Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201410143/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410143/1/A2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 november 2014 in zaak nr. 14/3669 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] toegekende kinderopvangtoeslag over 2008 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 mei 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. [appellante] heeft een voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 ontvangen.

Bij besluit van 18 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dat voorschot herzien en op nihil vastgesteld. De dienst heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang in 2008 op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden.

Bij uitspraak van 15 maart 2012 (SBR 10/2320) heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep van [appellante] ongegrond verklaard.

3. Bij besluit van 4 februari 2014, gehandhaafd bij besluit van 9 mei 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2008 op dezelfde grondslag definitief vastgesteld op nihil.

De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, omdat de dienst [appellante] ten onrechte niet heeft gehoord over haar bezwaar. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de door [appellante] in de voorschotprocedure overgelegde overeenkomsten tussen haar, het gastouderbureau en de gastouder gebreken kleven, omdat daarin de dagtekening en de bemiddelingskosten ontbreken. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de dienst zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken dat de op 16 januari 2014 overgelegde overeenkomsten en de in beroep overgelegde algemene voorwaarden deel uitmaken van de eerder overgelegde overeenkomsten.

4. [appellante] betoogt - samengevat - dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 mei 2014 in stand te laten, heeft miskend dat zij met de in de voorschotprocedure overgelegde overeenkomsten, in samenhang bezien met de later overgelegde overeenkomsten en de algemene voorwaarden, heeft aangetoond dat de kinderopvang in 2008 heeft plaatsgevonden op basis van een overeenkomst die voldoet aan de vereisten van de Wko.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling af te leiden dat bedoeld is dat aan de hand van de in deze bepaling vermelde gegevens onderzocht kan worden of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten (Stcrt. 6 oktober 2004, nr. 192, blz. 6). Dit betekent dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de gastouderopvang door een kopie van een overeenkomst over te leggen waaruit die afspraken blijken.

4.2. [appellante] heeft in de voorschotprocedure vier overeenkomsten overgelegd, die elk uit één bladzijde bestaan en waarop onderaan is vermeld "pagina 1 van 2". Zij hebben betrekking op verschillende periodes in 2008. Twee daarvan zijn gesloten met gastouderbureau [gastouderbureau] in [plaats 1] en de andere twee met [gastouderbureau] in [plaats 2].

Voorts heeft [appellante] ook op 16 januari 2014 vier overeenkomsten overgelegd, die elk bestaan uit twee bladzijden. De eerste daarvan komt overwegend overeen met de eerder overgelegde "pagina 1 van 2". Voorts is er een "pagina 2 van 2" met daarop vermeld de verplichtingen van de vraagouder, de gastouder en [gastouderbureau].

Tot slot heeft [appellante] in beroep de algemene voorwaarden 2008 van [gastouderbureau] overgelegd, te weten een exemplaar met dagtekening 28 december 2007 en een exemplaar met dagtekening 25 juli 2008.

4.3. Niet in geschil is dat de door [appellante] in de voorschotprocedure overgelegde overeenkomsten niet zijn gedagtekend en de bemiddelingskosten niet vermelden. Evenmin is in geschil dat de door haar in bezwaar overgelegde overeenkomsten wel zijn gedagtekend, maar niet de bemiddelingskosten vermelden en dat die kosten wel zijn opgenomen in de algemene voorwaarden.

Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat pagina 2 van 2 van de nader overgelegde overeenkomsten en de algemene voorwaarden deel uitmaken van de eerder overgelegde overeenkomsten. De rechtbank heeft daarbij terecht betrokken dat de handtekening van de vertegenwoordiger van het gastouderbureau op de nader overgelegde overeenkomsten en de algemene voorwaarden afwijkt van diens handtekening op de eerder overgelegde overeenkomsten. Voorts staat op twee nader overgelegde overeenkomsten op pagina 2 van 2 een handtekening van de vertegenwoordiger van het gastouderbureau, maar op de andere twee niet. Daarbij komt dat de opmaak voor de ondertekening op de beide pagina’s van die overeenkomsten van elkaar afwijken. Tot slot heeft [appellante] betoogd dat zij aanvankelijk ten onrechte slechts pagina 1 van 2 van de overeenkomsten heeft overgelegd en nadien de tweede pagina heeft gevonden en tezamen met die eerste pagina heeft overgelegd. Daarmede strookt evenwel niet dat de aanvankelijk overgelegde en de nader overgelegde pagina 1 van 2 van de tussen haar, [gastouderbureau] in [plaats 1] en de gastouder met ingangsdatum 1 september 2008 gesloten overeenkomst niet gelijkluidend zijn. In één exemplaar is niet een einddatum van de periode waarop de overeenkomst betrekking heeft vermeld en is bij de handtekening van de vertegenwoordiger van [gastouderbureau] tevens een stempel van dat bureau gezet. In het andere exemplaar ontbreekt die stempel en is de einddatum van de periode waarvoor de overeenkomst is aangegaan wel vermeld, te weten 31 december 2008. Verder wijken de handtekeningen van de vertegenwoordiger van het gastouderbureau en de gastouder op beide exemplaren van elkaar af. [appellante] heeft ook in hoger beroep geen afdoende verklaring voor deze verschillen gegeven. Voorts heeft de rechtbank eveneens terecht in aanmerking genomen dat [appellante], ondanks dat de Belastingdienst/Toeslagen haar herhaaldelijk en ook al in de procedure over het voorschot heeft gevraagd om overeenkomsten, pas op 16 januari 2014 nader overeenkomsten heeft overgelegd en pas in beroep de algemene voorwaarden. Dat [appellante] deze overeenkomsten en algemene voorwaarden tijdens het opruimen van de schuur in een doos zou zijn tegengekomen, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht om die late inzending en de nog latere inzending van de algemene voorwaarden te verklaren. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat de nader overgelegde overeenkomsten en algemene voorwaarden deel uitmaken van de eerder overgelegde overeenkomsten. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank daarbij terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 7 (lees: 30) juli 2014 in zaak nr. 201308113/1/A2, aangezien de daarin beschreven situatie grotendeels overeenkomt met die in dit geval. Dat in dit geval, anders dan in die zaak, het gastouderbureau niet meer bestaat en geen website meer beschikbaar is waarvan overeenkomsten kunnen worden gehaald, is onvoldoende voor een ander oordeel.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de als eerste overgelegde overeenkomsten (pagina 1 van 2) niet voldoen aan de in artikel 52 van de Wko, gelezen in verbinding met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, gestelde eisen, omdat die overeenkomsten de bemiddelingskosten niet vermelden. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang in 2008 op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen, door verschillende elementen van de overeenkomst eruit te lichten en aan haar tegen te werpen, haar in een bewijsrechtelijk moeilijker positie heeft gebracht. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201112985/1/A2, overwogen dat om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken aan een aantal in de Wko gestelde vereisten moet zijn voldaan. Dat de Belastingdienst/Toeslagen het niet voldoen aan een van die vereisten aan de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2008 ten grondslag heeft gelegd, betekent niet dat aan alle andere vereisten is voldaan. Derhalve heeft de dienst aan het besluit van 9 mei 2014 ten grondslag kunnen leggen dat de bemiddelingskosten ontbreken. Niet valt in te zien dat [appellante] hierdoor in haar bewijspositie is benadeeld, te meer nu de Belastingdienst/Toeslagen haar al in de voorschotfase en ook daaropvolgend ter voorbereiding van de definitieve vaststelling heeft gevraagd om bewijsstukken, zoals de overeenkomsten van gastouderopvang.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

609.