Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201502305/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1675, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201502305/1/V2.

Datum uitspraak: 23 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 maart 2015 in zaak nr. 12/37609 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven 1 en 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij aan zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank miskend dat uit de algemene ambtsberichten inzake Sri Lanka van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2013 en oktober 2014 (hierna respectievelijk: het ambtsbericht van juni 2013 en het ambtsbericht van oktober 2014) volgt dat Tamils die als asielzoeker terugkeren naar Sri Lanka bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Deze omstandigheid is een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, aldus de vreemdeling.

1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 27 januari 2011, een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 4 februari 2011 is deze aanvraag afgewezen. Het besluit van 29 november 2012 is derhalve van gelijke strekking als het besluit van 4 februari 2011, zodat op het beroep tegen het besluit van 29 november 2012 voormeld beoordelingskader van toepassing is.

1.4. De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende aanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat de risico's op een onmenselijke behandeling voor naar Sri Lanka terugkerende Tamils in relevante mate zijn toegenomen. Daarbij heeft hij onder meer verwezen naar het ambtsbericht van juni 2013.

1.5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 juni 2014 in zaak nr. 201400058/1/V2 overwogen dat uit de in die zaak overgelegde stukken - waaronder het ambtsbericht van juni 2013 en de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 juli 2013, GJ and Others (post-civil war: returnees) Sri Lanka CG [2013] UKUT 00319 (IAC) (https://tribunalsdecisions.service.gov.uk) - volgt dat met name activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka, omdat zij een significante rol spelen in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka naar een onafhankelijke Tamil-staat of het doen herleven van het gewapende conflict in Sri Lanka, bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan. In het ambtsbericht van oktober 2014 wordt deze ontwikkeling bevestigd. Daarin is vermeld dat personen die kritische vragen stellen of in het buitenland asiel zoeken bij terugkeer in toenemende mate het risico lopen dat zij als landverraders worden beschouwd. Volgens het ambtsbericht van oktober 2014 kunnen ondervragingen hardhandig zijn en worden repatrianten, ook als ze eenmaal terug in hun dorpen zijn, in het oog gehouden. Blijkens hetzelfde ambtsbericht staan vooral verdedigers van mensenrechten, onafhankelijke journalisten, vermeende aanhangers van de Liberation Tigers of Tamil Eelam en zij die via internationale fora aandacht vragen voor deze thema's in de negatieve aandacht van de autoriteiten.

Aldus blijkt uit het ambtsbericht van juni 2013 dat de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten voor Tamils die terugkeren uit het buitenland zich heeft geïntensiveerd. Nu er op basis van de eerdere procedure van moet worden uitgegaan dat de vreemdeling Tamil is, hij na vertrek of uitzetting naar Sri Lanka uit het buitenland zal terugkeren en de uitspraak van 28 februari 2011 van de rechtbank in zijn vorige procedure van vóór het ambtsbericht van juni 2013 dateert, is deze intensivering voor de vreemdeling relevant en dus een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in 1.2.

De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2014, zijn de Sri Lankaanse autoriteiten inmiddels in staat gewone Sri Lankaanse remigranten, waaronder voormalige asielzoekers, te onderscheiden van activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka, omdat zij een significante rol spelen in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka naar een onafhankelijke Tamil-staat of het doen herleven van het gewapende conflict in Sri Lanka. Nu de vreemdeling, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met de door hem in beroep overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten als activist wordt beschouwd, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om die reden dan wel wegens de andere geloofwaardig geachte feiten en gebeurtenissen een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM indien hij zou moeten terugkeren naar Sri Lanka.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015

594.