Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2493

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201307080/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Stad Veere" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/834
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307080/3/R2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Veere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Stad Veere" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2014, waar onder meer [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door P. Baas en G.J. Francke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 7 mei 2014, in zaak nr. 201307080/1/R2, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 30 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Stad Veere" gewijzigd vastgesteld.

[appellant] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt.

Desgevraagd heeft de raad gereageerd op de zienswijze van [appellant] en anderen. [appellant] en anderen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze reactie te reageren.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 12 juni 2015, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door G.J. Francke en mr. M.J. Spierdijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Desgevraagd heeft het waterschap Scheldestromen na zitting een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 30 mei 2013 niet is voorzien van een deugdelijke motivering, omdat de raad ten onrechte niet had bezien of het ter plaatse toegestane recreatief medegebruik in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij had de raad in ieder geval de belangen van [appellant] en anderen bij een ongestoord woon- en leefklimaat moeten betrekken, alsmede het effect van dit gebruik op de ter plaatse aanwezige natuur- en landschappelijke waarden. Ook had de raad moeten bezien of er behoefte bestaat aan het recreatief medegebruik in het licht bezien van het geschil tussen partijen over de eigendomsverhoudingen.

2. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 30 mei 2013 gegrond. Dit besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel van [appellant] en anderen, dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 8.3 alsnog toereikend te motiveren dat het binnen de bestemming "Agrarisch" mogelijk gemaakte recreatief medegebruik, betreffende het perceel van [appellant] en anderen, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, of in plaats daarvan een ander besluit te nemen.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 10 juli 2014 het bestemmingsplan "Stad Veere" gewijzigd vastgesteld door aan de verbeelding ter plaatse van het perceel van [appellant] en anderen, kadastraal bekend sectie N, nr. 3022, de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" toe te kennen, zodat toeristisch recreatief medegebruik ter plaatse niet is toegestaan.

5. Het besluit van 10 juli 2014 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van dit geding.

6. [appellant] en anderen hebben een zienswijze ingediend tegen het besluit van de raad van 10 juli 2014. Zij kunnen zich niet verenigen met het herstel van het gebrek door de raad. Zij stellen dat de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" blijkens de stippellijn op de digitale verbeelding niet aan hun gehele perceel is toegekend, welk perceel volgens hen mede de stroken grond met kadastrale nummers 3019 en 1972 omvat waaraan eveneens de bestemming "Agrarisch" is toegekend, waardoor toeristisch-recreatief medegebruik niet is uitgesloten. Een en ander hangt volgens [appellant] en anderen samen met het privaatrechtelijk geschil tussen hen en het waterschap Scheldestromen over de eigendom van vorenbedoelde stroken grond. Zij stellen daarnaast dat de raad ook met het besluit van 10 juli 2014 niet heeft gemotiveerd dat toeristisch-recreatief medegebruik ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hen is bovendien niet onderzocht of er behoefte bestaat aan het gebruik.

7. In de aan het besluit van 10 juli 2014 ten grondslag gelegde stukken stelt de raad zich op het standpunt dat met dit besluit is tegemoet gekomen aan de bezwaren van [appellant] en anderen tegen het ter plaatse mogelijk maken van toeristisch-recreatief medegebruik. De raad stelt daarnaast dat de door [appellant] en anderen bedoelde stroken grond, in eigendom zijn van het waterschap Scheldestromen. Ook in het nadere stuk van de raad van 16 januari 2015 stelt de raad zich op dit standpunt. Eerst ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hoewel is beoogd volledig tegemoet te komen aan de bezwaren van [appellant] en anderen tegen het ter plaatse toegestane recreatief medegebruik, dit niet als zodanig op de verbeelding is verwerkt doordat alleen aan het perceel met kadastraal nr. 3022 de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" is toegekend. Volgens de raad had de grens van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" moeten worden aangehouden wat betreft het toekennen van de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" en niet de kadastrale begrenzing. Door het aanhouden van de begrenzing van het bestemmingsvlak voor de bestemming "Agrarisch" wordt ook op de door [appellant] en anderen overige bedoelde stroken grond dit gebruik uitgesloten, aldus de raad.

8. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven, alsmede voor toeristisch-recreatief medegebruik zoals fietsen, wandelen en paardrijden, (…) g. ter plaatse van de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten": geen toeristisch recreatief medegebruik is toegestaan.

9. Gelet op het voorgaande heeft de raad de bedoeling gehad met het besluit van 10 juli 2014 tegemoet te komen aan het beroep van [appellant] en anderen en ter plaatse toeristisch-recreatief medegebruik uit te sluiten. Nu de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" echter niet is toegekend aan alle gronden binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch", waarvan het perceel kadastraal bekend sectie N, nr. 3022 deel uitmaakt, waardoor ook met het besluit van 10 juli 2014 toeristisch-recreatief medegebruik ter plaatse is toegestaan, is het plan niet vastgesteld zoals de raad het heeft beoogd. De Afdeling ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover hiermee niet aan het gehele plandeel met de bestemming "Agrarisch" - zoals hiervoor geduid - de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" is toegekend, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

10. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch", waarvan het perceel kadastraal bekend sectie N, nr. 3022 deel uitmaakt, voor zover hieraan niet de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

11. Nu niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door ook aan de stroken grond binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch", waarvan het perceel kadastraal bekend sectie N, nr. 3022 deel uitmaakt en voor zover daaraan niet de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" is toegekend, de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" toe te kennen, en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre ten aanzien van dit plandeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Hierbij betrekt de Afdeling dat het waterschap Scheldestromen, die volgens het kadaster eigenaar is van de stroken grond met nrs. 3019 en 1972, bij brief van 19 juni 2015 heeft medegedeeld zich er niet tegen te verzetten indien het planologisch regime hiervan zodanig wordt aangepast dat ter plaatse geen toeristisch-recreatief medegebruik meer is toegestaan.

12. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

13. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 30 mei 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veere van 30 mei 2013, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" betreffende het perceel van [appellant] en anderen;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juli 2014 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veere van 10 juli 2014, wat betreft de stroken grond binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch", waarvan het perceel kadastraal bekend sectie N, nr. 3022 deel uitmaakt, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart I, en voor zover hieraan niet de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" is toegekend;

V. bepaalt dat aan de onder IV bedoelde stroken grond de aanduiding "dagrecreatie uitgesloten" wordt toegekend;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. draagt de raad van de gemeente Veere op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel V wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Veere tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1715,00 (zegge: zeventienhonderdvijftien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Veere aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

647.