Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201501160/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Brookhuis, De Duus" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/809

Uitspraak

201501160/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Agelo, gemeente Dinkelland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Brookhuis, De Duus" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.Y. Rutjes, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft de raad van de gemeente Dinkelland het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft dit plan op 11 november 2008 goedgekeurd. In het plan is aan de gronden waarop het thans bestreden besluit betrekking heeft, de bestemming "Cultuurgrond" met de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid 3" toegekend. Het besluit van het college van 9 december 2014 strekt ertoe om de bestemming van de gronden met toepassing van artikel 9, lid 9.6, van de planregels bij het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" te wijzigen in "Woondoeleinden 1" en "Tuin". Aldus wordt het bouwen van vijf vrijstaande woningen mogelijk gemaakt.

2. [appellant], die in de nabijheid van het plangebied woont, heeft naar voren gebracht dat het college ervoor heeft gekozen het wijzigingsplan niet te voorzien van specifiek daarvoor geldende planregels. In plaats daarvan heeft het college bepaald dat de regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" onverkort op het wijzigingsplan van toepassing zijn. Volgens [appellant] is dit niet toelaatbaar doordat de planregels aldus niet synchroon lopen met de bestemmingen zoals vermeld op de plankaart van het wijzigingsplan. Voorts vermelden de planregels bij het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis" wijzigingsbevoegdheden die niet van toepassing zijn op het wijzigingsplan zelf, aldus [appellant]. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat het college bij het nemen van zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze bezwaren, die hij reeds naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze tegen het ontwerpplan, het college geen aanleiding hebben gegeven om specifieke planregels te verbinden aan het wijzigingsplan.

3. De Afdeling overweegt dat er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel valt aan te wijzen op grond waarvan het in het algemeen ontoelaatbaar zou zijn om aan een wijzigingsplan dezelfde regels te verbinden als aan het bestemmingsplan dat in de wijzigingsbevoegheid voorziet. Het behoeft niet bezwaarlijk te zijn als een deel van de opgenomen regels gezien de bestemmingen en aanduidingen die zijn voorzien in het wijzigingsplan in de praktijk toepassing missen, mits het beginsel van rechtszekerheid in acht wordt genomen. Naar het oordeel van de Afdeling doet zich in dit geval geen strijd met dit beginsel voor. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het wijzigingsplan betrekkelijk kleinschalig is en slechts twee, ook in het bestemmingsplan voorkomende bestemmingen kent, waarbij alleen een minimale en maximale goot- en bouwhoogte is vermeld. Hierdoor is aanstonds duidelijk welke regels daadwerkelijk voor het wijzigingsplan van toepassing zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in de bij het bestreden besluit behorende reactienota zienswijzen voorts voldoende duidelijk uiteengezet waarom het in de zienswijze van [appellant] geen aanleiding heeft gevonden om in afwijking van het ontwerpplan voor een andere opzet van de planregels te kiezen. Het betoog faalt. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het besluit ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet op de desbetreffende grond kan worden vernietigd, behoeft dit daarom geen verdere bespreking.

4. [appellant] heeft verder aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel doordat het bestreden besluit bouwmogelijkheden biedt die hem op zijn perceel worden onthouden. In dat verband heeft hij betoogd dat het college ervoor had kunnen kiezen om ook zijn perceel onder de werking van het wijzigingsplan te brengen. Nu dat niet is gebeurd had het wijzigingsplan in ieder geval geen ruimere bouwmogelijkheden behoren te bieden dan de mogelijkheden die voor zijn perceel gelden, aldus [appellant].

5. Voor het perceel van [appellant] geldt het bestemmingsplan "Ootmarsum Overige Gebieden" met een woonbestemming zonder wijzigingsbevoegdheid en niet het bestemmingsplan "Ootmarsum - Brookhuis". Gelet daarop kan de Afdeling [appellant] niet volgen in zijn standpunt dat zijn perceel deel had kunnen uitmaken van de gronden van het wijzigingsplan.

Over de door [appellant] gemaakte vergelijking overweegt de Afdeling nog dat het college er terecht op heeft gewezen dat de in het wijzigingsplan voorziene woningen in planologisch opzicht niet direct vergelijkbaar zijn met de woning van [appellant], die zich bevindt op een voormalig agrarisch erf. Het college heeft in de reactienota zienswijzen verder uitgebreid gemotiveerd waarom de bouwmogelijkheden op de percelen waarop het wijzigingsplan ziet, voor de toekomstige bewoners niet gunstiger zijn dan de bouwmogelijkheden op het perceel van [appellant]. Volgens het college zijn de bouwmogelijkheden als voorzien in het wijzigingsplan in sommige opzichten zelfs minder gunstig. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen het college op dit punt naar voren heeft gebracht, onjuist zou zijn. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Sparreboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

195.