Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201407379/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13811, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden aan de woning op het perceel [locatie] te Delft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/920
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407379/1/A1.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2014 in zaak nr. 14/847 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden aan de woning op het perceel [locatie] te Delft.

Bij besluit van 30 december 2013 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2013 herroepen voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de buitentrap en heeft het college alsnog geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor de buitentrap.

Bij uitspraak van 28 juli 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A. Gardien-Reinders, en het college, vertegenwoordigd door W.M. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in legalisering van reeds uitgevoerde bouwwerkzaamheden op het perceel. Het bouwplan voorziet in het vergroten van een bestaande aanbouw, het aanleggen van een dakterras op deze aanbouw, het plaatsen van een dakkapel, het uitvoeren van interne bouwwerkzaamheden en het plaatsen van een buitentrap. In hoger beroep is alleen de weigering om omgevingsvergunning te verlenen voor de buitentrap aan de orde.

2. Ingevolge het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noordwest 1 (Hof van Delft)" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 2, lid 2.2 van de planregels wordt bij de toepassing van deze regels de bouwhoogte van een bouwwerk als volgt gemeten: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1 zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden, onder andere, bestemd voor wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge artikel 13, lid 13.2.2 gelden voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak de regels van artikel 24 en de volgende bepalingen:

[…]

d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag boven peil van het bijbehorende hoofdgebouw bedragen vermeerderd met 0,40 m;

[…].

Ingevolge artikel 24, lid 24.1 gelden voor het bouwen de aanduidingen op de verbeelding en het bepaalde in hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze regels met inachtneming van de volgende bepalingen:

[…]

d. de maximaal toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag - tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)', in hoofdstuk 2 of in de overige regels anders is bepaald - maximaal bedragen:

[…]

van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3,00 m.

Ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder a geldt voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande hellingshoek, afstands-, hoogte, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming en van artikel 24, lid 24.1 dat:

1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 en/of lid 24.1 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden;

2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 en/of lid 24.1 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door de hoogte van de aangevraagde buitentrap vast te stellen op 3,78 m. Hij voert hiertoe aan dat het college in het besluit van 30 december 2013 is uitgegaan van een maximale hoogte van de buitentrap inclusief leuning van 3,20 m. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat een lang persoon bij een plafond met een hoogte van 2,20 m nauwelijks rechtop kan staan, nu ingevolge het Bouwbesluit 2012 een hoogte van 2,10 m voldoende wordt geacht bij bestaande plafondhoogte.

3.1. [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat het college ten onrechte heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor de buitentrap. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de buitentrap in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft, gelet op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, terecht beoordeeld of de aanvraag om omgevingsvergunning voldoet aan artikel 24, lid 24.1, onder d, van de planregels. Ten einde te kunnen vaststellen of het college niet heeft onderkend dat het bouwplan voldoet aan dit artikel uit de planregels dient de door [appellant] aangevraagde hoogte van de buitentrap te worden vastgesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden.

Voorts ziet de Afdeling, anders dan [appellant] heeft aangevoerd in hoger beroep, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoogte van de aangevraagde buitentrap 3,78 m bedraagt. De rechtbank heeft in dit verband uit de bouwtekeningen op kunnen maken dat de buitentrap aansluit op de verdieping waarop het dakterras is voorzien, dat 2,78 m hoog is, en dat de trapleuning aansluit op de erfafscheiding van het dakterras, met een hoogte van 1,00 m gemeten vanaf het dakterras. Dat, zoals [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft gesteld, de tuin vanaf de woning gezien in hoogte oploopt en de trap gemeten vanaf de eerste trede feitelijk lager is dan 3,78 m, wat daar van zij, laat onverlet dat de hoogte zoals deze is aangevraagd door [appellant] 3,78 m bedraagt.

Het betoog faalt.

4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 24, lid 24.1, onder d, van de planregels, omdat de trapleuning van de buitentrap gelet op artikel 2, lid 2.2 van de planregels niet behoeft te worden meegerekend bij de bepaling van de hoogte van het aangevraagde bouwwerk, nu deze trapleuning volgens [appellant] kan worden aangemerkt als een ondergeschikt bouwonderdeel van de buitentrap. In dit kader verwijst [appellant] naar het Bouwbesluit 2012 waarin is opgenomen dat alleen voorgeschreven trappen dienen te worden voorzien van een leuning en voert hij aan dat de trapleuning op zichzelf niet reeds als een bouwwerk kan worden aangemerkt. Daarnaast verwijst [appellant] naar een uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 in zaak nr. 200908821/1/H1.

4.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de hoogte van de leuning van de buitentrap terecht heeft meegenomen bij het bepalen van de aangevraagde bouwhoogte van de buitentrap. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de leuning niet kan worden aangemerkt als een ondergeschikt bouwonderdeel van de buitentrap als bedoeld in artikel 2, lid 2.2 van de planregels, nu de leuning samen met de treden de buitentrap vormt. Daarnaast heeft de rechtbank hierbij terecht van belang geacht dat de leuning ten dienste staat van het gebruik van de buitentrap en de leuning derhalve functioneel van belang is voor het gebruik van de trap. De omstandigheid dat ingevolge het Bouwbesluit 2012 geen leuning zou zijn vereist, wat daar verder van zij, betekent nog niet dat de leuning dient te worden aangemerkt als een ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in de planregels. Voorts maakt de omstandigheid dat de buitentrap zou kunnen functioneren zonder leuning nog niet dat de door [appellant] aangevraagde leuning een ondergeschikt bouwonderdeel vormt van de buitentrap. Een vergelijking met de door [appellant] genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010 gaat niet op, nu in die uitspraak van belang was of de aan de orde zijnde liftopbouw aangemerkt dient te worden als een 'klein bouwonderdeel' als bedoeld in de daar aan de orde zijnde planvoorschriften en in de onderhavige zaak van belang is of de trapleuning een 'ondergeschikt bouwonderdeel' is als bedoeld in artikel 2, lid 2.2, van de planregels. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in zoverre terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de buitentrap in strijd is met artikel 24, lid 24.1, onder d, van de planregels.

Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de buitentrap gelet op artikel 24, lid 24.2 van de planregels in overeenstemming is met het bestemmingsplan, nu de bestaande maat als ten hoogste toelaatbaar mag worden aangemerkt. Hij voert hiertoe aan dat de omgevingsvergunning is verleend op 6 februari 2013 en het bestemmingsplan in werking is getreden op 23 augustus 2013 en in artikel 24, lid 24.2 van de planregels niet is opgenomen dat deze bepaling alleen geldt voor onherroepelijke omgevingsvergunningen.

5.1. In artikel 24, lid 24.2 van de planregels is voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wabo op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande hellingshoek, afstands-, hoogte, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, bepaald dat bestaande maten van dat bouwwerk, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 en/of lid 24.1 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden. Nu het bouwwerk is gebouwd voor inwerkingtreding van het bestemmingsplan en op 6 februari 2013 daarvoor omgevingsvergunning is verleend zou de bouwhoogte van dit bouwwerk volgens [appellant] in afwijking van artikel 24, lid 24.1, onder d, van de planregels moeten worden aangehouden als ten hoogste toelaatbare bouwhoogte. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat artikel 24, lid 24.2 van de planregels ziet op situaties waarbij de bij of krachtens de Wabo verleende omgevingsvergunning onherroepelijk is. Hierbij is van belang dat het bouwplan in strijd was met het ten tijde van het besluit van 6 februari 2013 voorheen geldende bestemmingsplan "Noordwest Deelgebied 1" en dat een ander oordeel ertoe zou kunnen leiden dat een bezwaarprocedure tegen een voor de inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan verleende, niet onherroepelijke, omgevingsvergunning illusoir zou worden.

Het betoog faalt.

6. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het rechtens verkregen niveau als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 van toepassing is. Volgens [appellant] is omstreeks 1975 bouwvergunning verleend en dient derhalve bij het veranderen van het bouwwerk uit te worden gegaan van het rechtens verkregen niveau.

6.1. Aan de weigering omgevingsvergunning te verlenen is niet ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2012, zodat de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd in het kader van het Bouwbesluit 2012 terecht geen aanknopingspunten heeft gezien voor het oordeel dat het college in zoverre ten onrechte heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

7. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gelet op de aan de orde zijnde belangen van [belanghebbende] en zijn belangen in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen voor de buitentrap. Hij voert hiertoe aan dat geen privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan verlening van omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, nu slechts zijdelings uitzicht op het perceel van [belanghebbende] bestaat en de overschrijding van de in het bestemmingsplan toegestane hoogte 20 cm bedraagt. Daarnaast heeft het college onvoldoende aandacht besteed aan de stedenbouwkundige noodzaak voor de trap, aldus [appellant].

7.1. De beslissing al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om de omgevingsvergunning te weigeren heeft kunnen komen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen voor de buitentrap. Het college heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat het door [appellant] aangevraagde gebruik van de buitentrap intensiever zal zijn dan een noodtrap, nu de buitentrap tevens zal worden gebruikt als toegang tot het dakterras en de woning. Daarnaast kan [appellant] de woning op de eerste verdieping en het dakterras inpandig via een andere trap bereiken. Voorts heeft het college de belangen van omwonenden hierbij in aanmerking kunnen nemen en zich op het standpunt mogen stellen dat, gelet op de locatie van de trap en de beperkte breedte van het perceel, de buitentrap zal leiden tot een inbreuk op de privacy van omwonenden nu, zoals [belanghebbende] heeft toegelicht aan de hand van foto's, vanaf de treden van de trap zicht op haar perceel en woning bestaat. Dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering betekent niet dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op de aan de orde zijnde belangen, in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Voorts maakt de omstandigheid dat de buitentrap zonder trapleuning niet in strijd is met het bestemmingsplan, het voorgaande niet anders, nu [appellant] de buitentrap heeft aangevraagd met trapleuning.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Vermeulen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

700.