Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201407549/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 30 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201407549/1/V1.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 augustus 2014 in zaak nr. 14/4495 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4], mede voor haar minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 30 juli 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2014 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2015, waar de vreemdelingen, bijgestaan door mr. T.L. Tan, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.N. Mons, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De vreemdelingen hebben aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de overgangsregeling van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: de Regeling), ten tijde van de aanvragen neergelegd in paragraaf B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).

2. Volgens paragraaf B22/3.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvragen en voor zover hier van belang, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht) of, in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, voogdijinstelling Nidos.

Volgens dezelfde paragraaf neemt de staatssecretaris aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de desbetreffende vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden sinds 27 juli 2010 bekend zijn bij de hiervoor genoemde instanties en niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld zijn geweest.

3. De staatssecretaris heeft de vreemdelingen tegengeworpen dat zij niet voldoen aan het vereiste dat zij zich sinds 27 juli 2010 niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan voornoemd toezicht (hierna: het toezichtsvereiste).

4. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vreemdelingen, die in 2006 een verzoekschrift bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) hebben ingediend waarop nog niet is beslist, niet in beeld zijn bij de Rijksoverheid zoals bedoeld in de Regeling, nu de Staat betrokken is bij die procedure en voorts namens de staatssecretaris ter zitting is toegelicht dat de toezegging om grensgevallen niet te strikt te beoordelen juist betrekking heeft op het toezichtsvereiste. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat het EHRM niet een in de Regeling genoemde instelling is, dat voormeld verzoekschrift niet onder verantwoordelijkheid van de IND wordt afgehandeld, dat bij het EHRM aangebrachte zaken niet zonder meer ter kennis van de Staat worden gebracht, dat het voeren van een procedure bij het EHRM geen rechtmatig verblijf oplevert en ten slotte dat ter zitting van de rechtbank niet is verklaard dat het toezichtsvereiste ruim zal worden uitgelegd.

4.1. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris ter toelichting van zijn standpunt opgemerkt dat hij weliswaar aanneemt dat een vreemdeling in beeld is bij de IND gedurende diens verblijfsprocedure, maar dat het indienen van een verzoekschrift bij het EHRM geen voortzetting is van die procedure. Een procedure bij het EHRM draagt niet het karakter van een appelprocedure, aldus de staatssecretaris. Volgens de staatssecretaris wordt een vreemdeling dan ook niet geacht in beeld te zijn bij de IND omdat hij een verzoekschrift heeft ingediend bij het EHRM. Dit is slechts anders indien de president van het EHRM een interim measure heeft getroffen. In dat geval heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf, hetgeen ook in de vreemdelingenadministratie wordt geregistreerd, aldus de staatssecretaris. Voorts heeft de staatssecretaris erop gewezen dat de Staat slechts van een verhoudingsgewijs gering aantal van de bij het EHRM aanhangig gemaakte verzoeken op de hoogte wordt gebracht en dat met het behandelen van een verzoek door het EHRM zeer veel tijd gemoeid kan zijn.

4.2. De staatssecretaris heeft zich gelet op het voorgaande en mede in het licht van de grote mate van beleidsvrijheid die hij heeft bij het vaststellen van de vereisten voor vergunningverlening op grond van de Regeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat de vreemdelingen een verzoekschrift bij het EHRM hebben ingediend, niet betekent dat zij, zolang nog niet op dat verzoek is beslist, zich niet hebben onttrokken aan het toezicht bedoeld in de Regeling.

Ten slotte blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank dat de gemachtigde van de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft verklaard dat de opmerking van de staatssecretaris over het niet te strikt beoordelen van grensgevallen erop ziet dat hij bijzondere omstandigheden in aanmerking zal nemen en dat het niet zo is dat het toezichtsvereiste ruim zal worden geïnterpreteerd.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.3. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, nu de staatssecretaris zich heeft neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 10 februari 2014 op andere gronden moet worden vernietigd.

4.4. Het hoger beroep is gegrond. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.225,00 (zegge: twaalfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

210.