Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201405179/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4435, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een hekwerk op het perceel [locatie] te Beegden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/843
BA 2015/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405179/2/A1.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Beegden, gemeente Maasgouw,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2014 in zaak nr. 12/1882 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een hekwerk op het perceel [locatie] te Beegden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 november 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag van de vergunningverlening.

Bij uitspraak van 15 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.H.J. Soogelee, en het college, vertegenwoordigd door N.J.S. Maas-Houben, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2015 in zaak nr. 201405179/1/A1 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 14 november 2012 te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 6 van die tussenuitspraak. In die overweging heeft de Afdeling geoordeeld dat het college het resultaat van het onderzoek dient neer te leggen in een nadere motivering, dan wel, indien het een voorschrift als daar bedoeld aan het besluit wenst te verbinden of indien het tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning overgaat, in een nieuw te nemen gemotiveerd besluit, dat op de wettelijk voorgeschreven wijze dient te worden bekendgemaakt. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 13 mei 2015 heeft de Afdeling de in de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 27 mei 2015.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid en onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor het aan de omgevingsvergunning verbinden van een beplantingsvoorschrift als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), een wettelijke grondslag ontbreekt wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo, alsmede dat het college zijn standpunt dat de door vergunninghoudster gestelde belangen zwaarder dienen te wegen dan de belangen die [appellant] naar voren heeft gebracht ten onrechte heeft gebaseerd op de veronderstelling dat het hekwerk volledig van groenblijvende klimop zal zijn voorzien, nu het begroeid zijn ervan geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag.

2. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak op 28 april 2015 een nieuw, gemotiveerd besluit genomen. Daarbij heeft het de door vergunninghoudster gestelde belangen opnieuw zwaarder laten wegen dan de door [appellant] naar voren gebrachte belangen, en heeft het opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van het hekwerk op het perceel. Daarbij heeft het aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat, samengevat weergegeven, het hekwerk voor de duur dat het aanwezig is, van een wintergroene klimplant dient te zijn voorzien.

Het besluit van 28 april 2015 wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. [appellant] heeft tegen dit besluit, bij brief van 8 juni 2015, een zienswijze ingediend.

3. [appellant] betoogt dat het college bij het besluit van 28 april 2015 ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, niet heeft ingewilligd. Hij voert daartoe aan dat het besluit van 12 april 2012 is gewijzigd doordat het college bij het besluit van 14 november 2012 de grondslag van de vergunningverlening heeft gewijzigd. Tevens voert hij aan dat het besluit van 12 april 2012 is gewijzigd doordat bij het besluit van 28 april 2015 het voormelde voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden.

3.1. De verwijzing naar de grondslagwijziging kan [appellant] niet baten. Met dit betoog keert hij zich tegen overwegingen van de tussenuitspraak. De Afdeling overweegt in dit verband dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

3.2. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Herroeping als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, vindt alleen plaats indien een ontvankelijk bezwaar heeft geleid tot intrekking of wijziging van het primaire besluit. Door naar aanleiding van de tussenuitspraak gewijzigd inzicht van het college over de ten tijde van het besluit van 12 april 2012 bestaande mogelijkheden een voorschrift als voormeld aan de omgevingsvergunning te verbinden, heeft het bij het besluit van 28 april 2015 het besluit van 12 april 2012 in die zin gewijzigd dat het bedoelde voorschrift aan de vergunning is verbonden. Bij deze heroverweging is het besluit van 12 april 2012 daarom in zoverre herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid. Gelet hierop komen de door [appellant] in bezwaar gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. In het besluit van 28 april 2015 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van deze kosten dan ook ten onrechte afgewezen.

Het betoog slaagt.

3.3. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 14 november 2012 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 april 2015 is gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het college het verzoek van [appellant] om de kosten in bezwaar te vergoeden, niet heeft ingewilligd.

3.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voorts dient het college op na te melden wijze te worden veroordeeld in de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 mei 2014 in zaak nr. 12/1882;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw van 14 november 2012, kenmerk UIT/36098;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw van 28 april 2015, kenmerk MZ/2013/01356, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit, voor zover hierbij het verzoek van [appellant] om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.256,84 (zegge: tweeëntwintighonderdzesenvijftig euro en vierentachtig cent), waarvan € 2.205,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 402,00 (zegge: vierhonderdtwee euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Kramer w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

407-619.