Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201502712/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college zijn beslissing om op 22 september 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: het Uitvoeringsbesluit) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502712/1/A4.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2014 heeft het college zijn beslissing om op 22 september 2014 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: het Uitvoeringsbesluit) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 10 maart 2015 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2015, waar het college, vertegenwoordigd door A.A. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening stelt het college de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden.

Ingevolge het tweede lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is het aanbieden van inzamelmiddelen toegestaan vanaf 22.00 uur op de avond voorafgaand aan de dag van inzameling tot 7.45 uur op de dag van inzameling zelf.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak met huishoudelijke afvalstoffen die op 22 september 2014 is aangetroffen op de Loosduinseweg ter hoogte van nummer 619 te Den Haag. Niet in geschil is dat de huisvuilzak van [appellant] afkomstig is en dat voor de Loosduinseweg vrijdag is aangewezen als dag van inzameling.

3. [appellant] betwist dat hij de aangetroffen huisvuilzak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden. Hij stelt dat hij de huisvuilzak op vrijdag 19 september 2014 om 7.15 uur ter inzameling heeft aangeboden. Volgens [appellant] heeft hij deze zak tezamen met een andere huisvuilzak op de inzamelplaats gezet waar op dat moment ook al een aantal andere huisvuilzakken was geplaatst. Vervolgens is hij vertrokken naar Zuid-Limburg. Toen hij op maandagmiddag 22 september 2014 terugkwam, waren de huisvuilzakken weg. [appellant] stelt dat de aangetroffen huisvuilzak waarschijnlijk niet is opgehaald, maar dat hij door zijn verblijf in Zuid-Limburg niet in staat is geweest dit te controleren. Hij stelt dat hij, als hij had gezien dat de huisvuilzak was blijven staan, deze weer mee naar binnen had genomen, dat hij zijn huisvuilzakken altijd op de juiste wijze ter inzameling aanbiedt en dat hij, als hij van plan was geweest de huisvuilzak verkeerd ter inzameling aan te bieden, geen adresdragers in de huisvuilzak zou hebben gedaan.

3.1. Met deze enkele stellingen heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij de op maandag 22 september 2014 aangetroffen huisvuilzak op vrijdag 19 september 2014 voor 7.45 uur ter inzameling heeft aangeboden en dat de zak die vrijdag bij de inzameling is blijven staan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van onregelmatigheden bij het ophalen van huisvuil langs de Loosduinseweg op vrijdag 19 september 2014. Gelet hierop heeft het college ervan mogen uitgaan dat [appellant] de vuilniszak heeft aangeboden buiten de ingevolge artikel 6, tweede lid, van de het Uitvoeringsbesluit toegestane periode van 22.00 uur op de avond voorafgaand aan de dag van inzameling tot 7.45 uur op de dag van inzameling zelf, zodat [appellant] artikel 10, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening heeft overtreden.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

462-811.