Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201410359/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Piushavengebied 2009, 4e wijziging (aanpassing milieucategorieën)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410359/1/R3.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, gevestigd te Tilburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Piushavengebied 2009, 4e wijziging (aanpassing milieucategorieën)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.M. van Grinsven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan voorziet onder andere in het wijzigen van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" in de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" voor het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie] te Tilburg.

2. [appellant], die aan de [locatie] is gevestigd, betoogt dat het college ten onrechte de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" voor haar perceel heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de milieucategorie 3.2 die in het vorige bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" was vastgesteld van een goede ruimtelijke ordening getuigt en er sindsdien geen feiten en omstandigheden zijn geweest die aanleiding geven voor het vaststellen van een lagere milieucategorie. Volgens [appellant] is het college buiten de in artikel 23 neergelegde wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan getreden, nu dat artikel alleen het verwijderen van een aanduiding mogelijk maakt. Verder verwijst [appellant] naar zijn zienswijze.

3. Het college stelt zich op het standpunt dat er bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" ten onrechte vanuit is gegaan dat het bedrijf van [appellant] aan de [locatie] een timmerwerkfabriek betrof. Nader onderzoek heeft echter uitgewezen dat het een aannemersbedrijf met timmerbedrijf betreft, waarbij de werkplaats kleiner is dan 1.000 m². Volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) behoort een dergelijk bedrijf tot een milieucategorie 2. Verder stelt de raad dat niet artikel 23, eerste lid, maar het vierde lid van de planregels van het bestemmingsplan de grondslag is voor dit wijzigingsplan.

4. Ingevolge artikel 16, lid 16.1.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 16.1.2, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding bestemd voor bedrijven tot en met de milieucategorie zoals op de verbeelding is weergegeven.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, is het college bevoegd het plan te wijzigen, zodanig dat een weergegeven aanduiding wordt verwijderd indien de binnen deze aanduiding toegelaten functie is beëindigd en wordt omgezet in een binnen het ter plaatste geldende bestemmingsvlak toegelaten functie.

Ingevolge lid 23.4 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een weergegeven aanduiding te wijzigen in een andere aanduiding, met dien verstande dat de ingevolge de aanduiding ter plaatse geldende maximaal toelaatbare milieucategorie voor functies of activiteiten uit de Bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten niet mag worden overschreden.

5. Anders dan [appellant] veronderstelt, heeft niet artikel 23, lid 23.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" ten grondslag gelegen van dit wijzigingsplan. Op grond van artikel 23, lid 23.4, van de planregels kan de aanduiding voor de maximaal toelaatbare milieucategorie worden gewijzigd. Met deze bepaling wordt voorzien in een wijziging in een lagere milieucategorie en niet, zoals [appellant] ter zitting heeft gesteld, in een hogere milieucategorie. De Afdeling leidt dit af uit de bewoordingen dat de ter plaatse geldende maximaal toelaatbare milieucategorie niet mag worden overschreden. Gelet hierop was er een grondslag voor het wijzigingsplan. Het betoog faalt.

6. Verder staat in de plantoelichting dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Piushavengebied 2009" de bestemmingen voor een aantal percelen, waaronder die van het perceel van [appellant], niet goed verenigbaar waren met de woonfuncties in de directe omgeving. Om voortzetting van de desbetreffende bedrijven mogelijk te maken is een hogere milieucategorie toegekend dan eigenlijk passend was. Voor dit wijzigingsplan heeft het college nader onderzoek gedaan naar de bedrijfsvoering van sommige bedrijven.

7. De Afdeling stelt vast dat het perceel [locatie] in een woongebied ligt. Niet in geschil is dat dit gebied als rustige woonwijk kan worden gekwalificeerd die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. In de VNG-brochure is aan een timmerwerkfabriek milieucategorie 3.2 toegekend, hetgeen betekent dat een afstand van 100 m als grootste afstand in verband met het aspect geluid is geïndiceerd tot een milieugevoelige functie. Nu woonpercelen direct grenzen aan het perceel [locatie] wordt niet aan deze richtafstand voldaan.

8. Uit het milieuplanologisch onderzoek Piushaven dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op het perceel [locatie], anders dan bij de vaststelling van het bestemmingsplan werd verondersteld, geen timmerwerkfabriek is gevestigd, maar een aannemers- en timmerbedrijf. Voor de vaststelling van de omvang van de bedrijfsactiviteiten is uitgegaan van de op 31 mei 1995 verleende milieuvergunning. [appellant] heeft de omvang van deze bedrijfsactiviteiten niet betwist. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat deze bedrijfsactiviteiten nadien zijn gewijzigd. Uitgaande van de milieucategorieën uit de VNG-brochure is een dergelijk bedrijf aan te merken als een aannemersbedrijf met een werkplaats met een productie oppervlakte van minder dan 1.000 m², aldus het onderzoek. In de VNG-brochure behoort een dergelijk aannemersbedrijf, welke activiteit eveneens in de Staat van bedrijfsactiviteiten als bijlage bij de planregels is opgenomen, tot milieucategorie 2. Dat [appellant] een machine bezit waarmee seriematig kozijnen kunnen worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. In dat verband heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarmee nog geen sprake is van geautomatiseerde productiemethoden. Voor zover [appellant] ter zitting heeft gesteld dat er uitbreidingsplannen zijn, overweegt de Afdeling dat deze plannen onvoldoende concreet zijn. De raad heeft dan ook in redelijkheid alleen rekening gehouden met de bestaande situatie.

Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" kunnen vaststellen. Dat in het vorige plan een hogere milieucategorie was toegekend doet hieraan niet af, aangezien aan een geldende plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. Bovendien is de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan van onjuiste feiten uitgegaan. Het betoog faalt.

9. Voor zover [appellant] zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Mercker

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

661.