Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:244

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
201311489/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2008, [locaties] te [plaats], Boxmeer" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311489/1/R3.

Datum uitspraak: 4 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Boxmeer,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied 2008, [locaties] te [plaats], Boxmeer" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 december 2013 heeft het college het besluit van 29 oktober 2013 gewijzigd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P.L.M. van de Velden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], belanghebbenden, bijgestaan door [persoon] en [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], belanghebbende, gehoord.

Overwegingen

1. Bij het besluit van 10 december 2013 heeft het college het besluit van 29 oktober 2013 gewijzigd door het bouwvlak aan te passen. Mede gelet op de toelichting van [appellant] ter zitting vat de Afdeling zijn beroep op als te zijn gericht tegen het bij besluit van 10 december 2013 ontstane wijzigingsplan. De Afdeling zal dit wijzigingsplan beoordelen.

2. Met het wijzigingsplan is beoogd de vestiging van een champignonbroedbedrijf aan [locatie 1] te [plaats] mogelijk te maken. Hiertoe is de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" aan het perceel toegekend.

3. [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgrond ten aanzien van de nabij het plangebied gelegen dassenburcht ingetrokken.

4. [appellant], die woont aan [locatie 2], kan zich niet verenigen met het plan. Hij betoogt dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden in artikel 3.3, lid 3.3.5.B, van de planregels van het bestemmingsplan. Zo is volgens hem geen sprake van omschakeling, omdat op het perceel aan de Breid 4 geen agrarische activiteiten meer worden geëxploiteerd. Indien desondanks wel sprake zou zijn van omschakeling, is volgens [appellant] onvoldoende onderzocht dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) heeft zich hier in haar advies volgens hem niet over uitgelaten. [appellant] stelt voorts dat gelet op de aard en omvang van het voorziene bedrijf geen sprake is van een agrarisch bedrijf, maar van een industrieel bedrijf. Hij wijst erop dat een vergelijkbaar bedrijf in de gemeente Horst is gevestigd op een industrieterrein. In het verzoek tot vaststelling van het wijzigingsplan staat volgens [appellant] ten onrechte dat het gaat om een broedteeltbedrijf, omdat er geen teelt zal plaatsvinden. Dat ter controle af en toe champignonbroed wordt uitgezet op een compostondergrond maakt dit volgens hem niet anders, nu deze activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit. Bovendien kunnen champignonbroed en champignons volgens [appellant] niet worden aangemerkt als gewas, omdat een champignon een schimmel is en geen plant.

4.1. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" zijn aan het plandeel voor [locatie 1] de gebiedsaanduiding "AHS-agrarisch gebied", de aanduiding "ca: akker" en de detailbestemming "Agrarische bedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 0.3 van de planregels wordt in deze regels verstaan onder:

agrarisch bedrijf: een bedrijf in hoofdzaak gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het fokken of anderszins houden van vee of andere dieren, waarbij in geval van paarden dat uitsluitend het voortbrengen van (producten van) paarden betreft, zoals bij fokken, hengstenhouderij of paardenmelkerij; niet-zelfstandige (aan het agrarisch bedrijf gekoppelde) biomassa(co)-vergisting wordt in dit verband aangemerkt als onderdeel van een agrarisch (veehouderij)bedrijf;

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde/open grond in de directe omgeving van het bedrijf; hieronder worden in ieder geval verstaan: intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven, champignonkwekerijen, witlofkwekerijen, andere plantenteelt- of kwekerijbedrijven waarbij de teelt plaatsvindt in gebouwen, sommige vis- en wormenkwekerijen.

overig niet grondgebonden agrarisch bedrijf: een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, anders dan een intensieve veehouderij of een glastuinbouwbedrijf.

omschakeling naar een andere agrarische bedrijfsvorm of -tak: het geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm of -tak naar een andere agrarische bedrijfsvorm of -tak.

Ingevolge artikel 1.4, onder A, aanhef en tweede lid, zijn de op de plankaart 1 voor "AHS-agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden in het algemeen en in het bijzonder de volgende op de plankaart aangeduide landschappelijke waarden, vanwege hun abiotisch, cultuurhistorisch en/of visueel-ruimtelijk belang:

- "h: hydrologisch waardevol";

- "ca: akker";

- "o: visueel-ruimtelijk waardevol; openheid".

Ingevolge artikel 2.1, onder A, zijn de op plankaart 2 voor "Agrarische bedrijven" aangewezen gronden bestemd voor:

1. agrarische doeleinden voor niet meer dan één agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak/bouwblok waarbij, als bedrijfsvorm (al of niet met een combinatie van meerdere bedrijfstakken), is toegestaan:

[…]

- uitsluitend op bouwblokken met de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf", (tevens) een overig niet-grondgebonden agrarisch(e) bedrijf(stak).

Ingevolge artikel 3.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, volgens schema 3.3.0 de daarin genoemde onderdelen van het plan te wijzigen voor de omschreven ontwikkelingen of veranderingen, met inachtneming van:

- de betreffende voorwaarden onder 3.3.1 tot en met 3.3.12 waarnaar verwezen wordt in het schema;

- de procedure volgens afdeling 3.4 van de Awb.

Uit schema 3.3.0 volgt dat het college bevoegd is het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van een omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 3.3.5.B is het wijzigen voor omschakeling op bedrijfsniveau naar een overig niet-grondgebonden bedrijfs(tak) binnen een agrarisch bouwblok c.q. de detailbestemming "Agrarische bedrijven", zonder de aanduiding "overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf", toegestaan onder de volgende voorwaarden:

1. De omschakeling dient noodzakelijk te zijn uit een oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

(…)

6. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB over tenminste de hierboven onder 1 genoemde voorwaarde.

Ingevolge artikel 3.4, lid 3.4.1, moet een initiatief waarvoor de bestemming wordt gewijzigd redelijkerwijs uitvoerbaar en aanvaardbaar zijn, mede gelet op ‘buitenplanse’ ruimtelijke randvoorwaarden vanuit andere wet- of regelgeving en bindend beleid op het terrein van bodem, water, natuur, landschap, milieu en veiligheid.

4.2. Uit de planregels van het bestemmingsplan valt niet af te leiden dat van omschakeling geen sprake is in de situatie dat een wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid een andere bedrijfstak of -vorm uit te oefenen terwijl bij de vaststelling geen agrarisch bedrijf in werking is. Een dergelijke uitleg zou ertoe leiden dat bij bestaande, maar onbenutte agrarische bouwvlakken alleen omschakeling kan plaatsvinden indien eerst een nieuw agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd en dan een wijzigingsplan wordt vastgesteld dat voorziet in de mogelijkheid een andere bedrijfstak of -vorm uit te oefenen.

Het college heeft zich voor de vaststelling van het plan gebaseerd op het advies van de AAB. In dit advies staat dat de beoogde bedrijfsbebouwing is afgestemd op de toekomstige bedrijfsvoering en dat deze noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Gelet hierop en nu de beoogde bedrijfsvoering alleen mogelijk is door de omschakeling waarin het plan voorziet, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde dat de omschakeling noodzakelijk is uit een oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering of dat dit onvoldoende is onderzocht.

In het advies van de AAB staat voorts dat het champignonbroedbedrijf een bijzonder en onderscheidend karakter heeft. De productie van broed voor champignonkwekerijen vindt slechts plaats door een zeer beperkt aantal ondernemingen. Verder staat in het advies dat de productie van champignonbroed in essentie het doorgroeien van graankorrels met mycelium betreft. Deze doorgroeide graankorrels betreffen het eindproduct van het champignonbroedbedrijf. De overige bedrijfsactiviteiten zullen ten dienste staan van en ondersteunend zijn aan dit primaire proces. De AAB stelt dat de productie van champignonbroed gelet hierop het meest aansluit bij de begripsbepaling van niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in de planregels van het bestemmingsplan. De kernactiviteit van het bedrijf kan worden omschreven als het voortbrengend vermogen van de onbebouwde of open grond in de directe omgeving van het bedrijf. Aangezien er geen sprake is van het houden van vee, is sprake van een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op het advies van de AAB. Voor zover [appellant] erop wijst dat de AAB in haar advies stelt dat het champignonbroedbedrijf aspecten in zich heeft van een agrarisch-technische bedrijfsvoering, is van belang dat dit er niet aan af doet dat het champignonbroedbedrijf volgens de AAB primair moet worden aangemerkt als niet-grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Dit heeft de AAB in haar brief van 23 oktober 2014 aan het college nogmaals bevestigd. Voorts betekent de omstandigheid dat een champignon een schimmel is niet dat champignons en champignonbroed niet kunnen worden aangemerkt als gewas en dat derhalve geen sprake zou zijn van teelt. Zoals [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ter zitting hebben toegelicht is het mycelium dat het champignonbroedbedrijf zal produceren als het ware een plantje en de champignon is daar de vrucht van.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden in artikel 3.3, lid 3.3.5.B, van de planregels van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts in zijn beroepschrift dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de artikelen 7.4 en 8.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012). Het college wijst er weliswaar op dat de aanduiding "ca: akker" ook na de vaststelling van het wijzigingsplan van toepassing blijft op het plangebied, maar de vestiging van een champignonbroedbedrijf is volgens [appellant] niet te verenigen met de ter plaatse te beschermen waarden die zijn gelegen in de afwisseling tussen de bebouwing in combinatie met de visuele openheid van de aanwezige akkercomplexen.

5.1. Ter zitting heeft [appellant] te kennen gegeven dat niet meer in geschil is dat het wijzigingsplan niet is vastgesteld in strijd met artikel 8.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor een inhoudelijke bespreking van dit betoog in het beroepschrift. Het betoog faalt.

5.2. Het plangebied is in het bij de Verordening 2012 behorende kaartmateriaal aangewezen als onderdeel van een cultuurhistorisch vlak vanwege de afwisseling en de openheid van het akkerlandschap.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 wordt, tenzij de strekking van de bepaling zich daartegen verzet dan wel in deze verordening uitdrukkelijk anders is aangegeven, bij toepassing van deze verordening onder bestemmingsplan tevens begrepen een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 7.4, aanhef en onder a, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een gebied met cultuurhistorische vlakken mede tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Ingevolge het bepaalde onder b stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in een gebied met cultuurhistorische vlakken regels ter bescherming van de onderscheiden gebieden.

5.3. De Afdeling volgt het college in zijn stelling zoals ingenomen in de nota van zienswijzen dat met het wijzigingsplan alleen de detailbestemmingskaart van het bestemmingsplan is gewijzigd. Het wijzigingsplan wordt geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan. De gebiedsaanduiding "AHS-agrarisch gebied" en de aanduiding "ca: akker" en de hierbij behorende bestemmingsplanregels zijn derhalve nog steeds van toepassing op het plangebied.

De Afdeling stelt voorts vast dat het wijzigingsplan voorziet in dezelfde bouwmogelijkheden als het bestemmingsplan en dat van deze bouwmogelijkheden reeds gebruik is gemaakt. Door [bedrijf] is ter zitting onweersproken toegelicht dat de voormalige pluimveestallen inmiddels zijn gesloopt, maar dat de loods nog aanwezig is op het perceel. Gelet op deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan niet strekt tot behoudt van de cultuurhistorische waarden die in het plangebied aanwezig zijn.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de te verwachten verkeerstoename op de Breid en de daarmee samenhangende geluidbelasting ten gevolge van het plan. Hij stelt dat het beoogde champignonbroedbedrijf een arbeidsomvang van 50 fte heeft en het bedrijf laad- en losverkeer zal genereren.

6.1. Het college stelt dat de Breid breed is voor een erftoegangsweg en is voorzien van vrij liggende fietspaden. De bestaande verkeersintensiteit op de weg is laag en het extra verkeer, voor zover daarvan al sprake zou zijn, kan volgens het college op de Breid goed worden verwerkt. Volgens het college zijn hooguit twee vrachtwagenbewegingen per dag te verwachten, terwijl de voormalige pluimveehouderij ook verkeer genereerde. Daarvan is in het verleden geen verkeershinder ondervonden. Voorts heeft het college ter zitting onweersproken toegelicht dat het perceel aan de Breid 4 niet via de Breid, maar via de Bredeweg wordt ontsloten en dat het (vracht)verkeer daarna de Breid oprijdt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat een zodanige toename van het verkeer valt te verwachten dat deze op de Breid niet kan worden verwerkt of dat deze tot een onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van zijn woning zal leiden. Het betoog faalt.

7. [appellant] stelt dat niet zeker is dat het plan uitvoerbaar is, omdat het aantal champignonbedrijven in Nederland daalt.

7.1. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben ter zitting toegelicht dat de productie van champignons weliswaar wordt verplaatst, maar dat de productie na een groeiperiode al jaren stabiel is. Voorts heeft het college gesteld dat het champignonbroedbedrijf levensvatbaar is en al verschillende investeringen in het bedrijf zijn gedaan. Champignonbroed kan volgens het college voorts goed geëxporteerd worden. Mede gelet op deze toelichtingen ter zitting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan binnen de planperiode niet uitvoerbaar zal zijn. Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015

653.