Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201307073/4/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Voorhout-Oost" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307073/4/R4.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Voorhout, gemeente Teylingen,

2. [appellant sub 2], wonend te Voorhout, gemeente Teylingen,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Voorhout, gemeente Teylingen,

en

de raad van de gemeente Teylingen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Voorhout-Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar onder meer [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. F.K.H. van Oostveen, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. Zwiers, en de raad, vertegenwoordigd door P.M.W.M. van Goch, werkzaam bij de gemeente, en ing. E. Stuijts, werkzaam bij stedenbouwkundig bureau Wissing B.V., zijn verschenen.

Bij uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak, van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201307073/1/R4 (hierna: tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 30 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Voorhout-Oost" gewijzigd vastgesteld.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt. [appellanten sub 3] hebben tegen het besluit van 18 december 2014 beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2015, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [appellant sub 1B] en M. Dekker, en de raad, vertegenwoordigd door P.M.W.M. van Goch, werkzaam bij de gemeente, en ir. J.T.A. Goes, werkzaam bij stedenbouwkundig bureau Wissing B.V., zijn verschenen.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 6.3. het volgende overwogen:

"Met het aangenomen amendement noch anderszins heeft de raad inzichtelijk gemaakt hoe hij bij de keuze voor de thans in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid de belangen van [appellanten sub 1] heeft afgewogen tegen het belang van [appellant sub 2]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voor de in het ontwerpplan opgenomen ruimere uitbreidingsmogelijkheid een bezonningsstudie is uitgevoerd door stedenbouwkundig bureau Wissing B.V. Uit deze bezonningsstudie volgt dat er geen gevolgen voor de gevel en de steiger/tuin op de begane grond van de naastgelegen woningen zijn en dat voor het dakterras de bezonning met twee uur afneemt van zeven naar vijf uren, zodat, zoals de raad ter zitting te kennen heeft gegeven, wordt voldaan aan de gehanteerde TNO norm en de gehanteerde norm voor tuinen. Voor zover de raad stelt dat met een kleinere uitbreidingsmogelijkheid dan was opgenomen in het ontwerpplan belemmeringen vanuit bezonning en uitzicht beperkt blijven, wordt overwogen dat de raad echter niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de gevolgen van de in het plan opgenomen beperktere uitbreidingsmogelijkheid voor de bezonning en het uitzicht van naastgelegen percelen zijn. De raad heeft er voorts geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of de opgenomen beperktere uitbreidingsmogelijkheid een bruikbare uitbreiding kan opleveren. Ook is de raad voorbijgegaan aan de wens van [appellanten sub 1] om voor de uitbreidingsmogelijkheid een lagere bouwhoogte op te nemen dan in het ontwerpplan en het vastgestelde plan is opgenomen. De door hen gewenste lagere maximale bouwhoogte kan gevolgen hebben voor de bezonning en is in zoverre een aspect dat bij de belangenafweging een rol kan spelen. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - achtergevel" voor de percelen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.".

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 30 mei 2013 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - achtergevel" voor de percelen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om alsnog te bezien of het plan aanpassing behoeft voor zover het betreft de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - achtergevel" voor de percelen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout. De raad diende daartoe met inachtneming van hetgeen onder 6.3. van de tussenuitspraak is overwogen, alsnog toereikend te motiveren waarom de door [appellanten sub 1] gewenste ruimere uitbreidingsmogelijkheid niet kan worden toegestaan, dan wel een gewijzigd besluit te nemen.

4. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 18 december 2014 het plan opnieuw vastgesteld. De raad heeft het plan in zoverre gewijzigd door artikel 15, lid 15.2.1, onder g, van de planregels gewijzigd vast te stellen. De raad heeft voorts in het bij de plantoelichting behorende memo ‘Onderbouwing Kroeskarperlaan’ van 23 oktober 2014 van stedenbouwkundig bureau Wissing B.V. nader gemotiveerd waarom de opgenomen uitbreidingsmogelijkheid voor de percelen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout kan worden toegestaan.

5. Ingevolge artikel 15, lid 15.2.1, onder g, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - achtergevel", het toegestaan om de eerste verdieping uit te breiden, met dien verstande dat:

1. de achterste grens van de uitbreiding evenwijdig dient te lopen ten opzichte van de achterste bouwgrens van de begane grondlaag;

2. de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de bestaande hoogste goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw op het bouwperceel.

6. [appellanten sub 3] wonen aan de [locatie 1] te Voorhout en kunnen zich niet verenigen met artikel 15, lid 15.2.1, onder g, sub 2, van de planregels. Daartoe voeren zij aan dat in vergelijking met het besluit van 30 mei 2013 een lagere goot- en bouwhoogte is toegestaan, waardoor het oppervlak van de uitbreidingsmogelijkheid met 6,8 m2 op de tweede verdieping wordt verminderd.

6.1. In de plantoelichting is vermeld dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - achtergevel" in de planregels een sublid is toegevoegd waarin wordt bepaald dat de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de bestaande hoogste goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw op het bouwperceel, om zo de goot- en bouwhoogte van de uitbreiding te laten aansluiten op de bestaande hoogte van het hoofdgebouw. De raad heeft toegelicht dat in de beroepsprocedure bij de Afdeling naar voren is gekomen dat de uitbreiding op de eerste verdieping van de woningen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout hoger zou kunnen worden dan de bestaande woningen. Volgens de raad is het nooit de bedoeling geweest om een uitbreiding toe te staan die hoger is dan het hoofdgebouw. Het toestaan van een uitbreiding hoger dan het hoofdgebouw heeft volgens de raad tot gevolg dat verrommeling van bebouwing optreedt en kan tevens consequenties hebben voor de bezonning van de naastgelegen percelen. [appellanten sub 3] hebben dit niet betwist. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de goot- en bouwhoogte van de uitbreidingsmogelijkheid gelijk heeft kunnen stellen aan de bestaande goot- en bouwhoogte van de woningen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout.

Het betoog faalt.

7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het besluit ook met de nadere motivering nog altijd niet berust op een deugdelijke motivering.

[appellanten sub 1] voeren daartoe aan dat de minieme voordelen van de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid voor de eerste verdieping van de woningen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout, te weten een half uur minder schaduw in de maand februari en een paar graden meer uitzicht, niet opwegen tegen de grotere voordelen van een ruimere uitbreiding. Volgens [appellanten sub 1] levert een ruimere uitbreidingsmogelijkheid meer woongenot en een bruikbare ruimte op. Tevens is een ruimere uitbreidingsmogelijkheid in verhouding goedkoper en levert een grotere waardevermeerdering op, aldus [appellanten sub 1]. [appellanten sub 1] wijzen op de door hen gemaakte situatieschets. Zij stellen dat de thans mogelijk gemaakte uitbreiding ongeschikt is voor het beoogde doel en dat andere eigenaren van woningen aan de Kroeskarperlaan het hier mee eens zijn. Volgens hen heeft geen goede belangenafweging plaatsgevonden.

[appellant sub 2] voert aan dat zijn belangen bij het niet toestaan van een uitbreidingsmogelijkheid onvoldoende zijn afgewogen. Volgens [appellant sub 2] zal de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid leiden tot een onevenredige vermindering van zonlicht. In dit verband voert hij aan dat de bezonningsstudie te beperkt is nu de maanden juli en september niet in het onderzoek zijn betrokken.

Indien de raad de goot- en bouwhoogte van de uitbreidingsmogelijkheid gelijk heeft kunnen stellen aan de bestaande goot- en bouwhoogte van de woningen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout, stellen [appellanten sub 3] een alternatieve uitbreidingsmogelijkheid voor die voorziet in een uitbreiding met een lengte van 3,4 m en een achterste grens van de uitbreiding die parallel loopt aan de bestaande achtergevel van de eerste verdieping.

7.1. In opdracht van de gemeente Teylingen heeft stedenbouwkundig bureau Wissing B.V. een bezonningsstudie uitgevoerd voor de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid voor de eerste verdieping van de woningen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout. In het bij de plantoelichting behorende memo ‘Onderbouwing Kroeskarperlaan’ van 23 oktober 2014 van stedenbouwkundig bureau Wissing B.V. staat dat uit deze bezonningsstudie van oktober 2014 volgt dat de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid ten opzichte van de in het ontwerpplan opgenomen ruimere uitbreidingsmogelijkheid leidt tot een verbetering van de bezonning op het dakterras van de naastgelegen woningen. Op het dakterras van de naastgelegen woningen neemt de bezonning bij de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid af met 1,5 uur in plaats van twee uur, doordat er op het tijdstip 11.10-11.40 uur tenminste 16 m2 zon is op het dakterras. Voorts volgt uit de bezonningsstudie dat er, net als bij de in het ontwerpplan opgenomen ruimere uitbreidingsmogelijkheid, geen gevolgen zijn voor de gevel van de woonkamer alsmede de erker en de tuin van de naastgelegen woningen. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] dat de bezonningsstudie te beperkt is, heeft de raad ter zitting toegelicht dat in de bezonningsstudie geen weergave is opgenomen van de bezonning in de zomermaanden nu de schaduwwerking in de zomermaanden door de hoge stand van de zon in relatie tot de wel onderzochte maanden beperkter of afwezig zal zijn. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van de bezonningsstudie.

Stedenbouwkundig bureau Wissing B.V. heeft daarnaast een bezonningsstudie uitgevoerd voor de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid maar dan met een lagere goot- en bouwhoogte, te weten de door [appellanten sub 1] gewenste goot- en bouwhoogte van 4,3 onderscheidenlijk 7,5 m voor de uitbreiding. In het memo staat dat uit deze bezonningsstudie volgt dat geen extra tijdstip is waargenomen waarbij er tenminste 16 m2 zon is op het dakterras van de naastgelegen woningen.

Voorts staat in het memo dat door de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid het uitzicht vanaf het dakterras van de naastgelegen woningen ten opzichte van de in het ontwerpplan opgenomen ruimere uitbreidingsmogelijkheid verbetert van 119 naar 132 graden. Verder staat in het memo dat de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid een bruto vloeroppervlak van 21,5 m2 en een inwendig oppervlak van ongeveer 18 m2 heeft, zodat een bruikbare uitbreiding kan worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat met deze in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheid een goede stedenbouwkundige oplossing wordt gecreëerd. Volgens de raad blijft het stedenbouwkundige onderscheid tussen de onder- en bovenbouw van de woningen zichtbaar, waardoor het karakter van de wijk blijft behouden. In dit verband heeft de raad er op gewezen dat de woningen staan aan een openbare waterpartij. De raad heeft gesteld dat bij een grotere uitbreidingsmogelijkheid te massieve gebouwen zullen ontstaan, waarbij het onderscheid tussen de onder- en bovenbouw van de woningen en de grote dakterrassen verloren zal gaan. Volgens de raad is dit ook het geval bij de door [appellanten sub 3] voorgestelde grotere uitbreidingsmogelijkheid.

In hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheid voor de eerste verdieping van de woningen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout.

De betogen falen.

8. Voor zover [appellant sub 2] vreest dat tijdens de bouw van de uitbreiding van de eerste verdieping van de naastgelegen woningen een gevaarlijke situatie zal ontstaan, schade aan zijn woning zal optreden en zijn privacy zal worden aangetast, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

9. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] tegen het besluit van 18 december 2014 ongegrond.

10. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellanten sub 3] geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 30 mei 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Teylingen van 30 mei 2013, waarbij het bestemmingsplan "Voorhout-Oost" is vastgesteld, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - achtergevel" voor de percelen aan de Kroeskarperlaan 1 tot en met 35 (oneven) te Voorhout;

III. verklaart de beroepen tegen het besluit van 18 december 2014 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Teylingen tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Teylingen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Teylingen aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

gelast dat de raad van de gemeente Teylingen aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

625.