft gedaan. In het rechtbankdossier is een ondertekende versie van het beroepschrift aanwezig.

4. Het besluit van 8 maart 2011 is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. De rechtbank heeft overwogen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb en dat daardoor de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 8 maart 2011 niet is aangevangen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het op 4 juni 2014 ingestelde beroep tegen het besluit van 8 maart 2011 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. [appellant] voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de ontheffing en bouwvergunning twee te onderscheiden besluiten zijn en dat de bouwvergunning voor de gevelopbouw op juiste wijze bekend is gemaakt, zodat het betreffende besluit in werking is getreden en op 26 april 2011 in rechte onaantastbaar is geworden. Hij voert hiertoe aan dat uit de bekendmaking van de bouwvergunning van 8 maart 2011 is op te maken dat het college een reguliere gebonden bouwvergunning voor de gevelopbouw heeft verleend, waartegen [belanghebbende] bezwaar had kunnen maken. In die bezwaarprocedure had [belanghebbende] kunnen aanvoeren dat ten onrechte geen ontheffing was verleend dan wel dat niet de juiste procedure was gevoerd en doordat hij dit heeft nagelaten, is de bouwvergunning voor de gevelopbouw onherroepelijk geworden, aldus [appellant].

5.1. In de op 23 maart 2011 in het plaatselijke huis-aan-huisblad gepubliceerde mededeling van het besluit van 8 maart 2011 is vermeld dat een bouwvergunning is verleend voor het vergroten van de woning op het adres [locatie] door middel van een gevelopbouw aan de achterzijde en een erker aan de voorzijde. Voorts is vermeld dat dit besluit na afspraak kan worden ingezien in het gemeentehuis van Bergen en dat belanghebbenden een bezwaarschrift kunnen indienen bij het college.

[appellant] betwist niet het oordeel van de rechtbank dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de bij besluit van 8 maart 2011 verleende ontheffing en bouwvergunning voor de dakkapel niet is aangevangen, maar hij betwist dat dit het geval is voor de bouwvergunning voor de gevelopbouw.

Nu het besluit van 8 maart 2011, en derhalve ook de aan [appellant] toegezonden bouwvergunning voor een gevelopbouw, feitelijk is voorbereid met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, staat tegen dat besluit rechtstreeks beroep open bij de rechtbank. Dat in de mededeling van het besluit van 8 maart 2011 abusievelijk is vermeld dat belanghebbenden een bezwaarschrift kunnen indienen, doet daar niet aan af. Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb zijn de artikelen 3:11 en 3:12, eerste lid, van toepassing op de mededeling van het besluit van 8 maart 2011. Vast staat dat het college de bouwvergunning voor de gevelopbouw niet ter inzage heeft gelegd, zodat in zoverre niet is voldaan aan artikel 3:11 van de Awb. Reeds hierom is het besluit van 8 maart 2011, ook voor zover dat ziet op de bouwvergunning voor de gevelopbouw, niet overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb ter inzage gelegd.

Daaruit volgt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 8 maart 2011 niet is aangevangen, zodat het beroepschrift van [belanghebbende] is ingediend voor het begin van de beroepstermijn. Uit artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de omstandigheid dat het beroepschrift is ingediend voor het begin van de beroepstermijn, in dit geval, geen grond is voor niet-ontvankelijkverklaring daarvan. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Aan bespreking van hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd met betrekking tot de door hem gestelde onherroepelijkheid van de bouwvergunning voor de gevelopbouw wordt niet meer toegekomen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank het besluit van 8 maart 2011 ten onrechte heeft vernietigd. Hiertoe voert hij aan dat schending van vormvoorschriften niet hoeft te leiden tot vernietiging van het besluit en de rechtbank de door [belanghebbende] aangevoerde beroepsgronden tegen het besluit van 8 maart 2011 inhoudelijk had kunnen behandelen.

6.1. Voorafgaand aan het nemen van het besluit van 8 maart 2011 hebben uitsluitend het ontwerp van de ontheffing en van de bouwvergunning voor het bouwplan met de dakkapel ter inzage gelegen. Het college heeft in de voorbereidingsfase van de bouwvergunning voor het bouwplan met een gevelopbouw derhalve niet voldaan aan artikel 3:11 van de Awb. Deze gebrekkige terinzagelegging kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Bij de beoordeling van de vraag of een bouwvergunning dient te worden verleend, vormt het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt. [appellant] heeft de aanvraag gewijzigd in die zin dat de gevelopbouw geen onderdeel meer is van het bouwplan, maar dat in plaats daarvan een dakkapel is voorzien, zodat het college buiten de aanvraag is getreden door bouwvergunning te verlenen voor de gevelopbouw. Nu de verleende bouwvergunning voor het bouwplan met de gevelopbouw niet zijn grondslag heeft in de ingediende aanvraag om bouwvergunning, heeft de rechtbank het besluit van 8 maart 2011 in zoverre, zij het op andere gronden, terecht vernietigd. Het betoog faalt in zoverre.

Voor zover bij het besluit van 8 maart 2011 ontheffing en bouwvergunning voor het bouwplan met de dakkapel zijn verleend, overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft onweersproken overwogen dat de wijze waarop het college kennis heeft gegeven van het ontwerp van de ontheffing voor het bouwplan met dakkapel en van de terinzagelegging ervan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3:12 van de Awb. [belanghebbende] is door de gebrekkige kennisgeving niet benadeeld, nu hij heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen realisering van de dakkapel. De rechtbank heeft het in dit opzicht aan de besluitvorming klevende gebrek evenwel terecht niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, aangezien niet op voorhand duidelijk is dat daardoor geen andere belanghebbenden zijn benadeeld. De rechtbank is dan ook terecht niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het hiertegen ingestelde beroep. Vorenstaande betekent dat het college een nieuw besluit op de aanvraag om bouwvergunning, na een juiste terinzagelegging daarvan, dient te nemen. Het betoog faalt ook in zoverre.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

604.