Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
201410084/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2014" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/243 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410084/1/R2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Wijchen,

2. [appellant sub 2], wonend te Wijchen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wijchen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan

"Buitengebied herziening 2014" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2015, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 2], bijgestaan door [appellant sub 1], en de raad, vertegenwoordigd door mr. Y. Sieuwerts en drs. P.M.J. Vereijken, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen", dat door de raad op 9 juni 2011 is vastgesteld en door de raad op 31 januari 2013 opnieuw, gewijzigd, is vastgesteld.

Formeel bezwaar

3. [appellant sub 1] betoogt dat beantwoording van zijn zienswijze ten onrechte slechts ten dele, althans niet sluitend is afgedaan.

3.1. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Mestopslag en stal

4. [appellant sub 1] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" voor het perceel [locatie 1]-[locatie 2] en de daaraan toegekende aanduiding "bouwvlak". Hij betoogt dat de op zijn perceel aanwezige mestvaalt ten onrechte niet binnen het bouwvlak is opgenomen. De Beslisnota Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied (hierna: de Beslisnota) en de Reactienota zienswijzen zijn op dit punt met elkaar in tegenspraak, aldus [appellant sub 1]. Hij voert aan dat reeds in 1988 een vergunning is verleend voor de mestvaalt en dat hij er recht op en belang bij heeft dat zijn gehele bedrijf als zodanig wordt bestemd, inclusief de reeds bestaande en vergunde mestvaalt. Voorts is volgens hem niet zeker dat de begrenzing van het in het plan opgenomen bouwvlak zodanig is aangepast dat de door hem gewenste nog te bouwen nieuwe stal met een breedte van 18,5 meter volledig binnen het bouwvlak kan worden gerealiseerd.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bedrijf van [appellant sub 1] passend is bestemd. Reeds voor de terinzagelegging van het ontwerpplan zijn volgens de raad met [appellant sub 1] afspraken gemaakt over hoe het bouwvlak op het perceel [locatie 1]-[locatie 2] zou worden ingepast in het plan. Deze afspraken zijn neergelegd in de "Overeenkomst ten behoeve van aanpassing van het bestemmingsplan Buitengebied met betrekking tot het perceel [locatie 2] Wijchen", gesloten op 9 juli 2014 tussen de gemeente Wijchen, vertegenwoordigd door haar burgemeester, handelend ter uitvoering van een besluit van het college van burgemeester en wethouders van 8 juli 2014, en [appellant sub 1]. Het in het plan opgenomen bouwvlak is volgens de raad ingepast overeenkomstig de gemaakte afspraken. Om te komen tot een goede inpassing zijn de tekeningen behorende bij de aanvraag van [appellant sub 1] om een omgevingsvergunning voor de bouw van een stal als uitgangspunt genomen, aldus de raad. De contouren van deze tekeningen heeft de raad vergeleken met de contouren van het bouwvlak uit het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen", waarbij een aantal overschrijdingen is geconstateerd. Deze overschrijdingen zijn opgeheven met het in het plan opgenomen bouwvlak, aldus de raad.

Anders dan [appellant sub 1] stelt is er volgens de raad geen sprake van een tegenstrijdigheid tussen de Beslisnota en Reactienota zienswijzen, nu onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de thans aanwezige mestvaalt en anderzijds de tegelijk met de beoogde stal op te richten mestplaat, dat wil zeggen de opslag voor vaste mest. De door [appellant sub 1] beoogde mestplaat die grenst aan de beoogde stal is binnen het in het plan opgenomen bouwvlak gelegen, aldus de raad. Ten aanzien van de bestaande mestvaalt is volgens de raad in rechte komen vast te staan dat daarvoor geen regeling behoefde te worden opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen". In dit verband wijst de raad op de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2012, in zaak nr. 201109664/1/T1/R2 en van 16 oktober 2013, in zaak nr. 201109664/1/R2. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, aldus de raad.

4.2. Aan het perceel [locatie 1]-[locatie 2] is, voor zover thans van belang, de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" met de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke bouwaanduiding - onbebouwd bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 1.10, van de planregels wordt aanvullend en in afwijking ten opzichte van artikel 1 uit het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" verstaan onder mestplaat: een constructie in de vorm van een verharde vloer, al dan niet voorzien van keerwanden bedoeld voor de opslag van meststoffen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 2" aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor:

a. bedrijfsmatig dan wel hobbymatig agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;

(…).

Ingevolge lid 5.2.3 mogen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" uitsluitend worden opgericht:

a. agrarische bedrijfsgebouwen;

(…);

g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch bedrijf;

(…);

i. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - onbebouwd bouwvlak" zijn, in afwijking van het gestelde in a tot en met d, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van veevoeder- en/of mestopslag toegestaan, zoals kuilvoerplaten, mestplaten en sleufsilo's.

Ingevolge lid 5.2.8, aanhef en onder a, geldt voor het oprichten van bouwwerken buiten het bouwvlak dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming mogen worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat het oprichten van sleufsilo's, kuilvoerplaten en mestplaten niet is toegestaan.

4.3. De afstand van de achtergevel van de op het perceel [locatie 1] aanwezige bedrijfswoning tot de noordoostelijke grens van het in het plan opgenomen bouwvlak bedraagt ongeveer 19 meter.

4.4. Vast staat dat het in het plan opgenomen bouwvlak is aangepast naar aanleiding van de tussen de gemeente Wijchen en [appellant sub 1] gemaakte afspraken. In de ontwerpfase van het plan is het bouwvlak van vorm veranderd en enigszins verruimd. Blijkens de verbeelding is een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van 400 m2 aan de zuidzijde van het perceel [locatie 1]-[locatie 2] mogelijk gemaakt. De raad heeft onweersproken gesteld dat deze uitbreiding mogelijk is gemaakt ter compensatie van de beëindiging van de op het perceel aanwezige mestvaalt ten noordwesten van de bestaande bedrijfswoning, één jaar na verlening en onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu.

Binnen het in het plan opgenomen bouwvlak is ingevolge artikel 5, lid 5.2.3, aanhef en onder a en g, van de planregels een stal en een mestplaat toegestaan. Blijkens de tekening behorende bij de aanvraag van [appellant sub 1] om een omgevingsvergunning voor de bouw van de beoogde stal en naar [appellant sub 1] ter zitting heeft bevestigd, wenst hij ten noordoosten van zijn perceel, grenzend aan de bestaande bedrijfswoning op het perceel [locatie 1], een stal met aansluitend ten noorden daarvan een opslag voor vaste mest te realiseren. De kortste afstand van de achtergevel van de bedrijfswoning tot de noordoostelijke grens van het bouwvlak bedraagt ongeveer 19 meter, waardoor de beoogde stal met een breedte van 18,5 meter binnen het bouwvlak kan worden gebouwd. Nu de raad heeft aangesloten bij de tekening behorende bij de aanvraag van [appellant sub 1] om een omgevingsvergunning voor de bouw van de beoogde stal en het bouwvlak blijkens de verbeelding van het plan is aangepast zodat zowel de beoogde stal als de gewenste mestplaat die grenst aan de beoogde stal binnen het bouwvlak vallen, hetgeen tevens inzichtelijk is gemaakt in de email van 13 maart 2015 van planoloog ir. G.P.A. Willems, werkzaam bij Pouderoyen Compagnons, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bedrijf van [appellant sub 1] in zoverre niet passend is bestemd.

Dat de reeds bestaande mestvaalt op het perceel [locatie 1] niet valt binnen het bouwvlak, doet hieraan niet af, aangezien de Afdeling in haar uitspraak van 21 november 2012 in zaak nr. 201109664/1/T1/R2 heeft geoordeeld dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mestvaalt legaal is opgericht en dat de raad in redelijkheid aanleiding heeft kunnen zien om de op het perceel [locatie 1] aanwezige mestvaalt destijds buiten het bouwvlak te houden. Mede gelet op het verhandelde ter zitting alsmede op het standpunt van de raad dat de mestvaalt op de huidige locatie ongewenst is en er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, biedt hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding om hier thans anders over te oordelen. Voor zover [appellant sub 1] in zijn nader stuk en ter zitting heeft gesteld dat de bestaande mestvaalt onder het overgangsrecht is komen te vallen, wordt overwogen dat dit, wat daarvan ook zij, op zichzelf evenmin aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan aanleiding had moeten zien om de bestaande mestvaalt alsnog als zodanig te bestemmen. Daarbij is van belang dat voor bouwwerken die zonder omgevingsvergunning voor bouwen zijn opgericht, in beginsel geen regeling hoeft te worden opgenomen in het plan, omdat in zoverre geen sprake is van verkregen rechten.

Het betoog faalt.

Beroep of bedrijf binnen de woonbestemming

5. [appellant sub 1] kan zich voorts niet verenigen met de in het plan opgenomen mogelijkheden voor beroep of bedrijf aan huis binnen woonbestemmingen. Hij vreest de omzetting van het gebruik van een niet voor wonen bestemd bijgebouw naar een beroep of bedrijf, waardoor op te korte afstand van zijn bedrijf een geurgevoelig object kan ontstaan. In dit verband wijst [appellant sub 1] in zijn nader stuk op de naast zijn bedrijf gelegen woonboerderij op het perceel [locatie 3], waar op minder dan 25 meter van zijn perceel een bijgebouw kan worden opgericht ten behoeve van kantoor of bedrijfsruimte.

5.1. Het perceel [locatie 3] maakt geen onderdeel uit van de herziening. Blijkens de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" is aan dit perceel de bestemming "Wonen - 1" toegekend. De mogelijkheid van beroep of bedrijf aan huis bij "Wonen - 1" is reeds voorzien in artikel 21.1.2, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen". Het onderhavige plan brengt hierin geen wijziging. Het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" ligt niet ter beoordeling voor. [appellant sub 1] had zijn vrees voor de omzetting van het gebruik van een niet voor wonen bestemd bijgebouw naar een beroep of bedrijf, waardoor op te korte afstand van zijn bedrijf een geurgevoelig object kan ontstaan, wat daarvan ook zij, kenbaar moeten maken in de beroepsprocedure tegen het besluit van de raad van 9 juni 2011 tot vaststelling van bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen".

Het betoog faalt.

Vergunningstelsel voor werken en werkzaamheden

6. Het beroep van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] is gericht tegen de omgevingsvergunningplicht voor werken en werkzaamheden binnen agrarische bestemmingen. Zij kunnen zich beiden niet verenigen met de omgevingsvergunningplicht opgenomen in de bestemming "Agrarisch met waarden - 2", zoals neergelegd in artikel 5, lid 5.7.4 van de planregels.

[appellant sub 2] heeft voorts bezwaar tegen de omgevingsvergunningplicht voor werken en werkzaamheden opgenomen in de bestemming "Agrarisch met waarden - 1", zoals neergelegd in artikel 4, lid 4.7.4 van de planregels, de bestemming "Agrarisch met waarden - 3", zoals neergelegd in artikel 6, lid 6.6.4 van de planregels, de bestemming "Natuur - 1", zoals neergelegd in artikel 14, lid 14.5.4 van de planregels en de bestemming "Natuur - 2", zoals neergelegd in artikel 15, lid 15.4.4 van de planregels.

[appellant sub 1] betoogt dat voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zoals het ophogen van percelen geen voorschriften of beperkingen gelden en dat het plan had moeten voorzien in een deugdelijk kader voor het afstemmen van werken en werkzaamheden met aangrenzende eigenaren en (agrarische) ondernemers. [appellant sub 2] voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een verplichting om bij het uitvoeren van werken en werkzaamheden rekening te houden met eventuele schade aan en overlast voor naastgelegen percelen of bedrijven. Nu binnen de bestemming "Natuur - 1" is opgenomen dat met betrekking tot waterhuishoudkundige doeleinden geldt dat de gronden binnen deze bestemming tevens bestemd zijn voor waterberging, is het volgens hem thans mogelijk om een sloot te graven zonder een nadere toetsing. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een poldersloot met keurzone komt te liggen op zijn perceel, hetgeen tot waardevermindering van eigendom zou kunnen leiden, aldus [appellant sub 2].

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de regels voor het verlenen van vergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zijn vereenvoudigd met als doel om te komen tot een betere afstemming tussen de criteria voor vergunningverlening en de onderliggende bestemming. Er is afgestapt van het ‘noodzakelijkheidscriterium’ om gewenst grondgebruik niet onnodig te belemmeren, aldus de raad. Evenals in het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" geldt volgens de raad in het kader van de herziening nog steeds dat de vergunningplicht voor werken en werkzaamheden is opgenomen om te verzekeren dat door handelingen die op zichzelf passen binnen de doeleindenomschrijving van de betreffende bestemming, geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden van de betreffende gronden. Voorts geldt dat expliciet is opgenomen dat het werk of de werkzaamheid in overeenstemming moet zijn met het gebruik overeenkomstig de bestemming, aldus de raad. De raad wijst erop dat met het opnemen van de vergunningplicht nimmer is beoogd te voorzien in een aanvullende bescherming van de belangen van naastgelegen percelen tegen gebruik overeenkomstig de betreffende bestemming.

6.2. Anders dan [appellant sub 2] in zijn nader stuk stelt, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het ophogen en afgraven van de bodem handelingen zijn die op zichzelf passen binnen de doeleindenomschrijving van de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 1", "Agrarisch met waarden - 2" en "Agrarisch met waarden - 3" en dat het plan in zoverre geen wijziging met zich brengt ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen". Voorts zijn artikel 4, lid 4.7.4, artikel 5, lid 5.7.4, en artikel 6, lid 6.6.4, van de planregels in zoverre ongewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" dat het afgraven, ophogen en egaliseren van de bodem binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 1", "Agrarisch met waarden - 2" en "Agrarisch met waarden - 3" zijn aangewezen als werken of werkzaamheden die omgevingsvergunningplichtig zijn.

De raad heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat het plan in zoverre een wijziging ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" met zich brengt dat binnen het omgevingsvergunningstelsel de bewijslast voor de aanvrager van de als vergunningplichtig aangewezen werken en werkzaamheden is versoepeld, nu niet langer geldt dat deze noodzakelijk dienen te zijn in het kader van het gebruik overeenkomstig de bestemming doch slechts dat het werk of de werkzaamheid in overeenstemming dient te zijn met het gebruik overeenkomstig de bestemming, waaronder ook valt het agrarisch grondgebruik. [appellant sub 1] noch [appellant sub 2] heeft aannemelijk gemaakt dat hij door deze wijziging onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

Gelet op het doel van het vergunningstelsel, namelijk het beschermen van bepaalde waarden die samenhangen met de betreffende bestemming, biedt hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorziet in een deugdelijk toetsingskader.

De betogen falen.

6.3. Voorts kan [appellant sub 2] niet worden gevolgd in zijn betoog dat het plan het thans mogelijk maakt een sloot te graven zonder nadere toetsing. Volgens de doeleindenomschrijving van de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 1", Agrarisch met waarden - 2", "Agrarisch met waarden - 3", "Natuur - 1" en "Natuur - 2" zijn de gronden mede bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden. Blijkens de definitiebepaling van artikel 1.115 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" wordt onder waterhuishoudkundige doeleinden verstaan, doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van beheer en onderhoud van een watergang e.d.. Hieronder kan worden begrepen het graven van watergangen. Ingevolge artikel 4, lid 4.7.4, artikel 5, lid 5.7.4 en artikel 14, lid 14.5.4 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" is het graven en dempen van waterpartijen en watergangen als vergunningplichtig aangewezen. Het onderhavige plan brengt hierin geen wijziging ten opzichte van het voorgenoemde bestemmingsplan.

Dat in artikel 14, lid 14.1.2, aanhef en onder e, van de planregels is opgenomen dat binnen de bestemming "Natuur - 1" met betrekking tot waterhuishoudkundige doeleinden geldt, dat de gronden binnen deze bestemming tevens zijn bestemd voor waterberging, maakt niet dat eerst daarmee het graven van een nieuwe watergang mogelijk wordt gemaakt. Voorts kan [appellant sub 2] niet worden gevolgd in zijn betoog dat nu de definitiebepaling van waterhuishoudkundige doeleinden in artikel 1.115 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" niet is uitgebreid met waterberging, de raad niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen. Zoals uit de plantoelichting blijkt en de raad ter zitting heeft toegelicht, is met artikel 14, lid 14.1.2, aanhef en onder e van de planregels alleen beoogd binnen de bestemming "Natuur - 1" gronden die worden gebruikt voor waterhuishoudkundige doeleinden tevens te bestemmen voor waterberging. De raad heeft niet bedoeld onder waterhuishoudkundige doeleinden in algemene zin tevens waterberging te verstaan en daarmee binnen alle bestemmingen waarbinnen de gronden mede bestemd zijn voor waterhuishoudkundige doeleinden, deze gronden mede voor waterberging aan te wijzen. Uit de planregels van onderhavig plan gelezen in samenhang met de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" volgt dat alleen de voor "Agrarisch met waarden - 3", "Natuur - 1", "Natuur - 2" en "Water" aangewezen gronden tevens bestemd zijn voor waterberging. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geschaad voor zover in het plan thans op gronden met de bestemming "Natuur - 1" waterberging mogelijk wordt gemaakt.

Het betoog faalt.

6.4. Voor zover [appellant sub 2] heeft beoogd te betogen dat gevreesd moet worden dat het plan zal leiden tot waardevermindering van zijn eigendom, wordt overwogen dat hetgeen hij heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Wijziging agrarische bestemming naar natuurbestemming

7. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte de agrarische bestemmingen kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Natuur - 1" zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met omliggende percelen. Hierdoor kunnen zonder nadere afweging tientallen hectares waterberging worden aangelegd, aldus [appellant sub 2].

7.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.8.5, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" (gedeeltelijk) wijzigen in de bestemming "Natuur - 1" mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet onevenredig geschaad;

b. het bepaalde in "Natuur - 1" is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 5, lid 5.8.5, kunnen burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" (gedeeltelijk) wijzigen in de bestemming "Natuur - 1" mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden worden niet onevenredig geschaad;

b. het bepaalde in artikel 14 "Natuur - 1" is van overeenkomstige toepassing.

7.2. Via de wijzigingsbevoegdheden zoals neergelegd in artikel 4, lid 4.8.5 en artikel 5, lid 5.8.5 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" kunnen de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 1" en "Agrarisch met waarden - 2" worden omgezet naar de bestemming "Natuur - 1". Hoewel deze bepalingen geen onderdeel uitmaken van de thans aan de orde zijnde herziening, wordt met de toevoeging van waterberging zoals omschreven in artikel 14, lid 14.1.2, aanhef en onder e, van de planregels, binnen de bestemming "Natuur - 1" via genoemde wijzigingsbevoegdheden eveneens waterberging op de gronden die thans nog zijn bestemd als "Agrarisch met waarden - 1" en "Agrarisch met waarden - 2" mogelijk gemaakt, zodat in zoverre, anders dan de raad stelt, inhoudelijk aan het betoog van [appellant sub 2] wordt toegekomen.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, nu de gronden die zijn aangewezen voor "Natuur - 1" tevens zijn bestemd voor waterberging, de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie die door het gebruik van de wijzigingsbevoegheid kan ontstaan in beginsel aanvaardbaar kan worden geacht. Nu van de in artikel 4, lid 4.8.5 en artikel 5, lid 5.8.5 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Wijchen" neergelegde wijzigingsbevoegdheden slechts gebruik kan worden gemaakt indien de belangen van de in de omgeving aanwezige functies en waarden niet onevenredig worden geschaad, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de genoemde agrarische bestemmingen kunnen worden gewijzigd in de bestemming "Natuur - 1" zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met omliggende percelen.

Het betoog faalt.

Overig

8. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben zich beiden in hun beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben beiden in hun beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Van der Wiel

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015

343-823.