Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201405528/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/291 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2015/290 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2015/288 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2015/286 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2016/735
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7043
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7045
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7044
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7046

Uitspraak

201405528/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Callantsoog, gemeente Schagen,

2. de stichting Stichting Landschap Noord-Holland, gevestigd te Heiloo,

3. [appellant sub 3], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

4. [appellant sub 4], wonend te Sint Maartensbrug, gemeente Schagen,

5. [appellant sub 5], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

6. [appellante sub 6], wonend te Sint Maartensbrug, gemeente Schagen,

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te ’t Zand( Nh), gemeente Schagen,

9. [appellant sub 9], wonend te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen,

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen,

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellante sub 13], gevestigd te Burgerbrug, gemeente Schagen,

14. Staatsbosbeheer, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

15. [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), beiden wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

16. [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], beiden wonend te Burgerbrug, gemeente Schagen,

17. [appellante sub 17], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bolle "N" Oord B.V. (hierna: BolleNoord), gevestigd te 't Zand (Nh), gemeente Schagen,

19. [appellante sub 19], gevestigd te Schagerbrug, gemeente Schagen, waarvan de vennoten zijn [vennoot] en anderen,

en

de raad van de gemeente Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A], [belanghebbende B], [belanghebbende C] en [belanghebbende D] een nadere uiteenzetting gegeven.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 en 4 juni 2015, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden, waaronder het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van de vereniging Het Zijper Landschap afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. c.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan biedt een juridisch planologisch kader voor het buitengebied van de voormalige gemeente Zijpe. Het bestemmingsplan vervangt de beheersverordening "Buitengebied Zijpe" die is vastgesteld door de raad op 25 juni 2013. Daarvoor golden voor het plangebied diverse bestemmingsplannen, waaronder het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Zijpe bij besluit van 25 maart 1997. Op grond van de beheersverordening behielden de daarvóór geldende bestemmingsplannen voor het plangebied materieel bezien hun werking, met uitzondering van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden, uitwerkingsregels en overgangsbepalingen.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7]

3. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" wat betreft het perceel kadastraal bekend voormalig gemeente Callantsoog, sectie B, nr. 1045 (hierna: het perceel [locatie 1]).

4. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 7], omdat deze volgens de raad niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het door hem bestreden plandeel.

4.1. Het perceel van [appellant sub 7] ligt op een afstand van ongeveer 65 m van het door hem bestreden plandeel. Ter zitting heeft [appellant sub 7] toegelicht dat hij vanuit zijn woning zicht heeft op het bestreden plandeel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 7] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt, is naar het oordeel van de Afdeling op voorhand niet uitgesloten dat [appellant sub 7] gevolgen kan ondervinden vanwege de op het perceel [locatie 1] voorziene ontwikkeling. De conclusie is dat [appellant sub 7] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep kan instellen. Het verweer van de raad faalt.

5. Op het perceel [locatie 1] wordt met de bestemming "Bedrijf" voorzien in de uitbreiding van een bestaand autobedrijf op het perceel [locatie 2]. [appellant sub 1] en [appellant sub 7] vrezen hierdoor een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat op de percelen onderscheidenlijk [locatie 3] en [locatie 4]. Hiertoe voeren zij aan dat milieutechnische aspecten, zoals onder meer verkeer, water, bodem, geluid en licht niet dan wel onvoldoende zijn onderzocht. Weliswaar heeft [belanghebbende A] toegezegd het perceel zodanig in te richten dat de overlast voor omwonenden beperkt blijft, maar deze toezeggingen zijn volgens [appellant sub 1] niet in het bestemmingsplan gewaarborgd. [appellant sub 7] betoogt voorts dat in strijd met de provinciale verordening ter plaatse wordt voorzien in de uitbreiding van een bedrijventerrein.

5.1. De raad heeft het plan gewijzigd vastgesteld, met dien verstande dat aan het perceel [locatie 1] in plaats van een woonbestemming een bedrijfsbestemming is toegekend. De voorziene bedrijfsbestemming op het perceel [locatie 1] zal volgens de raad niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 3].

5.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevels van woningen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

5.3. Ingevolge artikel 2, onder h, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Noord-Holland, vastgesteld door provinciale staten bij besluit van 3 februari 2014 (hierna: PRV) wordt onder een bedrijventerrein verstaan een binnen de provincie Noord-Holland gelegen terrein van minimaal 1 ha bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bestemd en geschikt zijn voor kantoorgebouwen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in een nieuw bedrijventerrein en kantoorlocatie of een uitbreiding van een bestaand terrein in het landelijk gebied.

5.4. Aan het perceel [locatie 2] en het naastgelegen perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf", "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg" en "maximum bebouwingspercentage 70%" toegekend. Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Wonen" toegekend. Het perceel [locatie 4] ligt buiten het plangebied op een afstand van ongeveer 65 m van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" op het perceel [locatie 1].

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven die zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijfsactiviteiten;

[…]

i. een bedrijf gericht op reparatie van auto's en motoren met daaraan ondergeschikt verkoop van auto's, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf";

[…]

q. een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg";

[…]

5.5. De raad heeft te kennen gegeven dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de toekenning van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie 1] voor het woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] en [locatie 4]. Reeds gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat betreft het perceel [locatie 1] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd.

6. De Afdeling ziet aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand gelaten kunnen worden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De PRV

7. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 7] met betrekking tot de PRV aldus dat het plan in strijd met artikel 12 van de PRV voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein in landelijk gebied. Daargelaten of het perceel [locatie 1] kan worden aangemerkt als landelijk gebied, hebben het [belanghebbende A] en de raad ter zitting onweersproken gesteld dat de percelen [locatie 2] en [locatie 1] tezamen een bedrijventerrein vormen dat aanzienlijk kleiner is dan 1 ha bruto. Gelet hierop ontstaat vanwege toekenning van een bedrijfsbestemming aan het perceel [locatie 1] geen bedrijventerrein als bedoeld in artikel 2, onder h, van de PRV en is het bestemmingsplan in zoverre naar het oordeel van de Afdeling reeds daarom niet in strijd met artikel 12 van de PRV vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 7] faalt.

Milieutechnische aspecten

8. Uit de nota "Callantsoog, [locatie 5]/[locatie 1] Autowasboxen bij [belanghebbende A]" van 22 mei 2014, die in opdracht van het gemeentebestuur is opgesteld door de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (hierna: de adviesnota) volgt dat ten aanzien van de woning op het perceel [locatie 3] aan de richtafstand van 30 m uit de VNG-brochure zou kunnen worden voldaan, maar dat het verrichten van een akoestisch onderzoek wordt aanbevolen. Verder volgt uit de adviesnota dat de autoboxen naar verwachting - mede vanwege de woning op het perceel [locatie 5] in verband met het aspect geluid - moeilijk inpasbaar zijn en dat de overige milieuaspecten zoals water, bodem, licht, lucht niet zijn beoordeeld.

8.1. De richtafstand uit de VNG-brochure voor een autowasserij (SBI-2008 code 45205) bedraagt 30 m. Vaststaat dat ten aanzien van de woning op het perceel [locatie 4] aan de aanbevolen richtafstand van 30 m wordt voldaan. Vaststaat dat de afstand tussen de bedrijfsbestemming op het perceel [locatie 1] en het perceel [locatie 3] ongeveer 17 m bedraagt. De woning op het perceel [locatie 3] ligt op een afstand van ongeveer 28 m van de bedrijfsbestemming op het perceel [locatie 1]. Gelet hierop wordt uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel [locatie 1] - in tegenstelling tot hetgeen de raad stelt - ten aanzien van de woning van [appellant sub 1] niet voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure voor een autowasserij. De Afdeling overweegt dat de richtafstanden in de VNG-brochure indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening en afwijking mogelijk is, mits deze zorgvuldig wordt gemotiveerd.

8.2. Voor zover het verweer van de raad aldus moet worden begrepen dat uit de ruimtelijke onderbouwing "Ruimtelijke onderbouwing Bouw Autowasboxen [belanghebbende A]." - die na de vaststelling van het bestemmingsplan in opdracht van het [belanghebbende A] door Studie Van der Leden - is opgesteld, volgt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] is gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat een akoestisch onderzoek is verricht waarbij bij de woning van [appellant sub 1] een langtijdgemiddelde geluidniveau is berekend van 42 dB(A) en een maximaal geluidniveau van 50 dB(A).

In dat akoestisch onderzoek is er van uitgegaan dat de voorziene autowasboxen op ongeveer 40 m afstand van de woning van [appellant sub 1] worden opgericht en dat tussen de voorziene wasboxen en de woning van [appellant sub 1] een gebouw staat. Voorts volgt uit de situatietekening bij de ruimtelijke onderbouwing dat in het akoestisch onderzoek ervan is uitgegaan dat de in- en uitrit aan de kant van de Callantsogervaart wordt geprojecteerd. [appellant sub 1] en [appellant sub 7] stellen terecht dat deze uitgangspunten niet in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Het bestemmingsplan laat immers ook de bouw van de autowasboxen op 28 m afstand van de woning van [appellant sub 1] toe. Ook is de ligging van een gebouw tussen de woning van [appellant sub 1] en de wasboxen niet in het bestemmingsplan verplicht gesteld. Tevens maakt het bestemmingsplan een in- en uitrit aan de kant van de Langevliet mogelijk. Daarnaast betoogt [appellant sub 7] terecht dat uit het akoestisch onderzoek niet volgt of rekening is gehouden met de cumulatie van geluid afkomstig van de bestaande activiteiten van [belanghebbende A] op het perceel [locatie 2]. Reeds gezien het voorgaande is in het akoestisch onderzoek niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat het perceel [locatie 1] betreft. Aan het akoestische onderzoek "Akoestisch onderzoek V1.0 naar de geluidemissie van de toekomstige Autowasboxen op het perceel [locatie 1]" van 11 februari 2015 dat in opdracht van [belanghebbende A] door het Geluidburo is opgesteld, liggen dezelfde uitgangspunten ten grondslag. Gezien het vorenstaande is niet uitgesloten dat de geluidbelasting als gevolg van de toekenning van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie 1] bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] is onderschat. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake zal zijn van een aanvaardbare geluidsituatie bij de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7]. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] slagen in zoverre.

9. Reeds gezien het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat het perceel [locatie 1] betreft met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand te laten. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] geen bespreking meer.

Het beroep van Landschap Noord-Holland

10. Landschap Noord-Holland betoogt dat aan het gebied "Zandpolder fase 3" en de gronden die in gebruik zijn als waterberging van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ten onrechte geen natuurbestemming is toegekend. Ook de voormalige agrarische gronden nabij ‘t Zand, die thans in gebruik zijn voor natuurbeheer, zijn ten onrechte niet als zodanig bestemd.

10.1. Volgens de raad was de zienswijze van Landschap Noord-Holland niet gericht tegen de planregeling voor het gebied "Zandpolder fase 3", de waterbergingen van het Hoogheemraadschap en de desbetreffende gronden nabij ’t Zand.

10.2. Het beroep van Landschap Noord-Holland voor zover gericht tegen de plandelen voor het gebied "Zandpolder fase 3", de waterbergingen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de gronden nabij ’t Zand, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van Landschap Noord-Holland is in zoverre niet-ontvankelijk.

11. Landschap Noord-Holland betoogt dat de raad aan een deel van de gronden die zijn aangewezen als EHS ten onrechte niet de bestemming "Natuur" heeft toegekend. Het betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" nabij de eendenkooi te Oudesluis en het gebied "Zandpolder fase 2", zoals nader aangeduid op de door Landschap Noord-Holland overgelegde kaarten. Deze gronden zijn in eigendom dan wel in beheer van Landschap Noord-Holland en zijn feitelijk in gebruik voor natuurdoeleinden.

11.1. Volgens de raad is de planregeling voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten. Dit geldt ook voor het gebied "Zandpolder fase 2". Het beroep van Landschap Noord-Holland is, voor zover gericht tegen genoemde plandelen, prematuur en derhalve niet-ontvankelijk, aldus de raad.

11.2. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan het college van gedeputeerde staten, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ingevolge de vijfde volzin wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan alsdan met uitsluiting van dat onderdeel, samen met het aanwijzingsbesluit en op gelijke wijze door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt.

11.3. Bij besluit van 2 juni 2014 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro gegeven met betrekking tot een aantal onderdelen van het bestemmingsplan die zijn aangegeven op de bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart. Uit deze kaart blijkt dat de aanwijzing onder meer betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis. De aanwijzing ziet verder op de gronden van Landschap Noord-Holland met de bestemming "Agrarisch" voor het gebied "Zandpolder fase 2".

11.4. Een reactieve aanwijzing die op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro wordt gegeven met betrekking tot een onderdeel van het bestemmingsplan heeft tot gevolg dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Dit betekent dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan niet kan worden bekendgemaakt en dat de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift met betrekking tot dat onderdeel van het bestemmingsplan geen aanvang neemt. In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is de Afdeling van oordeel dat deze uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). De bepaling kan derhalve in dit geval geen toepassing vinden, nu onzeker is of, en zo ja wanneer het bestreden onderdeel van het plan bekend zal worden gemaakt en dientengevolge tevens of, en zo ja op welk moment de termijn voor het instellen van beroep een aanvang zal nemen.

11.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van Landschap Noord-Holland, voor zover gericht tegen de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis en de bestemming "Agrarisch" voor het gebied "Zandpolder fase 2" niet-ontvankelijk.

12. Landschap Noord-Holland betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in bevoegdheden voor het wijzigen van de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" van de gronden die zijn aangewezen als EHS naar de bestemming "Natuur". Artikel 19 van de PRV verplicht tot het opnemen van een dergelijke wijzigingsbevoegdheid voor gronden binnen de EHS waarop nog geen natuurfunctie is gerealiseerd, aldus Landschap Noord-Holland.

12.1. Volgens de raad is artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV in strijd met artikel 3.6 van de Wro en derhalve onverbindend. Niet alle gronden die zijn aangewezen als EHS worden gebruikt voor natuurdoeleinden. Een deel van de gronden is in particulier eigendom en wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. Het staat niet vast dat deze gronden binnen de planperiode verworven zullen worden ten behoeve van natuurontwikkeling. Het is derhalve onzeker of voor deze gronden de wijzigingsbevoegdheid waartoe artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV verplicht, kan worden toegepast. De raad stelt verder dat de verplichting uit de PRV in strijd is met het uitgangspunt dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht. Verder zijn in artikel 19, eerste lid, van de PRV geen voorwaarden voor toepassing vastgelegd die overgenomen dienen te worden in het bestemmingsplan. De verplichting strekt derhalve tot het opnemen van een ongeclausuleerde wijzigingsbevoegdheid, aldus de raad.

12.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de PRV geldt voor de gronden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan, als EHS en als Ecologische Verbindingszone, dat:

a. een bestemmingsplan de gronden als "natuur" bestemt, indien de natuurfunctie reeds is gerealiseerd;

b. een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat die bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders een bestemming wijzigt in een natuurbestemming vanaf het moment dat:

1º de gronden zijn verworven of ontpacht ten behoeve van het realiseren van de natuurfunctie;

2º een overeenkomst voor functieverandering door middel van particulier natuurbeheer is gesloten; of

3º het college van gedeputeerde staten besluit dat het provinciale staten zal verzoeken om het besluit tot het verzoek tot onteigening aan de Kroon, als bedoeld in artikel 78 van de Onteigeningswet, te nemen en dat ter voorbereiding van dit besluit van provinciale staten, het college van gedeputeerde staten een kopie van hun besluit hiertoe aan het college van burgemeester en wethouders zenden met het verzoek over te gaan tot vaststelling van het wijzigingsplan.

[…].

12.3. In de toelichting bij artikel 19 van de PRV staat dat dit artikel als doel heeft het behoud en de ontwikkeling van de EHS en de ecologische verbindingszones. In de Structuurvisie 2040 is opgenomen dat de provincie Noord-Holland de gebieden met een hoge biodiversiteit beschermt en deze uitbouwt tot een robuust samenhangend netwerk. Het eerste lid regelt de planologische bescherming van de EHS in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het opnemen van de natuurfunctie in het bestemmingsplan dient pas te geschieden wanneer de natuurfunctie daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wel dienen bestemmingsplannen een wijzigingsbevoegdheid te bevatten, waarmee de bestemmingswijziging naar "Natuur" gerealiseerd kan worden. Dit gebeurt na verwerving of ontpachting van de desbetreffende percelen of na het afsluiten van een overeenkomst voor particulier natuurbeheer. Ook dient de wijzigingsbevoegdheid te worden gebruikt als het college van gedeputeerde staten aan provinciale staten zal verzoeken een besluit tot verzoek voor onteigening aan de Kroon te doen, aldus de toelichting.

12.4. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van Landschap Noord-Holland aldus dat zij uitsluitend ziet op de gronden met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" die zijn aangewezen als EHS, voor zover deze plandelen niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juni 2015. De plandelen die wel zijn getroffen door de reactieve aanwijzing zijn immers niet in werking getreden.

12.5. Artikel 19 van de PRV verplicht tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid voor gronden binnen de EHS, waarop de natuurfunctie (nog) niet is gerealiseerd. Het is aannemelijk dat binnen de planperiode van tien jaar een deel van deze agrarische gronden zal worden verworven ten behoeve van natuurontwikkeling ter plaatse en dat derhalve toepassing gegeven zal kunnen worden aan de wijzigingsbevoegdheid. De raad heeft dit ook niet bestreden. De omstandigheid dat bij voorbaat kan worden uitgesloten dat binnen de planperiode op het gehele EHS-areaal dat thans in gebruik is voor agrarische doeleinden natuurontwikkeling zal plaatsvinden, betekent niet dat de wijzigingsbevoegdheid als zodanig niet-uitvoerbaar is. Voor concrete locaties zou aanleiding kunnen bestaan artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV buiten toepassing te laten. Daartoe dient aannemelijk te worden gemaakt dat het bestaande (agrarische) gebruik van gronden niet beëindigd zal worden binnen de planperiode. De raad heeft evenwel niet toegelicht dat voor concrete locaties toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is uitgesloten.

Wat betreft de vraag naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid waartoe artikel 19 van de PRV verplicht, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201307530/1/R1, dat bij algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie in beginsel kan worden volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. In dit geval, waarin de aanvaardbaarheid van een natuurbestemming voor gronden die zijn aangewezen als EHS aan de orde is, moet ervan worden uitgegaan dat deze algemene beoordeling reeds heeft plaatsgevonden bij de aanwijzing van gebieden als EHS door provinciale staten. De verplichting van artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV hangt immers samen met de wens natuurwaarden te ontwikkelen op de agrarische gronden die zijn aangewezen als EHS. Ook in dit kader heeft de raad niet toegelicht voor welke concrete locaties de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is, zodat geen aanleiding bestaat voor concrete gevallen artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV wegens strijd met de Wro buiten toepassing te laten.

De Afdeling is verder van oordeel dat duidelijk is waartoe de voorgeschreven wijzigingsbevoegdheid strekt, namelijk de wijziging van de (agrarische) bestemming naar de bestemming "Natuur". Een dergelijke wijziging is pas aan de orde als de gronden worden verworven met het oog op de natuurontwikkeling.

De Afdeling ziet in hetgeen de raad heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV in strijd is met artikel 3.6 van de Wro, of anderszins in strijd is met de wet. Dit betekent dat de raad door niet te voorzien in een bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" voor de gronden die zijn aangewezen als EHS en voor zover het betreft de plandelen die niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juni 2014, gehandeld heeft in strijd met artikel 19, eerste lid, onder b, van de PRV. Het betoog slaagt.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep van Landschap Noord-Holland, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft het niet voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigingen van de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" in de bestemming "Natuur", voor de gronden die zijn aangewezen als EHS, voor zover het plandelen betreft die niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juni 2014.

Het beroep van [appellant sub 3]

14. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen de planbegrenzing. Hij betoogt dat het perceel [locatie 6] bij de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte buiten het plangebied is gelaten. Hiertoe voert hij aan dat in zoverre geen ruimtelijke overwegingen ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit. [appellant sub 3] stelt - onder verwijzing naar een taxatierapport van 5 maart 1982 - dat ten behoeve van het perceel bouwvergunningen zijn verleend voor de bouw van vijf recreatiewoningen en dat de raad deze als zodanig had moeten bestemmen. Voorts betoogt [appellant sub 3] dat de raad de permanente bewoning van één van de recreatiewoningen als zodanig had moeten bestemmen. De aanwezigheid van agrarische bedrijven in de omgeving, maakt dat volgens [appellant sub 3] niet anders.

14.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Niet gebleken is van een zodanige ruimtelijke samenhang met de omliggende percelen dat het perceel [locatie 6] om die reden in het plan opgenomen hadden moeten worden. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat thans een handhavingsprocedure loopt tegen illegaal gebruik en illegale bouwwerken op het perceel [locatie 6]. Zo heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat onder meer een gebouw op het perceel in strijd met de beheersverordening wordt gebruikt voor de huisvesting van seizoenarbeiders. Alvorens in het kader van een goede ruimtelijke ordening over te gaan tot de toekenning van een passende bestemming voor het perceel [locatie 6], heeft de raad ter zitting te kennen gegeven de uitkomsten van de handhavingsprocedure te willen afwachten. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel van de Afdeling dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dat hierdoor de beheersverordening blijft gelden voor het perceel [locatie 6], terwijl de raad volgens [appellant sub 3] met de vaststelling van de beheersverordening slechts een overbrugging van de periode tot aan de vaststelling van het thans voorliggende bestemmingsplan heeft beoogd, doet daar, wat daar ook van zij, gelet op artikel 3.38, tweede lid, van de Wro naar het oordeel van de Afdeling niet aan af. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder geen aanleiding om de beheersverordening in zoverre buiten toepassing te laten. Het betoog faalt.

14.2. Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding voor een bespreking van de beroepsgrond van [appellant sub 3] dat ten onrechte geen woonbestemming en/of recreatiebestemming is toegekend aan het perceel [locatie 6].

14.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

15. Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat haar gronden aan de [locatie 7] betreft. Zij exploiteert ter plaatse een paardenfokkerij en betoogt dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel niet is voorzien in een bouwvlak van 1 ha. Hierdoor is haar paardenbak ten onrechte buiten het bouwvlak gelaten. Voorts is een bouwvlak van tenminste 0,5 ha ter plaatse volgens haar noodzakelijk voor de continuering van haar paardenfokkerij.

15.1. De raad betoogt dat het bestemmingsplan een overwegend conserverend karakter heeft en dat alleen concrete initiatieven zijn meegenomen waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan was aangetoond.

15.2. Aan de gronden aan de [locatie 7] zijn de bestemming "Agrarisch" en gedeeltelijk een bouwvlak toegekend. Aan het bouwvlak is de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.75, van de planregels wordt onder "paardenbak" verstaan: een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:

[…]

c. productiegerichte paardenhouderijen;

[…]

Ingevolge lid 3.2 in samenhang bezien met lid 3.2.1 mogen op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat voor het bouwen de volgende algemene bouwregels gelden:

a. de bebouwing mag alleen binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht;

[…]

Ingevolge lid 3.2.7 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende regels:

a. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de situering van een paardenbak is toegestaan, onder voorwaarde dat:

1. de paardenbak binnen het bouwvlak wordt opgericht;

[…]

Ingevolge lid 3.4, in samenhang bezien met lid 3.4.1, onder f, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.7 ten behoeve van het bouwen van voorzieningen ten behoeve van een paardenbak buiten het bouwvlak, onder de voorwaarden dat:

1. op het bouwvlak geen of onvoldoende ruimte aanwezig is;

2. de paardenbak landschappelijk wordt ingepast, inclusief de ligging van de paardenbak ten opzichte van de eigen erfbebouwing;

3.voor een paardenbak die aan de weg is gelegen streekeigen beplanting tussen de paardenbak en de weg wordt aangebracht;

4. de afstand tot woningen van derden minimaal 30 m bedraagt.

15.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend. Door [appellant sub 4] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet plan bestond voor de uitbreiding van haar paardenfokkerij op het perceel [locatie 7] noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 4] ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan een zodanig concreet voornemen had dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. Met het verzoek van [appellant sub 4] hoefde de raad bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden.

Over de door [appellant sub 4] gemaakte vergelijking met het perceel Korte Belkmerweg 48 overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het voorgaande planologische regime voor het perceel Korte Belkmerweg 48 - anders dan bij het perceel [locatie 7] - reeds voorzag in een bouwblok van 1 ha. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 4] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Voor het overige heeft [appellant sub 4] naar het oordeel van de Afdeling geen concrete voorbeelden genoemd van situaties die gelijksoortig zijn aan haar situatie. Het betoog faalt in zoverre.

15.4. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat aan de bestaande paardenbak ten onrechte geen bouwvlak is toegekend, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat geen bouwvlak is toegekend aan de paardenbak op het perceel [locatie 7], omdat dit vanwege de gekozen plansystematiek niet noodzakelijk zou zijn. Voorts zou de toekenning van een bouwvlak aan de paardenbak volgens de raad een aanzienlijke uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het perceel met zich brengen, hetgeen de raad gezien de ligging van het perceel in het buitengebied niet wenselijk acht. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat hij de toekenning van een bouwvlak aan de paardenbak niet wenselijk acht vanwege de ligging van het perceel in het buitengebied, niet onredelijk.

De Afdeling begrijpt het betoog van de raad voor het overige, mede gelet op de toelichting ter zitting, aldus dat de paardenbak op het perceel [locatie 7] als zodanig is bestemd, omdat op grond van de planregels alleen in de toekomst op te richten paardenbakken binnen een bouwvlak moeten worden gesitueerd. Dit betoog van de raad is naar het oordeel van de Afdeling onjuist, omdat artikel 3, lid 3.2.7, aanhef en onder a, van de planregels vereist dat paardenbakken binnen het bouwvlak moeten worden opgericht. Deze regel geldt niet alleen voor nog op te richten paardenbakken, maar ook voor bestaande paardenbakken, hetgeen de raad heeft miskend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellant sub 4] slaagt in zoverre.

Conclusie

15.5. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 7], wat de gronden ter plaatse van de paardenbak betreft, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

16. [appellant sub 5] betoogt dat aan haar perceel [locatie 8] - [locatie 9] in Schagerbrug een te klein bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is toegekend. Als gevolg hiervan is het bestaande gebruik op een gedeelte van haar perceel voor woondoeleinden niet als zodanig bestemd, aldus [appellant sub 5].

16.1. Volgens de raad had het perceel van [appellant sub 5] in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, 1989, tweede herziening" een agrarische bestemming. Het gehele voormalige agrarische bouwvlak is thans bestemd voor "Wonen". Een gedeelte ten westen daarvan is bestemd als "Tuin". Het bestaande gebruik van de gronden voor woondoeleinden is als zodanig bestemd. Vanuit ruimtelijk oogpunt is het ongewenst de woonbestemming verder uit te breiden, aldus de raad.

16.2. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 5] is de bestemming "Wonen" toegekend. De strook direct ten westen van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is bestemd als "Tuin". Voor het overige hebben de gronden van [appellant sub 5] de bestemming "Agrarisch".

16.3. [appellant sub 5] heeft niet nader toegelicht welk gebruik van haar gronden niet als zodanig is bestemd, afgezien van de hierna afzonderlijk te bespreken beroepsgrond over het niet als zodanig bestemmen van de tweede woning op het perceel [locatie 8] - [locatie 9]. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestaande gebruik van de gronden van [appellant sub 5] voor woondoeleinden in zoverre niet als zodanig heeft bestemd. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verdere vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" leidt tot een aantasting van het open karakter van het landelijk gebied en daarom ongewenst is. Het betoog faalt.

17. [appellant sub 5] betoogt dat de tweede woning op haar perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Het betreft de woning met nummer 121. Aan het perceel dient de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden: 2" te worden toegekend, aldus [appellant sub 5].

17.1. Volgens de raad maakt de bebouwing op het perceel [locatie 8] - [locatie 9] deel uit van één woning. In het verleden was er weliswaar sprake van twee woningen op het perceel, maar de gebouwen worden sinds de jaren 80 van de vorige eeuw gebruikt door één huishouden. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was volgens de raad ter plaatse één woning toegelaten. Deze woning is ook thans als zodanig bestemd. Een tweede - derhalve een nieuwe - woning op het perceel is in strijd met de PRV. Ten tijde van het vaststellen van het plan was een gedeelte van de woning (nr. [locatie 8]) in gebruik ten behoeve van een bed en breakfast. Het plan laat een dergelijk medegebruik toe, aldus de raad.

17.2. Ingevolge artikel 30, lid 30.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;

b. bed & breakfast, met dien verstande dat […];

met de daarbij behorende:

h. gebouwen;

i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

[…].

Ingevolge lid 30.2.1 gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels:

a. woningen zijn uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan;

b. het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan één, dan wel het ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" aangegeven aantal;

[…].

17.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" waren de gronden van [appellant sub 5] bestemd voor "Agrarische bebouwingsvakken Ab". Door middel van een verbindingslijn was op de plankaart een relatie aangegeven met het perceel [locatie 18]a, aan de andere zijde van de weg. Voorheen was op de twee percelen een agrarisch bedrijf gevestigd.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de voor de agrarische bedrijfsvoering nodige bebouwing, waaronder bedrijfswoningen.

Ingevolge het tweede lid, onder b, mocht binnen per op de kaart aangegeven bebouwingsvak maximaal één bedrijfswoning worden gebouwd.

17.4. Niet in geschil is dat de bestaande gebouwen op het perceel van [appellant sub 5] als zodanig zijn bestemd. Het beroep van [appellant sub 5] heeft in zoverre alleen betrekking op het gebruik van de bebouwing door twee zelfstandige huishoudens. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was op het perceel van [appellant sub 5] één (bedrijfs)woning toegelaten. [appellant sub 5] heeft ter zitting toegelicht dat ten tijde van het vaststellen van het plan de gebouwen op haar perceel feitelijk in gebruik waren als twee zelfstandige woningen. Zij heeft in dit verband gesteld dat de woning nr. [locatie 8] wordt verhuurd aan derden, althans dat deze woning met regelmaat wordt bewoond door anderen dan haar eigen huishouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 5] hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de gebouwen op het perceel [locatie 8] - [locatie 9] ten tijde van het vaststellen van het plan in gebruik waren als twee zelfstandige woningen. De Afdeling wijst in dit verband op de omstandigheid dat de raad, onder verwijzing naar een advertentie op internet, heeft toegelicht dat een gedeelte van de bebouwing wordt gebruikt ten behoeve van een bed en breakfast en dat [appellant sub 5] ter zitting heeft gesteld dat zij reeds een geruime tijd toeristenbelasting betaalt.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat artikel 13 van de PRV zich in beginsel verzet tegen nieuwe woningen in het landelijk gebied is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het als zodanig bestemmen van de bestaande woning op het perceel van [appellant sub 5]. Het betoog faalt.

18. [appellant sub 5] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op haar agrarische gronden een kleine schuilgelegenheid voor dieren op te richten. Een schuilgelegenheid dient het belang van het dierenwelzijn, aldus [appellant sub 5].

18.1. De raad heeft onder verwijzing naar de brief van het college van gedeputeerde staten van 28 mei 2014 toegelicht dat slechts in geringe mate behoefte bestaat aan schuilgelegenheden voor hobbymatig gehouden dieren, buiten het bouwperceel. Vanuit ruimtelijk oogpunt zijn dergelijke schuilgelegenheden ongewenst. Het toestaan van schuilgelegenheden brengt volgens de raad het risico mee dat percelen worden opgedeeld in kleinere eenheden, met meer bouwwerken en hekken in het open landschap, hetgeen leidt tot verrommeling van het buitengebied. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de nadelige gevolgen van schuilgelegenheden voor hobbymatig gehouden dieren buiten het bouwperceel dan aan het belang van [appellant sub 5] bij het toelaten van een dergelijke voorziening op haar agrarische gronden. Het betoog faalt.

19. [appellant sub 5] betoogt dat de situering van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf op het perceel Belkmerweg 119 leidt tot een ernstige aantasting van haar woon- en leefgenot. Volgens haar leidt de situering van het bouwvlak tot een aantasting van haar uitzicht. De raad heeft ten onrechte de situering van het bouwvlak op dit perceel gehandhaafd. Het bouwvlak dient te worden verplaatst, zodat haar uitzicht niet, althans in mindere mate wordt belemmerd, aldus [appellant sub 5].

19.1. Aan het perceel Belkmerweg 119 is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Niet in geschil dat de omvang en situering van het bouwvlak niet is gewijzigd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening".

19.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situering van het bouwvlak op het perceel Belkmerweg 119 geen ernstige gevolgen zal hebben voor het uitzicht van [appellant sub 5]. Bij dit oordeel neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen het perceel van [appellant sub 5] en het bouwvlak op het perceel Belkmerweg 119 ongeveer 36 m bedraagt en dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Het betoog faalt.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6]

21. Het beroep van [appellante sub 6] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" wat het perceel [locatie 10] betreft. [appellante sub 6] betoogt dat haar voormalige bedrijfswoning op dat perceel ten onrechte niet als burgerwoning is bestemd. Hiertoe voert zij onder meer aan dat haar woning thans niet meer dient als bedrijfswoning. Daarnaast betoogt zij dat de voormalige bedrijfswoning op het recreatiepark "Boerenslag" aan de Zeeweg 4 ook is omgezet in een burgerwoning, terwijl daarbij evenmin werd voldaan aan de richtafstand van 50 m tot de omliggende recreatiewoningen.

21.1. Aan het perceel [locatie 10] is de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 1" toegekend.

21.2. De raad erkent dat aan het perceel [locatie 10] zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellante sub 6] slaagt.

22. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" voor het perceel [locatie 10] zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 8]

23. [appellant sub 8] betoogt dat de omvang van de eendenkooi ten noorden van de [locatie 11] onjuist is vastgelegd in het plan. Volgens hem is niet aan de gehele eendenkooi de bestemming "Natuur" toegekend. [appellant sub 8] betoogt verder dat voor de agrarische gronden tussen de eendenkooi en het perceel [locatie 11] ten onrechte niet is voorzien in een planregeling die bescherming biedt aan de ter plaatse aanwezige natuurwaarden.

23.1. Uit de door [appellant sub 8] overgelegde luchtfoto volgt dat de feitelijke ligging en omvang van de eendenkooi overeenstemt met het bestemmingsvlak met de bestemming "Natuur" als vastgelegd op de verbeelding. [appellant sub 8] heeft niet nader toegelicht welke gronden die feitelijk deel uitmaken van de eendenkooi niet zijn bestemd voor "Natuur". Het betoog faalt.

23.2. De raad heeft toegelicht dat de gronden rondom de eendenkooi omgezet zijn in bollengrond. Deze gronden zijn door de provincie aangewezen als bollenconcentratiegebied en worden feitelijk gebruikt ten behoeve van de bollenteelt. Het valt niet te verwachten dat deze gronden binnen afzienbare tijd zullen worden omgezet naar grasland. De gronden zijn bestemd overeenkomstig het bestaande gebruik. Ter plaatse komen geen (natuur)waarden voor die beschermd zouden moeten worden. [appellant sub 8] heeft dit standpunt van de raad niet inhoudelijk bestreden. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid het bestaande gebruik van de gronden nabij de eendenkooi als zodanig heeft kunnen bestemmen en dat hij in zoverre niet heeft hoeven te voorzien in een beschermingsregeling voor natuurwaarden. Het betoog faalt.

24. [appellant sub 8] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op zijn agrarische gronden een kleine schuilgelegenheid voor hobbymatig gehouden dieren op te richten. Een schuilgelegenheid dient het belang van het dierenwelzijn, aldus [appellant sub 8].

24.1. Dit betoog faalt. Voor een motivering van dit oordeel wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in 18.1.

25. [appellant sub 8] betoogt dat de planregeling voor zijn perceel [locatie 12], wat betreft de mogelijkheid ter plaatse bijgebouwen op te richten, onnodig restrictief is, hetgeen leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden. [appellant sub 8] voert hiertoe aan dat hij ruim 2 ha agrarische gronden en water in beheer heeft en dat hij meer ruimte nodig heeft voor het stallen van machines die gebruikt worden voor het onderhoud van deze gronden. Ook houdt [appellant sub 8] hobbymatig ongeveer vijftien schapen en twee paarden. Voor de huisvesting van deze hobbymatig gehouden dieren is de beschikbare planologische ruimte niet voldoende, aldus [appellant sub 8].

25.1. Volgens de raad is op het perceel van [appellant sub 8] een schuur gesitueerd met een oppervlakte van ongeveer 140 m². Deze schuur is als zodanig bestemd. De toegelaten oppervlakte voor bijgebouwen is daarmee groter dan hetgeen gebruikelijk is op percelen met een woonbestemming. De planologische mogelijkheden zijn verruimd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Een verdere uitbreiding leidt tot verstedelijking van het buitengebied, hetgeen in strijd is met het provinciaal beleid, aldus de raad.

25.2. Aan het perceel van [appellant sub 8] is de bestemming "Wonen" toegekend. De oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt ongeveer 4.000 m². De gronden direct ten zuidoosten daarvan zijn bestemd als "Tuin". De oppervlakte van deze gronden bedraag ongeveer 5.000 m².

25.3. [appellant sub 8] beschikt op zijn perceel over een schuur met een oppervlakte van 140 m². Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke oppervlakte zo gering is dat die leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel, gelet ook op de omstandigheid dat het plan voor percelen met een woonbestemming in beginsel voorziet in een minder ruime regeling. De hoofdregel is immers dat de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing, met inbegrip van het hoofdgebouw, 300 m² bedraagt. Voor zover [appellant sub 8] klaagt over de omstandigheid dat de beschikbare ruimte onvoldoende is voor het stallen van (agrarische) machines, overweegt de Afdeling dat nu het perceel van [appellant sub 8] een woonbestemming heeft, de eventuele opslag van machines en apparaten anders dan gerelateerd aan het gebruik voor woondoeleinden ter plaatse niet noodzakelijk is. De raad behoefde aan deze behoefte van [appellant sub 8], wat daar verder ook van zijn, geen zwaarwegend belang toe te kennen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toegelaten oppervlakte voor bijgebouwen op het perceel van [appellant sub 8] leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden en dat de raad daarom in redelijkheid had dienen te voorzien in een grotere oppervlakte. Het betoog faalt.

26. [appellant sub 8] betoogt dat aan het zuidoostelijke deel van zijn gronden ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend. Deze gronden worden volgens [appellant sub 8] onder meer gebruikt voor het houden van schapen en paarden en de opslag van goederen. Dit gebruik is ten onrechte niet als zodanig bestemd. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was aan het gehele perceel de bestemming "Wonen met tuinen en erven toegekend". [appellant sub 8] wenst ook voor het zuidoostelijke deel van zijn perceel de bestemming "Wonen". Hij wijst in dit verband op de planregeling voor het nabijgelegen perceel Korte Belkmerweg 46a. Dit perceel, dat in het voorheen geldende bestemmingsplan eveneens was bestemd voor "Wonen met tuinen en erven", is thans volledig bestemd voor "Wonen", aldus [appellant sub 8].

26.1. Volgens de raad is het bestaande gebruik van de gronden van [appellant sub 8] als zodanig bestemd. Het perceel van [appellant sub 8] was in het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd voor "Wonen met tuinen en erven". Binnen deze bestemming werd onderscheid gemaakt tussen gronden die aangewezen waren voor erven en gronden waarop enkel tuinen waren toegelaten. Gebouwen waren niet toegelaten op de voor tuinen aangewezen gronden. De bestemming "Wonen" rust thans mede op gronden die voorheen waren bestemd voor tuinen. Ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan zijn de planologische mogelijkheden derhalve verruimd, aldus de raad.

26.2. Ingevolge artikel 24, lid 24.1 zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen;

b. groenvoorzieningen;

c. water;

met de daarbij behorende:

d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

26.3. Het perceel van [appellant sub 8] was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", bestemd voor "Woningen met tuinen en erven (W)".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor woningen met bij de woonfunctie behorende bouwwerken en tuinen en erven.

Ingevolge het tweede lid, onder b, onder 1, mochten op de gronden, op de kaart aangeduid met "erven" woningen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Ingevolge het tweede lid, onder b, onder 2, mochten op gronden, op de kaart aangeduid met "tuinen" alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

26.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" was alleen voor het gedeelte van het perceel [locatie 12] ter plaatse en nabij de woning voorzien in de aanduiding "erven". Op het overgrote deel van het perceel van [appellant sub 8] rustte de aanduiding "tuinen".

26.5. Het standpunt van de raad dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" vergroot is ten opzichte van het bestemmingsvlak met de bestemming "Woningen met tuinen en erven (W)", met de aanduiding "tuinen" is naar het oordeel van de Afdeling juist. Het plan voorziet in zoverre in een verruiming van de planologische mogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. De Afdeling is verder van oordeel dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden met de bestemming "Tuin" niet of nauwelijks verschillen van hetgeen was toegelaten op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "tuinen". [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande legale gebruik van de gronden thans niet langer is toegelaten. Voor zover [appellant sub 8] in dit verband wijst op de omstandigheid dat hij op de gronden met de bestemming "Tuin" hobbymatig paarden en schapen houdt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen het hobbymatig houden van dieren ter plaatse.

26.6. Over de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met het perceel Korte Belkmerweg 46a overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. De raad heeft toegelicht dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 8] het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is uitgebreid, in die zin dat de diepte van het bestemmingsvlak, gemeten vanaf de weg, ongeveer 105 m bedraagt. Dit is gelijk aan de diepte van het perceel Korte Belkmerweg 46a. Indien het gehele perceel van [appellant sub 8] wordt bestemd voor "Wonen" zal de diepte van het bestemmingsvlak ongeveer 250 m bedragen. Een dergelijke uitbreiding leidt tot een aantasting van het open karakter van het landschap. In het geval van de Korte Belkmerweg 46a was een aantasting volgens de raad niet aan de orde, omdat dat perceel een totale diepte heeft van 105 m. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 8] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

26.7. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid had dienen te voorzien in de bestemming "Wonen" voor het gehele perceel van [appellant sub 8]. Het betoog faalt.

27. [appellant sub 8] betoogt dat het agrarische bouwvlak voor het perceel [locatie 11] ten onrechte is gehandhaafd. De gebruiker van deze gronden heeft zijn agrarische bedrijfsvoering meer dan dertig jaar geleden gestaakt. Het perceel wordt gebruikt voor reguliere bewoning. Volgens [appellant sub 8] hadden de gronden daarom bestemd dienen te worden voor "Wonen". Subsidiair betoogt [appellant sub 8] dat indien de agrarische bestemming wordt gehandhaafd, alleen de bestaande bebouwing als zodanig bestemd dient te worden, zodat geen nieuwe bedrijfsbebouwing kan worden opgericht.

27.1. Volgens de raad zijn voor het perceel [locatie 11] de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan gehandhaafd.

27.2. Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.9, van de planregels wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1 zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', uitsluitend bestaande veehouderijbedrijven zijn toegestaan;

[…]

3. uitbreiding of nieuwbouw van dierverblijven, dan wel het realiseren van nieuwe dierplaatsen in bestaande dierverblijven niet is toegestaan;

[…].

27.3. Niet in geschil is dat de raad voor het perceel [locatie 11] de planologische mogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan heeft gehandhaafd. De omvang van het bouwvlak is niet gewijzigd. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 8] tot het bouwvlak op het perceel [locatie 11] bedraagt ongeveer 28 m. De afstand tot de woning van [appellant sub 8] bedraagt ongeveer 58 m. Voor zover [appellant sub 8] vreest voor een aantasting van zijn uitzicht vanwege de eventueel op te richten agrarische bebouwing, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwvlak op het perceel [locatie 11] geen ernstige gevolgen zal hebben voor het uitzicht van [appellant sub 8], gelet op genoemde afstanden en de omstandigheid dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Voor het overige heeft [appellant sub 8] niet nader toegelicht waarom het handhaven van het agrarische bouwvlak zal leiden tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefgenot. Het betoog faalt

28. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

29. [appellant sub 9] betoogt dat hij op 29 augustus 2012 de raad heeft verzocht om een vergroting van het agrarische bouwvlak op zijn perceel [locatie 13] in Sint Maartensvlotbrug tot 1,5 ha en dat de raad bij het vaststellen van het plan ten onrechte aan dit verzoek is voorbijgegaan.

29.1. Volgens de raad waren ten tijde van het vaststellen van het plan onvoldoende gegevens beschikbaar voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het verzoek van [appellant sub 9]. Ook had [appellant sub 9] niet aangetoond dat een vergroting van het bouwvlak noodzakelijk was voor zijn bedrijfsvoering. In dit verband is van belang dat [appellant sub 9] beschikt over een in 2001 verleende bouwvergunning voor agrarische bedrijfsbebouwing op zijn perceel. Deze vergunning heeft betrekking op gronden die in het plan zijn aangeduid als bouwvlak. [appellant sub 9] heeft tot op heden geen gebruik gemaakt van deze vergunning. [appellant sub 9] is gevraagd zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak aan te vullen, hetgeen hij heeft nagelaten, aldus de raad.

29.2. Uit de brief van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Zijpe van 18 december 2012 volgt dat [appellant sub 9] op 29 augustus 2012 een zogeheten principeverzoek heeft ingediend voor het vergroten van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 13] in Sint Maartensvlotbrug tot 1,5 ha. In reactie daarop is [appellant sub 9] verzocht om een aanvulling van zijn bedrijfsplan, waaruit de noodzaak voor de vergroting diende te blijken. In de brief van 18 december 2012 staat dat onduidelijk is waarom voor een (meer) efficiënte bedrijfsvoering niet kan worden volstaan met enkel een wijziging van de vorm van het bestaande bouwvlak. [appellant sub 9] is tevens verzocht een ruimtelijke onderbouwing te overleggen, waaruit diende te blijken dat zijn initiatief milieuhygiënisch en landschappelijk inpasbaar is.

Bij brief van het college van burgemeester en wethouders van 28 mei 2013 is [appellant sub 9], onder verwijzing naar de brief van 18 december 2012, nogmaals verzocht om een aanvulling van zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak.

In de brief van 13 augustus 2013 van het college van burgemeester en wethouders is [appellant sub 9] medegedeeld dat, indien hij een gemotiveerde zienswijze naar voren brengt op het ontwerpplan, zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak zal worden beoordeeld. In zijn zienswijze op het ontwerpplan heeft [appellant sub 9] enkel verwezen naar zijn initiële verzoek van 29 augustus 2012 om vergroting van het bouwvlak tot 1,5 ha - en de daarbij overgelegde stukken - dat door het college van burgemeester en wethouders als onvolledig was aangemerkt. Niet is gebleken dat [appellant sub 9] naar aanleiding van onder meer de brief van het college van burgemeester en wethouders van 28 mei 2013 zijn bedrijfsplan heeft aangevuld en dat hij de gevraagde ruimtelijke onderbouwing heeft overgelegd.

29.3. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de ambtenaren van de voormalige gemeente Zijpe hebben toegezegd dat zijn verzoek om vergroting van het bouwvlak zou worden gehonoreerd, overweegt de Afdeling als volgt. De brief van het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Zijpe gaat materieel bezien over de mogelijkheid het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 9] te vergroten met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van het op dat moment geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening". In deze brief staat dat een vergroting mogelijk is, mits [appellant sub 9] zijn verzoek aanvult overeenkomstig hetgeen hiervoor is besproken in 29.2. Onvoorwaardelijke toezeggingen worden in deze brief niet gedaan. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, door geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 9] om vergroting van zijn bouwvlak tot 1,5 ha.

29.4. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 9] om vergroting van zijn bouwvlak tot 1,5 ha heeft kunnen afwijzen. Het betoog faalt.

30. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid op zijn perceel een windturbine op te richten. Hij voert hiertoe aan dat hij voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpplan een aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten van een windturbine heeft ingediend. De raad was aldus tijdig bekend met het initiatief van [appellant sub 9] en had zijn verzoek dienen te beoordelen bij het vaststellen van het plan.

30.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de PRV voorziet een bestemmingsplan niet in bestemmingen en regels die het bouwen of opschalen van een of meer windturbines mogelijk maken.

30.2. Het verzoek van [appellant sub 9] is in strijd in met artikel 32 van de PRV. De raad heeft het verzoek van [appellant sub 9] daarom terecht afgewezen. Het betoog faalt.

31. [appellant sub 9] betoogt dat ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op zijn perceel seizoensarbeiders te huisvesten in (sta)caravans. Hij voert hiertoe aan dat op veel locaties in het plangebied seizoensarbeiders in stacaravans worden gehuisvest en dat het gemeentebestuur daartegen niet handhavend optreedt.

31.1. Volgens de raad voorziet het plan op bepaalde locaties in de mogelijkheid seizoensarbeiders te huisvesten in bestaande gebouwen. Huisvesting in mobiele kampeermiddelen is in strijd met het gemeentelijk beleid. Tegen dergelijke vormen van huisvesting treedt het gemeentebestuur handhavend op, aldus de raad.

31.2. Aan het perceel [locatie 13] is de bestemming "Agrarisch", met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Voor het perceel is niet voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - huisvesting seizoensarbeiders".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;

[…];

h. huisvesting voor agrarische seizoenarbeiders, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - huisvesting seizoensarbeiders", met dien verstande dat het aantal agrarische seizoensarbeiders niet meer bedraagt dan het bestaande aantal en deze huisvesting alleen is toegestaan in bestaande bouwwerken;

[…].

31.3. In de plantoelichting staat dat in het facetbestemmingsplan "Kleinschalig kamperen en huisvesting van de agrarische seizoenarbeiders" beleid is verwerkt ten aanzien van seizoenshuisvesting. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 27 april 2010 en is ook verwerkt in het plan. Op het agrarische bouwperceel mogen ten hoogste 40 agrarische seizoensarbeiders worden gehuisvest. Als er woonunits voor de huisvesting van agrarische seizoensarbeiders op het agrarische bouwperceel worden geplaatst, dan mag dit voor maximaal 20 van het totaal van 40 agrarische seizoensarbeiders zijn. De huisvesting moet voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Deze voorwaarde is opgenomen omdat het woonruimte betreft en er moet worden voorkomen dat er onvoldoende woonkwaliteit aan de agrarische seizoensarbeider wordt geboden. Op het agrarische bouwperceel moet ruimte worden gemaakt voor een centrale ontspanningsgelegenheid, bijvoorbeeld in de vorm van een recreatieverblijf. Ook moeten er voldoende sanitaire voorzieningen voor de agrarische seizoenarbeiders aanwezig zijn.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de huisvesting van seizoensarbeiders in mobiele kampeermiddelen in strijd is met het gemeentelijk beleid. [appellant sub 9] heeft niet nader gemotiveerd waarom hij ernstig wordt benadeeld door dit beleid. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Uit de gestelde omstandigheid dat het gemeentebestuur niet optreedt tegen de huisvesting van seizoensarbeiders in mobiele kampeermiddelen, wat daar verder ook van zij, volgt niet dat de raad een dergelijk gebruik planologisch dient te faciliteren. Het betoog faalt.

32. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit op zijn perceel. Volgens [appellant sub 9] is de afwijzing van zijn verzoek in strijd met de notitie "Gebiedsvisie Sint Maartenszee", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Zijpe op 25 september 2012. Daarin staat dat recreatief medegebruik van zijn gronden mogelijk is.

32.1. Volgens de raad is het gemeentelijk beleid ten aanzien van het kleinschalig kamperen als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven vastgelegd in het facetbestemmingsplan "Kleinschalig kamperen en huisvesting van agrarische seizoensarbeiders". Kleinschalige kampeerterreinen zijn niet toegelaten op gronden binnen een straal van 1 km tot reguliere kampeerterreinen. Het perceel van [appellant sub 9] is gesitueerd op minder dan 1 km tot camping "De Lepelaar". De "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" verplicht niet tot het toelaten van deze nevenactiviteit op het perceel van [appellant sub 9], aldus de raad.

32.2. Voor het perceel [locatie 13] is niet voorzien in de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder o, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" met dien verstande dat het aantal niet-permanente standplaatsen niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen".

32.3. In de plantoelichting staat dat het beleid ten aanzien van kleinschalig kamperen opgenomen is in het facetbestemmingsplan "Kleinschalig kamperen en huisvesting van agrarische seizoensarbeiders". Het facetbestemmingsplan is verwerkt in de regels van het plan. Voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein wordt uitgegaan van een aantal voorwaarden. Omdat de aanleg van een kleinschalig kampeerterrein kwalitatief hoogwaardig moet zijn, zijn er afstandseisen tussen de kleinschalige kampeerterreinen onderling opgenomen. De afstand moet ten minste 500 m zijn. Ook de afstand tot een regulier kampeerterrein is opgenomen. De afstand tussen het kleinschalig kampeerterrein en het reguliere kampeerterrein moet ten minste 1 km zijn, aldus de plantoelichting.

32.4. Niet in geschil is dat het perceel van [appellant sub 9] gesitueerd is binnen een straal van 1 km tot camping "De Lepelaar". De raad heeft ter zitting toegelicht dat de afstandscriteria in het gemeentelijk beleid zijn opgenomen teneinde een zekere ruimtelijke spreiding te waarborgen tussen kleinschalige kampeerterreinen onderling en tussen kleinschalige kampeerterreinen en reguliere kampeerterreinen. Vanuit ruimtelijk oogpunt is concentratie van kampeerterreinen ongewenst. Voorkomen dient te worden dat een aaneengesloten recreatiegebied ontstaat. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Wat betreft het beroep van [appellant sub 9] op hoofdstuk 5 van de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee", overweegt de Afdeling dat uit de kaart en de bijbehorende legenda volgt dat het gebied ten zuiden van het perceel van [appellant sub 9] geschikt is voor de ontwikkeling van een recreatief knooppunt. Verder zijn op de kaart gewenste aan te leggen recreatieve routes weergegeven. Deze lopen onder meer nabij/langs het perceel van [appellant sub 9]. Uit de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" volgt niet dat een (kleinschalig) kampeerterrein toegelaten dient te worden op het perceel van [appellant sub 9].

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 9] om het toelaten van een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij zijn agrarisch bedrijf heeft kunnen afwijzen. Het betoog faalt.

33. [appellant sub 9] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een wijzigingsbevoegdheid voor zijn gronden waarmee de agrarische bestemming kan worden gewijzigd naar "Recreatie". In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was een dergelijke wijzigingsbevoegdheid wel opgenomen. Volgens [appellant sub 9] staat in de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" dat een uitbreiding van de recreatiefunctie op zijn gronden mogelijk is.

33.1. Het is volgens de raad niet juist dat het voorheen geldende planologische regime voorzag in de door [appellant sub 9] gewenste wijzigingsbevoegdheid. In het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" was weliswaar voorzien in de mogelijkheid de bestemming van de gronden van [appellant sub 9] te wijzigen naar "Recreatie", maar het voorheen geldende planologische regime voor het perceel van [appellant sub 9] betreft de beheersverordening "Buitengebied Zijpe". Daarin was niet voorzien in de door [appellant sub 9] gewenste wijzigingsbevoegdheid. Volgens de raad zijn nieuwe ontwikkelingen die voorzien in uitbreiding van recreatieterreinen in strijd met de PRV en met het gemeentelijk beleid.

33.2. Ingevolge artikel 2, onder kk, van de PRV wordt daarin onder "verstedelijking" verstaan: ontwikkeling van functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover de hiervoor genoemde functies het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien:

a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond;

b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd en;

c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

33.3. In de toelichting bij artikel 14 van de PRV staat dat in de artikelen 12 en 13 uitsluitend regels worden gegeven voor de aanleg van bedrijventerreinen en de woningbouw buiten bestaand bebouwd gebied, maar niet voor de overige vormen van verstedelijking buiten bestaand bebouwd gebied. Onder overige verstedelijking wordt bijvoorbeeld verstaan bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, openbare en/of maatschappelijke voorzieningen zoals sportvoorzieningen (stadions) of een ziekenhuis, recreatieterreinen zoals bungalowparken en golfterreinen, waarbij bebouwing mogelijk is. De provincie wil op ontwikkelingen kunnen sturen die de openheid van het landelijk gebied (negatief) kunnen beïnvloeden, aldus de toelichting.

33.4. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een wijziging van de agrarische bestemming van de gronden van [appellant sub 9] naar "Recreatie" in strijd is met de PRV.

[appellant sub 9] heeft niet toegelicht dat in dit geval voldaan wordt aan de voorwaarden voor het afwijken van het verbod uit het eerste lid, in het bijzonder wat betreft de noodzaak van de wijziging van de bestemming van zijn gronden naar "Recreatie".

Wat betreft het beroep [appellant sub 9] op de "Gebiedsvisie Sint Maartenszee" verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor in 32.4 is heeft overwogen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid niet heeft hoeven te voorzien in een bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming van voor de gronden van [appellant sub 9] naar "Recreatie". Het betoog faalt.

34. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

35. Het beroep van [appellant sub 10] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" wat betreft de gronden van het recreatiepark "De Garnekuul". [appellant sub 10] is eigenaar van een recreatiewoning op dit recreatiepark.

Formele aspecten

36. [appellant sub 10] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

36.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

Gewijzigde plansystematiek

37. [appellant sub 10] betoogt dat de raad voor het recreatiepark "De Garnekuul" ten onrechte heeft gekozen voor een globale recreatiebestemming. Hij vreest hierdoor een aantasting van zijn woongenot, in het bijzonder door een verlies aan bezonning, privacy en de aantasting van het rustige karakter van het recreatiepark.

Hiertoe voert [appellant sub 10] onder meer aan dat vanwege het ontbreken van bouwvlakken op het recreatieterrein - anders dan bij het voorgaande bestemmingsplan - thans onduidelijk is in hoeverre bestaande recreatiewoningen kunnen worden uitgebreid en/of verplaatst. Daarnaast zijn als gevolg van de gekozen plansystematiek de bosschages, de speelplaats, het parkeerterrein, de afmetingen van het trottoir en de rijwegen volgens [appellant sub 10] ten onrechte niet langer in het bestemmingsplan gewaarborgd.

37.1. Nu het bestemmingsplan een harmonisering betreft van verschillende oude bestemmingsplannen, heeft de raad gekozen voor een uniforme wijze van bestemmen van recreatieterreinen. De raad heeft daarbij gekozen voor een wijze van bestemmen waarbij meer flexibiliteit wordt geboden voor de inrichting van de recreatieterreinen.

37.2. Aan het recreatieterrein "De Garnekuul" is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" en de aanduiding "maximaal aantal recreatiewoningen: 97" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.32, van de planregels wordt onder centrale voorzieningen verstaan: gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van een recreatieterrein als geheel, zoals een kampwinkel, kantine, ontvangstkantoor, zwembad, toilet/wasgebouw, sport- en spelvoorzieningen, gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het recreatief wonen in recreatiewoningen van personen die elders hun hoofdverblijf hebben;

[…]

d. centrale voorzieningen;

[…]

met de daarbij behorende:

[…]

i. tuinen, erven en terreinen;

j. groenvoorzieningen;

k. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

l. parkeervoorzieningen, uitsluitend ten behoeve van de bestemming;

[…].

Ingevolge lid 20.2.1 gelden voor het bouwen van recreatiewoningen de volgende regels:

a. het aantal recreatiewoningen binnen het bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal recreatiewoningen";

b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6,5 m dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;

c. de gezamenlijke oppervlakte van recreatiewoningen en bijgebouwen bedraagt niet meer dan 70 m² dan wel een oppervlakte van niet meer dan 1/3 van het bij de recreatiewoning behorende bouwperceel tot een maximum van 100 m².

37.3. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een bepaalde bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Vaststaat dat aan de gronden van het recreatiepark "De Garnekuul", in tegenstelling tot onder het voorgaande planologische regime, geen aparte bouwvlakken meer zijn toegekend. Voorts zijn thans niet langer aparte bestemmingen opgenomen voor bosschages, parkeren en wegen (met inbegrip van de nodige rijwegen, voetpaden en bermen). De raad heeft thans gekozen voor de toekenning van één recreatiebestemming aan het gehele recreatiepark, op grond waarvan naast het gebruik voor recreatief wonen, de gronden ook mogen worden gebruikt voor onder meer groenvoorzieningen, centrale voorzieningen en parkeervoorzieningen ten behoeve van het recreatiepark. De raad heeft hiermee willen voorzien in meer flexibiliteit bij de inrichting van het recreatieterrein "De Garnekuul". [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gekozen plansystematiek leidt tot rechtsonzekerheid. In dit verband acht de Afdeling van belang dat een maximum is gesteld aan het aantal toegestane recreatiewoningen op het terrein en dat een recreatiewoning tezamen met de bijbehorende bouwwerken maximaal 70 m² mag bedragen dan wel een oppervlakte van niet meer dan 1/3 van het bij de recreatiewoning behorende bouwperceel tot een maximum van 100 m². Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde plansystematiek rechtsonzeker is. Het betoog faalt in zoverre.

37.3.1. Niet uitgesloten is dat de gewijzigde plansystematiek een nadelige invloed kan hebben op het gebruik door [appellant sub 10] van zijn recreatiewoning aan de [locatie 14]. In het algemeen kunnen aan een voorheen geldend bestemmingsplan echter geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in dit geval gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat door de gekozen plansystematiek flexibiliteit wordt geboden aan de verschillende betrokken eigenaren bij de inrichting van het recreatiepark "De Garnekuul". [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen die hij vanwege de gekozen plansystematiek eventueel zou kunnen ondervinden zodanig zijn dat de raad hierdoor niet in redelijkheid voorkeur heeft kunnen geven aan de gekozen plansystematiek. Dat de ligging van de voetpaden en rijwegen niet langer is vastgelegd op de verbeelding, acht de Afdeling in het onderhavige geval niet onredelijk.

Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat het bestaande autovrije karakter van het recreatiepark onvoldoende is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat het treffen van verkeersmaatregelen een uitvoeringsaspect van het bestemmingsplan betreft. Verkeersmaatregelen kunnen niet in een bestemmingsplan worden opgenomen. Het betoog faalt.

Wat de vrees van [appellant sub 10] betreft dat alle percelen op het recreatieterrein worden volgebouwd, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, onder a, van de planregels een maximum is gesteld aan het aantal toegestane recreatiewoningen op het terrein. Voorts mag een recreatiewoning ingevolge lid 20.2.1, onder c, tezamen met de bijbehorende bouwwerken in beginsel maximaal 70 m² bedragen dan wel een oppervlakte van niet meer dan 1/3 van het bij de recreatiewoning behorende bouwperceel tot een maximum van 100 m². Het betoog faalt.

37.3.2. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat het behoud van de bestaande speelplaats en het parkeerterrein onvoldoende zijn gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Vaststaat dat het parkeerterrein en de bestaande speelvoorzieningen met de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" als zodanig zijn bestemd. De raad heeft toegelicht dat de gronden van het recreatiepark waarop het parkeerterrein en de speelvelden liggen eigendom zijn van de gemeente. Ter zitting heeft de raad ten aanzien van het bestaande parkeerterrein en de bestaande speelvoorzieningen te kennen gegeven dat de gemeente deze gemeenschappelijke voorzieningen niet gaat opheffen. Nu de gemeente het op grond van haar eigendomspositie in haar macht heeft deze toezegging na te komen en niet is gebleken van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van verplichtingen daartoe in het plan. Het betoog van [appellant sub 10] faalt.

37.3.3. Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat - anders dan in het geldende bestemmingsplan - het behoud van de bestaande bosschages ten onrechte niet is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat in het voorgaande planologische regime het verharden van gronden met de bestemmingen "Groenvoorziening" en "Tuinen en erven" ook niet was uitgesloten. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de opname van een planregel voor het behoud van de bestaande bosschages op het recreatiepark. Overigens heeft de raad toegelicht dat de gronden waarop deze groenvoorzieningen liggen, eigendom zijn van de gemeente en dat de gemeente geen plannen heeft om de inrichting van het park te wijzigen. Het betoog faalt.

Bouwmogelijkheden

38. [appellant sub 10] betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte voorziet in een verruiming van de bouwmogelijkheden op het recreatiepark "De Garnekuul", in het bijzonder de verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogtes van recreatiewoningen. [appellant sub 10] vreest hierdoor verlies van bezonning en een aantasting van zijn privacy.

38.1. Ingevolge artikel 20, lid 20.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;

b. de verkeersveiligheid;

c. de sociale veiligheid;

d. de milieusituatie;

e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Ingevolge lid 20.4 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.2.1 voor een hogere bouwhoogte en voor het vergroten van het oppervlak van een recreatiewoning, met dien verstande dat:

a. de bouwhoogte niet meer dan 7 m mag bedragen;

b. de oppervlakte niet meer dan 120 m² mag bedragen;

c. niet meer dan 27,5 % van het bij de recreatiewoning behorend bouwperceel mag worden bebouwd.

De genoemde omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

- een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;

- de verkeersveiligheid;

- de sociale veiligheid;

- de milieusituatie;

- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

38.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Vaststaat dat de beheersverordening op het recreatieterrein "De Garnekuul" voor de meeste recreatiewoningen voorzag in een bouwhoogte van maximaal 3,5 m. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in overeenstemming met de nota "Beleidsnota Verblijfsrecreatie, gemeente Zijpe" die is vastgesteld op 28 oktober 2008 door de raad van de voormalige gemeente Zijpe (hierna: de beleidsnota) - die de raad blijkens paragraaf 3.4.7 van de plantoelichting heeft toegepast bij de vaststelling van dit bestemmingsplan - de toegestane bouwhoogte van recreatiewoningen is verhoogd naar maximaal 6,5 m. Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor het recreatiepark "De Garnekuul" had moeten afwijken van de beleidsnota. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat voor een aantal recreatiewoningen op het recreatiepark reeds een hogere bouwhoogte dan 3,5 m was vergund. Voorts heeft [appellant sub 10] niet aannemelijk gemaakt dat zijn woongenot of privacy op een dusdanige wijze wordt aangetast dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van de recreatiewoningen op "De Garnekuul".

38.3. Het betoog van [appellant sub 10] dat thans onduidelijk is vanaf welk punt de voorziene bouwhoogtes moeten worden gemeten, volgt de Afdeling niet. Ingevolge artikel 2, lid 2.4, van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Ingevolge artikel 1, lid 1.77, van de planregels wordt voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst onder peil verstaan de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. Ingevolge artikel 1, lid 1.77 wordt voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst onder peil verstaan de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. De Afdeling acht deze wijze van meten niet rechtsonzeker. Het betoog faalt.

38.4. Evenmin volgt de Afdeling het betoog van [appellant sub 10] dat de verhouding tussen artikel 20, lid 20.2.1, aanhef en onder b, van de planregels met lid 20.4, aanhef en onder a, onduidelijk is. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de bouwhoogte die ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, aanhef en onder b, van de planregels van 6,5 m bij recht is voorzien, maar dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor een recreatiewoning met een bouwhoogte van maximaal 7 m. Deze omgevingsvergunning kan op grond van artikel 20, lid 20.4, van de planregels uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van onder meer de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. Het betoog faalt.

38.5. Voor zover het betoog van [appellant sub 10] voorts aldus moet worden begrepen dat de raad ten onrechte heeft voorzien in kelders bij de recreatiewoningen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 10] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn woongenot daardoor onevenredig wordt aangetast. Gelet hierop biedt hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel van de Afdeling dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in kelders bij de recreatiewoningen. Het betoog faalt.

Centrale voorzieningen

39. [appellant sub 10] betoogt dat op het recreatieterrein ten onrechte is voorzien in centrale voorzieningen en bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken. [appellant sub 10] vreest dat hierdoor het parkeerterrein, de speelvoorzieningen en de bosschages zullen verdwijnen, hetgeen volgens hem leidt tot een aantasting van het bestaande karakter van het recreatiepark.

39.1. Ingevolge artikel 20, lid 20.2.3, van de planregels gelden voor het bouwen van centrale voorzieningen de volgende regels:

a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen mag niet meer dan 5% van het bestemmingsvlak bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;

b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mogen niet meer dan 5 m respectievelijk 6 m bedragen, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen.

Ingevolge lid 20.2.4 geldt het volgende:

a. het aantal bedrijfswoningen bedraagt per bedrijf niet meer dan het bestaande aantal;

[…]

Ingevolge lid 20.6.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van een eerste bedrijfswoning, met dien verstande dat:

[…]

Ingevolge lid 20.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het toestaan van een tweede bedrijfswoning, met dien verstande dat:

[…]

39.2. Vaststaat dat op het recreatiepark "De Garnekuul" thans geen bedrijfswoning staat, zodat gelet op artikel 20, lid 20.2.4, aanhef en onder a, van de planregels in beginsel geen bedrijfswoning is toegestaan op het recreatiepark. Het betoog van [appellant sub 10] mist in zoverre feitelijke grondslag. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 10] ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een bedrijfswoning op het recreatiepark dan ook aldus dat dit betoog is gericht tegen de wijzigingsbevoegdheden van artikel 20, leden 20.6.1 en 20.6.2, van de planregels op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders alsnog kan voorzien in een eerste en een tweede bedrijfswoning op een recreatiepark.

De raad heeft toegelicht dat hij met het bestemmingsplan onder meer een harmonisering van de planregels voor de verschillende recreatieparken in het plangebied heeft beoogd. Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft de raad met de toekenning van de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 1" de verschillende recreatieparken in het plangebied flexibiliteit willen bieden bij de inrichting. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201307530/1/R1 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat bij algemene afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op een specifieke locatie in beginsel kan worden volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele toepassing van de wijzigingsbevoegdheden zal leiden tot een onevenredige aantasting van het karakter van het recreatiepark "De Garnekuul". Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de opname van deze wijzigingsbevoegdheden. Overigens merkt de Afdeling op dat de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid een bevoegdheid betreft en niet een plicht. Het betoog faalt in zoverre.

39.3. Hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in centrale voorzieningen op het recreatiepark "De Garnekuul". Hiertoe overweegt de Afdeling dat het gezamenlijke oppervlak van de centrale voorzieningen, waaronder overigens sport- en spelvoorzieningen, niet meer dan 5% van het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 1" mag bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt. [appellant sub 10] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn woongenot daardoor onevenredig wordt aangetast. Het betoog van [appellant sub 10] faalt.

Conclusie

40. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

Het beroep van Gasunie

41. Het beroep van Gasunie is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" wat betreft de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg. Gasunie betoogt dat de verbeelding in zoverre niet overeenkomt met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens Gasunie moet aan de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 de bestemming "Bedrijf - Gasontvangstation" worden toegekend.

41.1. Aan het gasontvangstation W-043 was in het ontwerpplan de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend. Het bestemmingsplan is naar aanleiding van de zienswijze van Gasunie in zoverre gewijzigd vastgesteld dat aan het gasontvangstation W-043 de bestemming "Bedrijf - Gasontvangstation" is toegekend. De raad erkent dat de verbeelding in zoverre niet overeenkomt met het vaststellingsbesluit, omdat aan het gasontvangstation op de verbeelding per abuis de bestemming "Leiding - Gas" is toegekend. De raad erkent daarmee dat hij niet heeft bereikt wat hij heeft beoogd, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" voor de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg naar het oordeel van de Afdeling niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Het betoog van Gasunie slaagt.

41.2. In hetgeen Gasunie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" voor de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Gasunie is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 12]

42. Het beroep van [appellant sub 12] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" wat betreft het perceel [locatie 15]. [appellant sub 12] betoogt dat het bestemmingsplan in zoverre ten onrechte gewijzigd is vastgesteld, in die zin dat de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" voor het perceel [locatie 15] is vervangen door een woonbestemming en de aanduiding voor een kleinschalig kampeerterrein. Door deze wijziging is een met bouwvergunning opgerichte schuur op het perceel volgens hem ten onrechte niet als zodanig bestemd. Hij acht dit onder meer in strijd met het vertrouwensbeginsel en paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting. Het behoud van de schuur is volgens [appellant sub 12] van belang voor zijn bedrijfsvoering.

42.1. De raad erkent dat de schuur met een bouwvergunning is opgericht. De raad voert echter aan dat in 2010 een vrijstelling en een bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een woonhuis en een gebouw voor sanitaire voorzieningen voor het kampeerterrein, nadrukkelijk onder de voorwaarde dat de oude schuur zou worden gesloopt. Op 17 maart 2010 is een sloopvergunning verleend ten behoeve van de oude schuur.

42.2. Aan het perceel [locatie 15] zijn de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" en "maximum aantal niet-permanente standplaatsen: 15" toegekend.

Ingevolge artikel 30, lid 30.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;

[…]

e. een kleinschalig kampeerterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" met dien verstande dat het aantal niet-permanente standplaatsen niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen";

[…]

Ingevolge lid 30.2.3 gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij woningen de volgende regels:

[…]

b. de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing, met inbegrip van het hoofdgebouw, mag niet meer bedragen dan 300 m² dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat:

1. het bebouwingspercentage op een bouwperceel niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen;

2. de totale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van het hoofdgebouw;

3. voor de berekening van de totale oppervlakte, de oppervlakte van zomerwoningen als genoemd onder 30.2.2 niet meetelt;

c. in afwijking van het bepaalde onder b mag bij bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 2.000 m2 de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen maximaal 120 m2 bedragen;

d. de afstand van bijgebouwen tot het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 35 m, dan wel de bestaande afstand indien deze meer bedraagt;

[…]

42.3. Niet in geschil is dat de oude schuur op het perceel [locatie 15] met een bouwvergunning is opgericht. Vaststaat dat op 11 maart 2010 een vrijstelling en een bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een woning en een gebouw voor sanitaire voorzieningen ten behoeve van het aanwezige kleinschalige kampeerterrein op het perceel [locatie 15]. In het besluit van 11 maart 2010 staat nadrukkelijk dat de bouwvergunning en de vrijstelling zijn verleend onder voorwaarde dat de op het perceel aanwezige oude schuur nabij het perceel [locatie 16] dient te worden gesloopt binnen drie maanden na het gereedkomen van de woning en schuur. [appellant sub 12] heeft op 12 maart 2010 een aanvraag ingediend voor een sloopvergunning voor deze oude schuur. De sloopvergunning is vervolgens op 17 maart 2010 door het college van burgemeester en wethouders verleend. In een brief van 10 december 2010 wordt namens het college van burgemeester en wethouders aan [appellant sub 12] medegedeeld dat overeenkomstig de beschikking van 11 maart 2010 is gebouwd en dat aan de in de beschikking gestelde aanwijzingen/voorwaarden is voldaan. Vaststaat dat de oude schuur tot op heden niet is gesloopt.

42.4. Niet in geschil is dat het totale oppervlak van de oude schuur en het nieuwe gebouw voor sanitaire voorzieningen meer dan 120 m² bedraagt en dat het bouwperceel een oppervlakte heeft van meer dan 2.000 m², zodat gelet op artikel 30, lid 30.2.3, aanhef en onder c, van de planregels niet alle bijgebouwen op het perceel [locatie 15] als zodanig zijn bestemd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dit ook is beoogd en heeft daarbij onweersproken gesteld dat er ten aanzien van het perceel [locatie 15] momenteel een handhavingsprocedure loopt vanwege de oude schuur. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" aan het perceel [locatie 15] heeft kunnen toekennen.

42.5. Over het betoog van [appellant sub 12] dat de raad daarmee het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 12] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat aan het perceel [locatie 15] de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" zou worden toegekend. Dat in het ontwerpplan wel de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" aan zijn perceel was toegekend, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat [appellant sub 12] in een brief van 10 december 2010 namens het college van burgemeester en wethouders is medegedeeld dat hij overeenkomstig de op 11 maart 2010 verleende beschikking heeft gebouwd biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders lange tijd niet handhavend heeft opgetreden tegen de oude schuur. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust immers niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 12] faalt.

42.6. Voor zover [appellant sub 12] heeft aangevoerd dat de raad in strijd met het in paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting beschreven uitgangspunt niet de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" heeft toegekend aan zijn perceel, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. In paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting staat dat kleinschalig kamperen bij de boer (minicampings) niet zonder meer is toegestaan en dat daarvoor een afwijkingsprocedure moet worden gevolgd. Blijkens de plantoelichting heeft de raad een uitgangspunt gehanteerd waarbij alleen bestaande minicampings die worden beheerd door burgers (zonder agrarische activiteiten) (mits legaal) positief worden aangeduid. Gelet hierop en nu niet in geschil is dat [appellant sub 12] op het perceel [locatie 15] een minicamping exploiteert, heeft de raad overeenkomstig het uitgangspunt zoals verwoord in paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting aan dat perceel de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" toegekend. Het betoog van [appellant sub 12] faalt.

42.7. Wat het betoog van [appellant sub 12] betreft dat de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en dat de raad derhalve had moeten onderzoeken of de toekenning van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" aan de oude schuur mogelijk was, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat hij bij de vaststelling van het bestemmingsplan een uitgangspunt heeft gehanteerd waarbij alleen aan gronden een recreatiebestemming is toegekend indien voorheen ter plaatse ook een recreatiebestemming gold. Vaststaat dat aan het perceel [locatie 15] geen recreatiebestemming was toegekend, zodat de raad overeenkomstig dit uitgangspunt in het thans voorliggende bestemmingsplan niet de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 2" heeft toegekend aan het perceel. De raad heeft toegelicht dat hij ten behoeve van het perceel [locatie 15] niet heeft willen afwijken van dit uitgangspunt, teneinde verstedelijking van het buitengebied te voorkomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 12] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toekenning van de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie 2" noodzakelijk is voor zijn bedrijfsvoering. Het betoog van [appellant sub 12] faalt.

Conclusie

42.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 12] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 13]

43. [appellante sub 13] betoogt dat voor haar perceel [locatie 17] in Burgerbrug ten onrechte is voorzien in de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m". Deze aanduiding beperkt de bouwmogelijkheden voor haar gronden, waardoor een toekomstige uitbreiding van de bedrijfsbebouwing niet mogelijk is. De aanduiding is toegekend vanwege de ligging van een monumentale windmolen op het perceel Grote Sloot 33. Dit perceel ligt op een afstand van ongeveer 170 m ten zuidwesten van het perceel [locatie 17]. Volgens [appellante sub 13] is de getroffen beschermingsregeling, die tot doel heeft de beperking van de windvang tegen te gaan, niet noodzakelijk omdat de heersende windrichting in het gebied zuidwestelijk is. De wind komt vanaf de Noordzee, richting de molen en gaat pas dan over het perceel van [appellante sub 13]. De bebouwing op haar perceel is daarom niet of nauwelijks van invloed op het draaien van de wieken. [appellante sub 13] beroept zich op gegevens van het KNMI waaruit volgens haar de juistheid van haar standpunt over de heersende windrichting blijkt. Zij voert verder aan dat de windmolen slechts op een beperkt aantal dagen van het jaar in gebruik is. Ook gelet daarop is de beperking van de bouwmogelijkheden onevenredig met de daarmee te dienen belangen, aldus [appellante sub 13].

43.1. Volgens de raad schrijft het provinciale beleid als vastgelegd in de "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie" vastgesteld door provinciale staten bij besluit van 21 juni 2010 voor dat voor gronden in de nabijheid van (monumentale) windmolens voorzien dient te worden in een beschermingszone, de zogeheten molenbiotoop. Het doel hiervan is het tegengaan van ontwikkelingen die afbreuk doen aan de belevingswaarde en de windvang van de molen. De aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" is in overeenstemming met het provinciale beleid. Met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kan worden afgeweken van de regels die gelden ter plaatse van deze aanduiding, zodat een hogere bouwhoogte is toegelaten. Voorwaarde voor toepassing is dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een onevenredige aantasting van de windvangzone en/of de belevingswaarde van de molen. De omstandigheid dat de heersende windrichting zuidwestelijk is, maakt niet dat de beschermingsregeling niet noodzakelijk is, aldus de raad.

43.2. Aan het perceel [locatie 17] is de bestemming "Agrarisch", met de aanduidingen "bouwvlak" en "vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m" toegekend.

Ingevolge artikel 46, lid 46.6, onder b, van de planregels mogen binnen de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" geen hogere gebouwen worden gebouwd dan door middel van onderstaande formule wordt bepaald:

H = X/n + c * z

waarin:

H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen).

X = de afstand in meters vanaf het gebouw tot de wieken van de molen.

n = de ruwheidcoëfficiënt volgens de ruwheidsklassentabel van Wieringa:

- 140 voor open gebied;

- 75 voor een ruw gebied;

- 50 voor een gesloten gebied.

c = 0,2 (constante in verband met een windreductie van 5%).

z = de askophoogte van de molen. Deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel:

[tabel met daarin de askophoogtes van de windmolens binnen het plangebied. De askophoogte van de windmolen op het perceel Grote Sloot 33 bedraagt 22 m].

c. Bestaande bouwwerken waarvan de hoogte afwijkt van hetgeen op grond van sub b zou zijn toegestaan, worden geacht in overeenstemming te zijn met het bepaalde onder b.

d. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder b, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig het ten aanzien van de bestemmingen bepaalde, mits de windvangzone van de molen en/of de waarde van de molen als landschapsbepalend element daardoor niet onevenredig wordt aangetast.

43.3. In paragraaf 5.7 van de "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie" staat dat de landschappelijke en cultuurhistorische betekenis van molens groot is. Veel molens zijn als rijksmonument aangewezen. In het ruimtelijke ordeningsbeleid moeten gemeenten zoveel mogelijk rekening houden met de "molenbiotoop". In verband met de windvang en het weren van storende visuele elementen dient buiten bestaand bebouwd gebied de vrije ruimte rond molens gehandhaafd te blijven. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten:

- binnen 100 m rond de molen mag geen bebouwing of beplanting hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht;

- binnen een afstand van 100 tot 400 m rond de molen moet wat betreft bebouwing en beplantingen het volgende geregeld worden: de hoogte mag niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen de bouwwerk/beplanting en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

De historische molen op het perceel Grote Sloot 33 is opgenomen op de kaart op pagina 81 van de "Leidraad Landschap en Cultuurhistorie".

43.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de formule als opgenomen in artikel 46, lid 46.6, onder b, van de planregels tot gevolg heeft dat op het perceel van [appellante sub 13] een bouwhoogte van ongeveer 5,5 m zonder meer is toegelaten. De aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m" leidt er derhalve toe dat voor hogere gebouwen een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan nodig is.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat, anders dan [appellante sub 13] heeft gesteld, de monumentale windmolen niet slechts incidenteel in gebruik is. Hij heeft in dit verband toegelicht dat de windmolen met regelmaat wordt gebruikt voor de bemaling, in geval de capaciteit van het (elektrische) gemaal onvoldoende is of bij onderhoud ervan. De windmolen maakt ongeveer 200 draaiuren per jaar.

Uit de door [appellante sub 13] overgelegde gegevens van het KNMI volgt dat de windrichting ter plaatse van haar perceel voornamelijk zuidwestelijk is. Uit de overgelegde grafische visualisatie van de windrichtingverdeling volgt evenwel dat het gebied in niet verwaarloosbare mate te maken heeft met andere windrichtingen, in het bijzonder met noordoostenwind. Gelet hierop en mede in aanmerking nemende dat het provinciaal beleid ten aanzien van molenbiotopen mede strekt tot de bescherming van de belevingswaarde van monumentale windmolens is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een beschermingsregeling voor de windmolen op het perceel Grote Sloot 33 noodzakelijk is. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden aanduiding leidt tot ernstige beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van [appellante sub 13], nu het voorziene verbod niet absoluut is en gebouwen die hoger zijn dan ongeveer 5,5 m in beginsel mogelijk zijn na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling wijst in dit verband op de omstandigheid dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het gemeentebestuur het voornemen heeft medewerking te verlenen aan een aanvraag van [appellante sub 13] voor een stal van met een hoogte van ongeveer 11 m.

Het betoog faalt.

44. [appellante sub 13] betoogt dat ten onrechte is voorzien in niet meer dan 15 standplaatsen voor het medegebruik van haar gronden voor een kleinschalig kampeerterrein. Volgens [appellante sub 13] dient bij recht te worden voorzien in maximaal 25 standplaatsen. Een deugdelijke reden waarom dit aantal pas kan worden toegelaten na het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid ontbreekt, aldus [appellante sub 13].

44.1. Volgens de raad heeft [appellante sub 13] geen concreet verzoek gedaan om uitbreiding van haar kleinschalig kampeerterrein. In haar zienswijze op het ontwerpplan heeft zij geklaagd over een beweerdelijke onduidelijkheid in de planregeling, maar zij heeft niet gesteld dat zij het voornemen heeft haar nevenactiviteit uit te breiden en dat daarom bij recht voorzien dient te worden in maximaal 25 standplaatsen op haar perceel. Een vergroting van het aantal standplaatsen is in beginsel mogelijk na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, aldus de raad.

44.2. Aan het perceel [locatie 17] zijn tevens de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" en "maximum aantal niet-permanente standplaatsen = 15" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder o, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een kleinschalig kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein" met dien verstande dat het aantal niet-permanente standplaatsen niet meer mag bedragen dan zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen".

Ingevolge lid 3.6, aanhef en onder d, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.1 en toestaan dat de gronden worden gebruikt ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein of voor het realiseren van een groter aantal standplaatsen dan op grond van de aanduiding "maximum aantal niet-permanente standplaatsen" is toegestaan, mits is voldaan aan de onderstaande regels:

[…];

11. op een kleinschalig kampeerterrein zijn ten hoogste 25 standplaatsen toegestaan;

[…].

44.3. In haar zienswijze heeft [appellante sub 13] gesteld dat het ontwerpplan rechtsonzeker is, omdat niet valt op te maken of op haar gronden 15 standplaatsen zijn toegestaan en of het plan een uitbreiding van de nevenactiviteit kleinschalig kamperen mogelijk maakt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat [appellante sub 13] het voornemen had haar kleinschalige kampeerterrein uit te breiden naar ten hoogste 25 standplaatsen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid niet bij recht heeft hoeven te voorzien in meer dan 15 standplaatsen voor het kleinschalige kampeerterrein op de gronden van [appellante sub 13]. Het betoog faalt.

45. [appellante sub 13] betoogt dat een bestaand gebouw op haar perceel ten onrechte niet is bestemd als tweede (bedrijfs)woning. Het betreft een voormalig werkmanshuis dat in de periode na de Tweede Wereldoorlog in gebruik is geweest als woning. Een tweede bedrijfswoning op het perceel is noodzakelijk met het oog op een eventuele bedrijfsovername door de zoon van de vennoten.

45.1. Volgens de raad was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" op het perceel [locatie 17] één woning toegelaten. Het voormalige werkmanshuis was ten tijde van het vaststellen van het plan niet geschikt voor woondoeleinden en ook niet als zodanig in gebruik. Bij het vaststellen van het plan is aangesloten bij de bestaande legale situatie op het perceel. Een tweede woning op het perceel is in strijd met de PRV en het gemeentelijk beleid om geen nieuwe woningen toe te laten in het buitengebied. Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien wordt aangetoond dat een tweede bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse. [appellante sub 13] heeft niet aangetoond dat een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is. Indien de noodzaak alsnog wordt aangetoond, kan gebruik worden gemaakt van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, aldus de raad.

45.2. In de plantoelichting staat dat per agrarisch bedrijf één bedrijfswoning wordt toegestaan. In geval er in de bestaande situatie meer legaal gerealiseerde woningen binnen een bedrijf zijn, is dit als maximumaantal opgenomen in het plan. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van een tweede bedrijfswoning. Hiervoor zal eerst de noodzaak moeten worden aangetoond, aldus de plantoelichting.

45.3. Het staat vast dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" op het perceel [locatie 17] één bedrijfswoning toeliet en dat ten tijde van het vaststellen van het plan feitelijk één bedrijfswoning op het perceel aanwezig was. De raad heeft in redelijkheid de bestaande situatie op het perceel als zodanig kunnen bestemmen en het verzoek van [appellante sub 13] om een tweede bedrijfswoning derhalve kunnen afwijzen. Hierbij is van belang dat [appellante sub 13] niet heeft aangetoond dat een tweede bedrijfswoning op het perceel noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse. De gestelde omstandigheid dat de thans inwonende zoon van de vennoten, die mede betrokken is bij de exploitatie, op termijn een eigen woning wenst te betrekken, is daartoe onvoldoende. Het betoog faalt.

46. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 13] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15]

Agrarisch bouwvlak

47. Het beroep van [appellant sub 15] is onder meer gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" wat het perceel Belkmerweg 114 betreft. [appellant sub 15] vreest een ernstige aantasting van haar woongenot op het perceel [locatie 18], omdat haar perceel wordt ingesloten door het agrarische bouwblok dat op het perceel Belkmerweg 114 is voorzien.

47.1. Aan het perceel [locatie 18] is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel Belkmerweg 114 is de bestemming "Agrarisch" met grotendeels de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veehouderij", uitsluitend bestaande veehouderijbedrijven zijn toegestaan;

2. maximaal 1 bouwlaag van gebouwen mag worden gebruikt voor het houden van dieren;

3. uitbreiding of nieuwbouw van dierverblijven, dan wel het realiseren van nieuwe dierplaatsen in bestaande dierverblijven niet is toegestaan;

[…]

c. productiegerichte paardenhouderijen;

[…]

t. recreatief medegebruik;

Ingevolge lid 3.2, in samenhang bezien met lid 3.2.1 mogen op of in de in lid 3.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat voor het bouwen de volgende algemene bouwregels gelden:

a. de bebouwing mag alleen binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht;

[…]

47.2. Op grond van artikel 2, lid 2.1, van de "Beheersverordening Buitengebied Zijpe" gold ten aanzien van het gebruik van de percelen Belkmerweg 114 en [locatie 18] de planregeling als vastgesteld in het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", met uitzondering van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden, uitwerkingsregels en overgangsbepalingen. Aan het perceel [locatie 18] was in het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", de bestemming "Woningen met tuinen en erven" toegekend. Aan het perceel Belkmerweg 114 was de bestemming "Agrarisch bebouwingsvak (Ab)" toegekend.

Ingevolge artikel 4, van de planvoorschriften waren de gronden met de bestemming "Wonen met tuinen en erven", onverminderd het bepaalde in artikel 12, bestemd voor woningen met bij de woonfunctie behorende bouwwerken en tuinen en erven.

Ingevolge artikel 6, waren de gronden met de bestemming "Agrarisch bebouwingsvak", onderverminderd het bepaalde in artikel 12, bestemd voor:

- de bedrijfsvoering voor grondgebonden agrarische bedrijven (Aa en Ab);

- de bedrijfsvoering voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven (Ab);

met de voor de agrarische bedrijfsvoering nodige bebouwing, waaronder kassen en agrarische bedrijfswoningen, […]

47.3. Het agrarisch bouwvlak dat thans ten behoeve van het perceel Belkmerweg 114 is voorzien, grenst aan de drie zijden van het perceel [locatie 18], te weten aan de noordoostzijde, de zuidoostzijde en de zuidwestzijde. De kortste afstand tussen de woning op het perceel [locatie 18] en het voorziene agrarische bouwvlak op het perceel Belkmerweg 114 bedraagt ongeveer 12 m.

47.4. Vaststaat dat het voorgaande planologische regime op het perceel Belkmerweg 114 voorzag in vergelijkbare agrarische bouw- en gebruiksmogelijkheden. De enkele omstandigheid dat een voorheen geldend bestemmingsplan voorzag in vergelijkbare bouw- en gebruiksmogelijkheden, op het perceel Belkmerweg 114 neemt echter niet weg dat in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan steeds weer alle betrokken belangen moeten worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd biedt echter geen aanleiding voor het oordeel van de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in redelijkheid de agrarische bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel Belkmerweg 114 grotendeels heeft kunnen handhaven. Hierbij acht de Afdeling van belang het conserverend karakter van het bestemmingsplan, dat het buitengebied van Schagen overwegend agrarisch in gebruik is en dat de raad de belangen van agrarische bedrijven in het buitengebied wenst te beschermen. De vrees van [appellant sub 15] voor een aantasting van haar woongenot door overlast van de agrarische bedrijfsvoering op het perceel Belkmerweg 114 door bijvoorbeeld ventilatoren en landbouwmachines biedt naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het grotendeels handhaven van de agrarische bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel Belkmerweg 114, dan aan een beperking hiervan ten gunste van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 15]. Het betoog faalt.

Trafostation

48. Het beroep van [appellant sub 15] is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" wat betreft de gronden grenzend aan de noordzijde van haar perceel [locatie 18]. [appellant sub 15] betoogt dat ten onrechte geen maximaal bebouwingspercentage is opgenomen voor dit plandeel. Hierdoor kan het ter plaatse aanwezige trafostation van ongeveer 3 m bij 3 m aanzienlijk worden vergroot, hetgeen zij uit een stedenbouwkundig uitgangspunt onwenselijk acht. Het planologische regime voor het trafostation wijkt volgens haar bovendien af van het planologische regime van andere gelijkwaardige trafostations in de omgeving.

48.1. De raad betwist in zoverre de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 15]. Hiertoe voert de raad aan dat vanwege het gekozen planologische regime ter plaatse geen groot transformatorstation kan worden gerealiseerd. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 15] in zoverre feitelijke grondslag, zodat [appellant sub 15] in zoverre geen procesbelang heeft bij haar beroep, aldus de raad.

48.2. Aan een strook grond ten noorden van het perceel [locatie 18] is de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.31, van de planregels wordt onder bouwwerk verstaan: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, of een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

Ingevolge artikel 1, lid 1.43, wordt onder een gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Bedrijf - Nutsvoorziening" aangewezen gronden bestemd voor:

a. voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorgebouwen, gebouwen ten behoeve van de gasvoorziening en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen;

[…]

Ingevolge lid 7.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

[…]

Ingevolge lid 7.2.2 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:

a. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 6 m bedragen;

b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedragen;

[…]

48.3. Voor zover de raad in zoverre de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 15] betwist omdat het betoog van [appellant sub 15] in zoverre feitelijke grondslag zou missen, overweegt de Afdeling dat - als dat al het geval zou zijn - die omstandigheid niet met zich brengt dat [appellant sub 15] geen procesbelang heeft. Het verweer faalt in zoverre.

48.4. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 15] aldus dat zij zich alleen richt tegen de planologische regeling voor de strook grond met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" ten noorden van haar perceel [locatie 18]. Vaststaat dat aan deze strook geen bouwvlak is toegekend. Gelet hierop mogen ter plaatse, gelet op artikel 7, lid 7.2.1, van de planregels, geen gebouwen worden gebouwd. Ter plaatse mogen, gelet op lid 7.2.2, aanhef en onder b, binnen dat bestemmingsvlak, behoudens lichtmasten, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht met een bouwhoogte van maximaal 3 m. Lid 7.2.2, onder b, bevat echter geen beperking voor de breedte en de diepte voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. De strook grond met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" heeft een oppervlakte van ongeveer 180 m². Gelet hierop is het mogelijk dat vanwege de gekozen plansystematiek voor de strook grond ter plaatse een groot trafostation, geen gebouw zijnde, wordt opgericht, hetgeen de raad heeft miskend. De ter zitting door de raad aangedragen omstandigheid dat een nutsvoorziening van 15 m² ingevolge artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), in samenhang bezien met artikel 2, onder 18, van het Bor vergunningvrij is, maakt dat niet anders. Het betoog van [appellant sub 15] slaagt.

48.5. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" voor de gronden grenzend aan de noordzijde van haar perceel [locatie 18] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 15] ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Bedrijfs - Nutsvoorziening" geen bespreking meer.

Het beroep van Staatsbosbeheer

49. Staatsbosbeheer betoogt dat aan haar gronden die deel uitmaken van de natuurgebieden Abtskolk en Hazepolder ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend. Deze gronden zijn aangewezen als EHS. De gronden dienen bestemd te worden voor "Natuur". De omstandigheid dat de gronden worden verpacht en worden gebruikt voor ondergeschikte agrarische activiteiten neemt niet weg dat ter plaatse in hoofdzaak natuurbeheer plaatsvindt, aldus Staatsbosbeheer.

49.1. Volgens de raad worden de gronden waar het beroep op ziet gebruikt voor agrarische doeleinden. Op deze percelen is vooralsnog geen natuur gerealiseerd. Aan de gronden die deel uitmaken van het gebied Hazepolder is de bestemming "Agrarisch" toegekend. De gronden van het gebied Abtskolk zijn bestemd als "Agrarisch met waarden". Deze bestemmingen verzetten zich niet tegen de ontwikkeling van nieuwe natuur ter plaatse, aldus de raad.

49.2. Staatsbosbeheer heeft toegelicht dat de gronden van de Hazepolder en Abtskolk door het Rijk zijn verworven ten behoeve van natuurbeheer en dat de gronden in eigendom en beheer zijn van Staatsbosbeheer sinds haar verzelfstandiging in 1998. De gronden worden verpacht aan (een) agrariër(s). Het agrarische gebruik van de gronden is evenwel ondergeschikt en is gericht op het realiseren van de natuurdoelstellingen voor het gebied. Zo wordt het gras gemaaid om het gebied geschikt te houden als leefgebied voor weidevolgels. Het beheer is voorts gericht op verschraling. Gelet ook op de ter zitting door Staatsbosbeheer gegeven toelichting is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar het bestaande gebruik van de gronden. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande gebruik aangemerkt dient te worden als regulier agrarisch gebruik. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

49.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van Staatsbosbeheer gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, wat betreft de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" voor de gronden zoals weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart.

Het beroep van BolleNoord

50. Het beroep van BolleNoord is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat het perceel Groteweg 9 betreft.

51. De raad betoogt dat BolleNoord geen belanghebbende is bij het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Groteweg 9, omdat BolleNoord geen eigenaar is van het desbetreffende perceel of bedrijfsgebouw, maar huurder. Derhalve moet het beroep van BolleNoord volgens de raad niet-ontvankelijk worden verklaard.

51.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

52. De Afdeling deelt niet het standpunt van de raad dat BolleNoord geen belanghebbende is bij het door haar bestreden plandeel. BolleNoord, gevestigd aan de Groteweg 9, richt zich immers tegen de mogelijkheden die het plan voor het perceel Groteweg 9 biedt en de gevolgen daarvan voor de bestaande bedrijfsvoering en de bouw- en uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. Gelet hierop is het belang van BolleNoord rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. Derhalve is BolleNoord belanghebbende bij het bestreden plandeel en is haar beroep ontvankelijk. Het verweer van de raad faalt.

53. BolleNoord betoogt dat ten onrechte niet is voorzien in een bebouwingspercentage van 80% en een bouwhoogte van 9 m ten behoeve van haar bedrijfsactiviteiten als koel- en preparatiebedrijf op het perceel Groteweg 9. Het voorgaande bestemmingsplan voorzag ter plaatse ook in een bouwhoogte van 9 m, aldus BolleNoord.

53.1. Aan het perceel Groteweg 9 zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwingspercentage 65%" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.21, van de planregels wordt onder "bestaand" verstaan: het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning en/of vrijstelling/ontheffing (vóór 1 oktober 2010) / omgevingsvergunning (ná 1 oktober 2010).

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven die zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijfsactiviteiten;

[…]

Ingevolge lid 5.2, in samenhang bezien met lid 5.2.1 mogen op of in de in lid 5.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bebouwing alleen binnen het aangegeven bouwvlak mag worden opgericht, behoudens erfafscheidingen en voor het bouwen van bedrijfsgebouwen de volgende regels gelden:

a. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%)" is aangegeven;

[…]

d. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m en 10 m, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;

[…]

Ingevolge lid 5.4, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1, onder d, voor een hogere goothoogte van bedrijfsgebouwen tot 8 meter en/of een hogere bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot 12 m.

53.2. Voor zover BolleNoord betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in een bebouwingspercentage van 80 heeft de raad onweersproken gesteld dat aan het perceel Groteweg 9 een bouwvlak van ongeveer 11.987 m2 is toegekend en dat het bouwvlak thans slechts voor ongeveer 52% is bebouwd. Gelet op artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding, bestaan op het perceel dan ook nog uitbreidingsmogelijkheden. BolleNoord heeft niet aannemelijk gemaakt dat een verdere uitbreiding van het voorziene bebouwingspercentage op het perceel noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering ter plaatse. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat in 2012 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een opslagruimte op het perceel Groteweg 9, doch dat van die vergunning tot op heden geen gebruik is gemaakt. Reeds gezien het voorgaande biedt hetgeen BolleNoord heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de toekenning van maximum bebouwingspercentage 80" aan het perceel Groteweg 9. Het betoog faalt in zoverre.

53.3. Voor zover BolleNoord betoogt dat de raad ten onrechte de toegestane maximale goothoogte van bebouwing op het perceel Groteweg 9 heeft verlaagd, overweegt de Afdeling dat dit betoog, gelet op artikel 5, lid 5.2, in samenhang bezien met lid 5.2.1, aanhef en onder d, van de planregels ten aanzien van bestaande bebouwing feitelijke grondslag mist.

Voor het overige overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hetgeen BolleNoord heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor nieuwe bebouwing binnen de bestemming "Bedrijf" heeft kunnen voorzien in een goothoogte van maximaal 6 m. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet gebleken is van concrete plannen van BolleNoord waar de raad ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan rekening mee kon houden en dat het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de voorziene goothoogte tot maximaal 8 m. Het betoog faalt in zoverre.

53.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van BolleNoord ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 17]

54. Het beroep van [appellante sub 17] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" en het plandeel met de bestemming "Wonen" voor haar perceel [locatie 19]. [appellante sub 17] betoogt dat een deel van haar gronden met de bestemming "Wonen" feitelijk beschermde houtopstand betreft en derhalve als zodanig moet worden bestemd. Voorts betoogt zij dat een deel van de gronden met de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" thans als tuin wordt gebruikt en derhalve ten onrechte is bestemd als "Natuur - Waardevolle houtopstand". Verder betoogt [appellante sub 17] dat een vergund bijgebouw ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

54.1. Aan het perceel [locatie 19] is gedeeltelijk de bestemming "Wonen" en gedeeltelijk de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Natuur - Waardevolle houtopstand" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van houtopstand met landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden;

[…]

Ingevolge artikel 30, lid 30.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;

[…]

met daarbij behorende:

[…]

o. tuinen, erven en terreinen.

54.2. Ter zitting heeft de raad gesteld dat het door [appellante sub 17] bedoelde bijgebouw op het perceel [locatie 19] vanwege de toekenning van de bestemming "Wonen" als zodanig is bestemd. Nu [appellante sub 17] deze verklaring van de raad ter zitting niet heeft bestreden, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de raad te twijfelen. Het betoog faalt.

54.3. Verder heeft de raad ter zitting te kennen gegeven er geen bezwaren tegen te hebben om voor het perceel [locatie 19] de gronden met de bestemming "Wonen" die zijn gearceerd op de bij deze uitspraak behorende kaart II als "Natuur - Waardevolle houtopstand" te bestemmen. Voorts heeft de raad ter zitting te kennen gegeven er geen bezwaren tegen te hebben om voor dit perceel de gronden met de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" die op de bij deze uitspraak behorende kaart II staan gearceerd te bestemmen als "Wonen". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart II voor het perceel [locatie 19] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

55. In hetgeen [appellante sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart II voor het perceel [locatie 19] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 17] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 19]

56. [appellante sub 19] heeft ter zitting en derhalve na afloop van de beroepstermijn gronden aangevoerd gericht tegen de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4", welke rust op haar percelen met de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstanden". Dit zijn besluitonderdelen die niet zijn bestreden in het beroepschrift van [appellante sub 19]. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen door [appellante sub 19] alsnog met betrekking tot deze besluitonderdelen ter zitting naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

57. [appellante sub 19] betoogt dat een in 2006 met vergunning opgerichte schuur op haar perceel [locatie 20] in Sint Maartensbrug ten onrechte niet als zodanig is bestemd. [appellante sub 19] stelt verder dat zij het voornemen heeft deze schuur aan de voor- en achterzijde met 20 m uit te breiden. Het plan laat een dergelijke uitbreiding ten onrechte niet toe, aldus [appellante sub 19].

57.1. Volgens de raad is de vergunde schuur als zodanig bestemd. Ook maakt het plan een uitbreiding van de schuur mogelijk. De omstandigheid dat de schuur als zodanig niet is weergegeven op de verbeelding is een gevolg van de gehanteerde ondergrond. Voor zover [appellante sub 19] de uitbreiding buiten het bestaande bouwvlak wenst te realiseren, is volgens de raad niet gebleken van een concreet voornemen daartoe.

57.2. Aan het perceel [locatie 20] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder a, van de planregels geldt voor gronden met de bestemming "Agrarisch" dat de bebouwing alleen binnen het aangegeven bouwvlak mag worden opgericht.

57.3. Niet in geschil is dat de in 2006 gerealiseerde schuur gesitueerd is op gronden die zijn aangewezen als bouwvlak. Gelet hierop is deze schuur als zodanig bestemd. Het plan verzet zich niet tegen een uitbreiding van de schuur, nu de planregeling een uitbreiding van de bebouwing binnen het bouwvlak mogelijk maakt. [appellante sub 19] heeft ter zitting toegelicht dat een uitbreiding in noordwestelijke richting weliswaar mogelijk is, gelet op de situering van het bouwvlak, maar dat in dat geval de schuur meer in de nabijheid van de burgerwoning op het perceel Grote Sloot 234 zal komen te liggen. Zij wenst daarom een vergroting van het bouwvlak in zuidoostelijke richting. In haar zienswijze heeft [appellante sub 19] evenwel in het algemeen gesteld dat zij de schuur "aan de voor- en achterzijde wenst uit te breiden met 20 m". De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet kon worden aangemerkt als een voldoende concreet initiatief betreffende een ruimtelijke ontwikkeling. Het betoog faalt.

58. [appellante sub 19] betoogt dat aan haar perceel [locatie 21] in Schagerbrug ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" is toegekend. Op deze gronden zijn geen archeologische waarden aanwezig, gelet op de omstandigheid dat de Zijperpolder slechts ongeveer 450 jaar bestaat. Verder is van belang dat de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn bebouwd en dat daarvoor in het verleden ter plaatse is gegraven.

58.1. Volgens de raad is wat betreft de bescherming van archeologische waarden aangesloten bij de "Beleidsnota Archeologie gemeente Zijpe", vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Zijpe op 29 maart 2007 en de bijbehorende archeologische beleidskaart. De omstandigheid dat op een deel van het perceel [locatie 21] graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, maakt niet dat de dubbelbestemming als zodanig overbodig is, aldus de raad.

58.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

58.3. Aan het perceel [locatie 21] is de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4".

58.4. Voor het opnemen van een beschermingsregeling is niet vereist dat de aanwezigheid van archeologische sporen ter plaatse vaststaat, maar slechts dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in een gebied voorkomen. Blijkens de plantoelichting is de begrenzing van de archeologische dubbelbestemmingen gebaseerd op de in 2011 geactualiseerde archeologische verwachtingskaart behorende bij de "Beleidsnota archeologie gemeente Zijpe". [appellante sub 19] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan het onderzoek dat daaraan ten grondslag heeft gelegen, zodanige gebreken kleven wat de in het plangebied te verwachten archeologische waarden betreft dat de raad dit niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De gestelde omstandigheid dat de Zijperpolder slechts 450 jaar oud is, laat onverlet dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. De omstandigheid dat het perceel gedeeltelijk is bebouwd en de gronden derhalve gedeeltelijk zijn geroerd, betekent niet dat alle archeologische waarden verloren zijn gegaan. In hetgeen [appellante sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" voor het perceel [locatie 21] noodzakelijk is. Het betoog faalt.

59. [appellante sub 19] betoogt tevens dat aan haar agrarische gronden in de nabijheid van de [locatie 21] ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" is toegekend. Een deel van deze gronden wordt gebruikt voor de permanente bollenteelt, waarbij grondbewerkingen tot een diepte van 70 tot 80 cm hebben plaatsgevonden. Ook zijn de gronden voorzien van drainage, waarbij leidingen zijn aangelegd op een diepte van ongeveer 1,2 m. Volgens [appellante sub 19] leidt de dubbelbestemming tot een onnodige beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar agrarische gronden, omdat voor gebruikelijke en noodzakelijke agrarische werkzaamheden, zoals het plaatsen van drainageleidingen, een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden noodzakelijk is.

59.1. Volgens de raad is de toegekende dubbelbestemming noodzakelijk omdat niet kan worden uitgesloten dat in het gebied archeologische waarden aanwezig zijn. De planregeling leidt niet tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden omdat werken en werkzaamheden die het normale gebruik betreffen uitgezonderd zijn van de vergunningplicht. Ook het plaatsen van nieuwe drainageleidingen dient te worden aangemerkt als normaal gebruik, zodat deze activiteit zonder vergunning kan worden uitgevoerd, aldus de raad.

59.2. Aan de gronden van [appellante sub 19] in de nabijheid van het perceel [locatie 21] is de bestemming "Agrarisch", met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend.

Ingevolge artikel 40, lid 40.4.1, van de planregels is het verboden op of in de in gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde, uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

[…];

d. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;

e. het graven, verbreden of dempen van sloten alsmede het aanleggen en intensiveren van drainage;

f. het in de grond brengen van voorwerpen op een grotere diepte dan 0,5 m en met een oppervlakte van meer dan 500 m² ;

g. het verrichten van graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m en met een oppervlakte van meer dan 500 m²;

[…];

Ingevolge lid 40.4.2 is de onder 40.4.1 bedoelde omgevingsvergunning niet vereist:

a. voor werken en/of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken;

[…];

c. voor werken waarbij geen grondroerende werkzaamheden groter dan 500 m² plaatsvinden, dan wel werken waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden groter dan 500 m² maar niet dieper dan 0,5 m;

d. indien kan worden aangetoond dat de gronden in het verleden dusdanig zijn geroerd dat geen archeologische waarden meer kunnen worden verwacht.

Ingevolge lid 40.4.3 wordt de onder lid 40.4.1 bedoelde omgevingsvergunning slechts verleend, indien […].

60. Blijkens artikel 40, lid 40.4.2, van de planregels zijn werken en/of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, van de agrarische gronden van [appellante sub 19] uitgezonderd van de vergunningplicht van lid 40.4.1. Deze uitzondering geldt ook voor het vervangen van drainagewerken. Voor het plaatsen van nieuwe drainagewerken is geen omgevingsvergunning vereist, mits dit kan worden aangemerkt als een normaal gebruik van de desbetreffende gronden. De vraag of sprake is van een normaal gebruik is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Wat betreft de gevallen waarin het aanleggen van nieuwe drainagewerken niet kan worden aangemerkt als zodanig heeft [appellante sub 19] niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich op een zodanige schaal zal voordoen dat vanwege de vergunningplicht de gebruiksmogelijkheden van haar gronden ernstig worden beperkt.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" niet zal leiden tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de agrarische gronden van [appellante sub 19]. Het betoog faalt.

61. [appellante sub 19] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor haar perceel [locatie 21]. Voor de gewenste uitbreiding dient het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" te worden uitgebreid met ongeveer 10.000 m², aldus [appellante sub 19].

61.1. Volgens de raad zijn de bestaande planologische rechten als uitgangspunt genomen bij het vaststellen van de planregeling voor het perceel [locatie 21]. Ten tijde van het vaststellen van het plan was er geen sprake van een concreet initiatief inzake een ruimtelijke ontwikkeling, zodat geen aanleiding bestond het verzoek van [appellante sub 19] om vergroting van haar bouwvlak inhoudelijk te beoordelen.

61.2. Aan het perceel [locatie 21] is de bestemming "Bedrijf", met de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Niet in geschil is dat bij het vaststellen van het plan is aangesloten bij de planregeling van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening".

[appellante sub 19] heeft in haar zienswijze op het ontwerpplan verzocht om een uitbreiding van 10.000 m² in zuidoostelijke richting. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet kan worden aangemerkt als een concreet initiatief betreffende een ruimtelijke ontwikkeling.

Voor zover [appellante sub 19] een beroep doet op de uitspraak van de Kroon van 21 december 1989, no. 92.010640 (aangehecht), op de beroepen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe 1989", overweegt de Afdeling als volgt. In deze uitspraak is goedkeuring onthouden aan het ten behoeve van het agrarische handels- en hulpbedrijf van [appellante sub 19] aan de Korte Ruigeweg voorziene plandeel, omdat de raad van de voormalige gemeente Zijpe niet inzichtelijk had gemaakt welke ruimtelijke bezwaren bestonden tegen de in het verleden door [appellante sub 19] verzochte uitbreiding. Niet in geschil is dat de raad nadien gevolg heeft gegeven aan deze uitspraak van de Kroon. Onderhavige procedure staat daar in zoverre los van en betreft een (nieuw) verzoek om verdere uitbreiding.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid niet heeft hoeven te voorzien in een vergroting van het bouwvlak op het perceel [locatie 21] met 10.000 m². Het betoog faalt.

62. [appellante sub 19] betoogt dat de dubbelbestemming "Leiding- Gas" voor haar gronden aan de Korte Ruigeweg nabij Oudesluis leidt tot een onnodige beperking van de gebruiksmogelijkheden van deze gronden, die onder meer worden gebruikt voor de bloembollenteelt. Op grond van de bestemming "Leiding - Gas" geldt voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden ter plaatse een verbod, behoudens omgevingsvergunning. Voor gebruikelijke activiteiten, zoals ploegen, is een omgevingsvergunning vereist. Volgens [appellante sub 19] leidt dit tot een onnodige beperking van de agrarische bedrijfsvoering. In dit verband is van belang dat tussen [appellante sub 19] en de Gasunie een overeenkomst is gesloten waarin het beheer en onderhoud van de gasleiding is geregeld. Daarnaast bestaat de verplichting diepere grondbewerkingen te melden bij het Kadaster, aldus [appellante sub 19].

62.1. Volgens de raad heeft de Gasunie voor de gronden met de dubbelbestemming "Leiding - Gas" verzocht om een verbod behoudens omgevingsvergunning op te nemen voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden. Dit verbod dient de fysieke veiligheid ter plaatse. Voor normaal spit- en ploegwerk en slootonderhoud is een omgevingsvergunning niet vereist, aldus de raad.

62.2. Aan de agrarische gronden van [appellante sub 19] aan de Korte Ruigeweg nabij Oudesluis is tevens de dubbelbestemming "Leiding - Gas" toegekend.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, van de planregels zijn de voor "Leiding - Gas" aangewezen gronden, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, mede bestemd voor een aardgastransportleiding.

Ingevolge lid 32.4.1 is het verboden op of in de in 32.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

[…];

c. het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels drainage, leidingen, met uitzondering van hoofdaardgastransportleidingen) anders dan normaal spit- en ploegwerk;

[…].

Ingevolge lid 32.4.3 wordt de onder lid 32.4.1 bedoelde omgevingsvergunning slechts verleend, indien:

a. door die werken en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de leidingen ontstaat of kan ontstaan;

b. alvorens te beslissen omtrent een vergunning het advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder.

62.3. De omstandigheid dat [appellante sub 19] op grond van een privaatrechtelijke verhouding verplicht is bepaalde inbreuken op haar eigendomsrecht te dulden dan wel verplicht is tot bepaalde handelingen die het onderhoud en het beheer van de gasleiding betreffen, maakt niet dat een publiekrechtelijke regeling ter borging van het algemene belang van een deugdelijk functioneren van het gastransportnet niet noodzakelijk is. Wat betreft de gevolgen van de bestreden dubbelbestemming voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 19] overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 32, lid 32.4.1, onder c, van de planregels normaal ploeg- en spitwerk is uitgezonderd van de vergunningplicht. De dubbelbestemming verzet zich evenmin tegen het onderhoud van de sloten zolang daarbij geen handelingen worden verricht die op grond van artikel 32, lid 32.4.1 vergunningplichtig zijn. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verbod behoudens omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voor de gronden van [appellante sub 19] noodzakelijk is gelet op de aanwezigheid van een gasleiding ter plaatse. Het betoog faalt.

63. [appellante sub 19] betoogt dat de aanduiding "weidevogelleefgebied" voor haar perceel [locatie 21] en de agrarische gronden in de nabijheid daarvan niet nodig is en leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden.

63.1. Volgens de raad verplicht de PRV tot een beschermingsregime in bestemmingsplannen voor gronden die zijn aangewezen als "weidevogelleefgebied". De door de provincie vastgelegde begrenzing van weidevogelleefgebieden is daarom overgenomen in het plan, aldus de raad.

63.2. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de PRV voorziet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelleefgebieden, zoals op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan aangegeven, niet in:

a de mogelijkheid van nieuwe bebouwing, anders dan binnen een bestaand bouwblok of een uitbreiding daarvan;

b de mogelijkheid van aanleg van nieuwe weginfrastructuur;

c de mogelijkheid van aanleg van bossen of boomgaarden;

d de mogelijkheid verstorende activiteiten, buiten de huidige agrarische activiteiten, te verrichten die het weidevogelleefgebied verstoren, en;

e. de mogelijkheid werken uit te voeren die realisatie van nieuwe peilverlagingen mogelijk maken.

In de overige leden van artikel 25 worden onder meer voorwaarden gesteld voor het maken van uitzonderingen op de verboden van het eerste lid.

63.3. In de toelichting bij artikel 25 van de PRV staat dat met dit artikel wordt beoogd de leefgebieden van weidevogels te beschermen. Uit een aantal onderzoeken blijkt dat behalve het beheer, de afwezigheid van opgaande begroeiing en gunstige omgevingscondities, de afwezigheid van bebouwing in hoge mate bepalend is voor het succes van weidevogelpopulaties. Zodoende is het onwenselijk dat in nieuwe bestemmingsplannen nieuwe bouwblokken worden toegekend in open gebieden. Uitbreiding op bestaande of uitbreiding van bestaande bouwblokken is minder schadelijk voor weidevogels.

63.4. Aan het perceel [locatie 21] en de nabijgelegen gronden met de bestemming "Agrarisch" is tevens de aanduiding "weidevogelleefgebied" toegekend.

63.5. In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting staat dat in het weidevogelleefgebied nieuwe bebouwing, anders dan binnen een bestaand bouwblok of een uitbreiding daarvan niet bij recht is toegestaan. De aanplant van bosschages, bossen of andere opgaande beplanting wordt gekoppeld aan een vergunningenstelsel om de openheid van het gebied te behouden. Veranderingen van het waterpeil kunnen een negatieve invloed hebben op de weidevogelstand en zijn daarom niet toegestaan zonder vergunning. Voorts staat in de plantoelichting dat een groot gebied is aangewezen als bollenconcentratiegebied. In deze gebieden is het toegestaan om een bedrijf te hebben voor permanente bollenteelt en de uitbreiding daarvan, alsmede het mogelijk maken van grondbewerkingen als bezanden, omzetten en omspuiten ten behoeve van permanente bollenteelt. Tevens kunnen zich hier nieuwe bollentelers vestigen. Dit kan overigens alleen in de gebieden die niet ook als weidevogelleefgebied zijn aangewezen, aldus de plantoelichting.

63.6. [appellante sub 19] heeft niet nader toegelicht welke ernstige gevolgen de aanduiding "weidevogelleefgebied" heeft voor haar gronden met de bestemming "Agrarisch". Gelet hierop faalt het betoog.

63.7. De Afdeling overweegt dat de aanduiding "weidevogelleefgebied" weliswaar is toegekend aan de gronden van [appellante sub 19] met de bestemming "Bedrijf"", maar dat deze aanduiding niet nader wordt genormeerd in de planregels, in het bijzonder in artikel 5, waarin de planregeling voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" is vastgelegd. De aanduiding heeft daarom geen gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden voor de gronden van [appellante sub 19] met de bestemming Bedrijf". In zoverre mist het beroep van [appellante sub 19] feitelijke grondslag.

64. [appellante sub 19] betoogt dat de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" voor de bosschage langs de Korte Ruigeweg leidt tot onnodige beperkingen bij het onderhoud van deze bosschages. Het onderhoud wordt voornamelijk verricht door [appellante sub 19] zelf en andere agrariërs.

64.1. Volgens de raad voorziet de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" in een beschermingsregeling voor houtopstanden die op grond van een inventarisatie, verricht door Landschap Noord-Holland, als waardevol zijn aangemerkt. Handelingen die kunnen worden aangemerkt als normaal onderhoud en beheer van de bosschages, zoals het snoeien van de begroeiing en het verwijderen van dode bomen, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, aldus de raad.

64.2. Aan een deel van de gronden van [appellante sub 19] langs de Korte Ruigeweg is de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Natuur - Waardevolle houtopstand" aangewezen gronden bestemd voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden met landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden.

Ingevolge lid 18.4.1 is het verboden op of in de in 18.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren:

[…].

d. het vellen, rooien of verwijderen van houtgewassen.

Ingevolge lid 18.4.2, onder a, is het in lid 18.4.1 bedoelde verbod niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer ten dienste van de bestemming betreffen.

64.3. In de plantoelichting staat dat de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" is toegekend aan de aaneengesloten houtopstanden in het plangebied. Deze houtopstanden zijn kenmerkend voor het buitengebied maar dreigen steeds meer te verdwijnen. Daarom is een speciale bestemming toegekend met een beschermende regeling als het gaat om de kap van deze waardevolle houtopstanden. Dat mag niet zonder voorafgaande vergunning van het college van burgemeester en wethouders, aldus de plantoelichting.

64.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het in artikel 18, lid 18.4.1, van de planregels vastgelegde "kapverbod" voor de gronden met de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" leidt tot ernstige beperkingen bij het verrichten van onderhoud aan de bosschages. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming geen vergunning is vereist. De vraag of een bepaalde activiteit kan worden aangemerkt als normaal onderhoud en beheer is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Bij het snoeien van de begroeiing en het verwijderen van dode of zieke bomen zal naar het oordeel van de Afdeling in de regel sprake zijn van normaal onderhoud en beheer, zodat deze activiteiten niet vergunningplichtig zijn. Het betoog faalt.

65. [appellante sub 19] betoogt dat de raad de gebruiksmogelijkheden van haar perceel [locatie 22] in Schagerbrug ten onrechte niet heeft verruimd. Het perceel is onder meer in gebruik voor opslagdoeleinden. De opslag in het zuidelijke deel van het perceel vindt thans plaats in de buitenlucht. [appellante sub 19] wenst ter plaatse een opslagloods te realiseren, zodat de bestaande opslagactiviteiten inpandig kunnen plaatsvinden. Het plan maakt dit echter niet mogelijk. Het toegelaten bebouwingspercentage voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" dient te worden verhoogd tot 60 en de maximale goothoogte tot 8 m, zodat ter plaatse een loods kan worden opgericht, aldus [appellante sub 19].

65.1. Volgens de raad zijn de bestaande planologische rechten als uitgangspunt genomen bij het vaststellen van de planregeling voor het perceel [locatie 22]. Het plan laat ter plaatse een bebouwingspercentage toe van 25. Met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kan het bebouwingspercentage worden verhoogd met maximaal 15. Ook is in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het verhogen van de goothoogte van 6 m naar 8 m. [appellante sub 19] heeft niet aangetoond dat een bebouwingspercentage van 60 noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering op het perceel, aldus de raad.

65.2. Aan het perceel [locatie 22] is de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwingspercentage = 25".

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen op gronden met de bestemming "Bedrijf" de volgende regels:

a. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%)" is aangegeven;

[…];

d. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk

6 m en 10 m, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen;

[…].

Ingevolge lid 5.4 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

[…];

b. 5.2.1 onder b, van het op de verbeelding aangegeven bebouwingspercentage met maximaal 15;

c. 5.2.1 onder d, voor een hogere goothoogte van bedrijfsgebouwen tot

8 m en/of een hogere bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot 12 m;

[…].

65.3. [appellante sub 19] heeft in haar zienswijze de raad verzocht om verhoging van het bebouwingspercentage en de goothoogte omdat "naar verwachting binnen korte tijd de opslag van compost en andere producten overdekt zal moeten plaatsvinden". De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit niet volgt dat een uitbreiding van de bebouwing op het perceel [locatie 22] noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering ter plaatse. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen volstaan met het opnemen van afwijkingsbevoegdheid in het plan waarmee de goothoogte voor het perceel [locatie 22] kan worden vergroot naar 8 m en het bebouwingspercentage naar maximaal 40. Het betoog faalt.

66. [appellante sub 19] betoogt dat het bestaande gebruik van haar gronden ten zuiden van het perceel [locatie 22] voor op- en overslag van agrarische grond, ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Dit gebruik bestaat feitelijk ongeveer 17 jaar en dient als zodanig bestemd te worden, aldus [appellante sub 19].

66.1. Volgens de raad waren de gronden ten zuiden van het perceel [locatie 22] in het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd voor agrarische doeleinden. Activiteiten die geen verband hielden met de agrarische bedrijfsvoering waren ter plaatse niet toegelaten. Het tegemoetkomen aan het verzoek van [appellante sub 19] betekent volgens de raad dat aan de gronden de bestemming "Bedrijf" dient te worden toegekend, hetgeen in strijd zou zijn met het beleid van de gemeente en de provincie.

66.2. De gronden van [appellante sub 19] ten zuiden van het perceel [locatie 22] waren in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" bestemd voor "Agrarische productiegebieden".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge het vierde lid, onder c, werd tot een verboden gebruik van deze gronden in ieder geval gerekend het gebruik als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

Op grond van artikel 2, lid 2.1, van de "Beheersverordening Buitengebied Zijpe" gold ten aanzien van het gebruik van de gronden ten zuiden van het perceel [locatie 22] de planregeling als vastgesteld in het bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening", met uitzondering van de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden, uitwerkingsregels en overgangsbepalingen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder a, mocht het gebruik van grond dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd was, worden voortgezet.

Ingevolge lid 3.2, onder d, was het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

66.3. In de plantoelichting staat dat het uitgangspunt van de provincie en de gemeente is dat bedrijven zonder functionele binding met het buitengebied, daar niet thuis horen, maar in een kern of op een lokaal of regionaal bedrijventerrein. In beginsel dienen niet-agrarische bedrijfsactiviteiten uit het buitengebied geweerd te worden.

Het gebruik van de gronden ten zuiden van het perceel [locatie 22] voor op- en overslagactiviteiten van niet-agrarische aard was in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1989, tweede herziening" en met de nadien in werking getreden "Beheersverordening Buitengebied Zijpe". Gelet op artikel 3.2 van de beheersverordening wordt het bestaande gebruik voor opslagactiviteiten die geen verband houden met de agrarische bedrijfsvoering niet beschermd door het overgangsrecht van de beheersverordening. De raad heeft in redelijkheid het verzoek van [appellante sub 19] kunnen afwijzen, nu dit in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid. Het betoog faalt.

67. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 19] ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 16]

68. [appellanten sub 16] hebben ter zitting hun beroepsgrond dat aan hun gronden met een agrarische bestemming ten onrechte tevens de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Archeologie 4" zijn toegekend, ingetrokken.

69. [appellanten sub 16] betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid hun woning te herbouwen op een ander deel van het perceel [locatie 23], vanwege de situering van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" en de omstandigheid dat aan het westelijke deel van hun gronden tevens de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is toegekend. De bodem ter plaatse van de bestaande woning is volgens [appellanten sub 16] aan het verzakken. Dit is een gevolg van het peilbesluit van het college van hoofdingelanden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier van 12 oktober 2011. [appellanten sub 16] zijn door het Hoogheemraadschap gecompenseerd voor de schade. Zij wensen hun woning te herbouwen op een andere locatie op hun perceel, op gronden die niet onderhevig zijn aan verzakking. Zij hebben met het oog hierop de raad verzocht om een vergroting of, indien dat niet mogelijk is, verplaatsing van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". De raad heeft dit verzoek ten onrechte afgewezen, aldus [appellanten sub 16].

69.1. Volgens de raad kunnen de gevolgen van de bodemverzakking worden tegengegaan door het treffen van bouwkundige maatregelen aan de bestaande woning. Het is, vanuit bouwkundig oogpunt, niet noodzakelijk de woning te herbouwen elders op het perceel, op geringe afstand tot de bestaande locatie. De dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" en de bijbehorende planregeling is in het plan opgenomen ter bescherming van waterstaatkundig belangen. Deze dubbelbestemming verzet zich niet tegen herbouw van de woning op de bestaande locatie. Een vergroting of verplaatsing van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" is in strijd met de PRV en het gemeentelijk beleid, aldus de raad.

69.2. Aan het perceel [locatie 23] is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het westelijke deel van deze gronden is tevens de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend. De gronden ten oosten van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" zijn bestemd als "Agrarisch".

Ingevolge artikel 30, lid 30.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis.

Ingevolge artikel 30.2.1, onder a, geldt dat woningen uitsluitend binnen het bestemmingsvlak zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 43.1 zijn de voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de waterkering en de waterbeheersing;

b. de overige bestemmingen die op basis van het plan aan de gronden zijn toegewezen,

met de daarbij behorende:

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 43.2, onder a, geldt voor het bouwen op of in deze gronden dat geen gebouwen mogen worden gebouwd, met uitzondering van bestaande reeds gebouwde gebouwen.

Ingevolge lid 43.4 kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 43.2, onder a ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de aldaar geldende bestemmingsregels nadat ter zake advies is ingewonnen bij de verantwoordelijk waterbeheerder.

69.3. De planregeling voor het perceel [locatie 23] biedt de mogelijkheid de woning van [appellanten sub 16] te verplaatsen naar het zuidoostelijke deel van het perceel. Op dat gedeelte, met de bestemming "Wonen", rust geen dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". Ter zitting hebben [appellanten sub 16] evenwel toegelicht dat zij bij voorkeur de woning wensen te verplaatsen naar een locatie ten noorden van de bestaande woning. Voor de gewenste situering hebben zij verwezen naar een zogeheten principeverzoek van 14 juni 2012 voor het herinrichten van hun perceel. De herbouw van de woning op de door [appellanten sub 16] gewenste locatie is niet mogelijk, primair vanwege de omvang van het bestemmingsvlak. De gronden ter plaatse van de gewenste locatie zijn bestemd als "Agrarisch".

69.4. In 2011 is onderzoek verricht naar de gevolgen van onder meer de peilverlaging voor de woning van [appellanten sub 16]. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het door [appellanten sub 16] overgelegde "Rapport van Bevindingen" van 7 december 2011 van het bureau Henselman Expertises. Uit dit rapport volgt dat de gevolgen van de verzakking van de bodem ter plaatse van de bestaande woning kunnen worden tegengegaan door het treffen van bouwkundige maatregelen. [appellanten sub 16] hebben deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. [appellanten sub 16] hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de situatie ten aanzien van de bodemgesteldheid op de door hen gewenste locatie, op een afstand van ongeveer 20 tot 30 m tot de bestaande woning, wezenlijk anders is en dat in zoverre de herbouw van de woning op deze locatie aanmerkelijk minder bezwarend is dan het treffen van bouwkundige maatregelen op de bestaande locatie. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellanten sub 16] om vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" heeft kunnen afwijzen. Bij dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat het gemeentelijk beleid voor het buitengebied zich verzet tegen een niet noodzakelijke uitbreiding van de woonfunctie ten koste van het beschikbare agrarische areaal. Het betoog faalt.

69.5. Wat betreft het subsidiaire betoog van [appellanten sub 16] dat in geval de raad geen medewerking wenst te verlenen aan een vergroting van het bestemmingsvlak, volstaan kan worden met enkel een wijziging van de situering daarvan, overweegt de Afdeling dat dit tot gevolg zou hebben dat het bestaande gebruik en de bestaande bebouwing op het perceel [locatie 23] gedeeltelijk onder de werking van het overgangsrecht wordt gebracht. Hiervoor is in beginsel de medewerking van [appellanten sub 16] noodzakelijk. In het bijzonder dient duidelijk te zijn van welk deel van hun bestemmingsvlak [appellanten sub 16] bereid zijn "afstand" te doen. [appellanten sub 16] hebben hun verzoek niet nader geconcretiseerd, zodat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het op eigen initiatief en naar eigen inzicht wijzigen van de situering van het bestemmingsvlak op het perceel [locatie 23]. Het betoog faalt.

70. [appellanten sub 16] betogen dat aan hun gronden ten oosten van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend. De oppervlakte van deze gronden bedraagt ongeveer 0,4 ha. Gelet op de geringe omvang van deze gronden alsook de ligging is een gebruik overeenkomstig de toegekende bestemming niet mogelijk. Het plan is in zoverre niet uitvoerbaar. Voor een nadere onderbouwing van hun standpunt verwijzen [appellanten sub 16] op het door hen overgelegde rapport "Deskundigenonderzoek [locatie 23]" van het bureau Bügel Hajema. Voor het oostelijke deel van hun gronden hebben [appellanten sub 16] verzocht om een woonbestemming in plaats van de toegekende agrarische bestemming, althans om een planregeling die het oprichten van een paardenbak ten behoeve van de woonfunctie mogelijk maakt.

70.1. Volgens de raad is de bestemming "Agrarisch" voor de gronden van [appellanten sub 16] ten oosten van hun woonperceel uitvoerbaar. Deze gronden kunnen worden gebruikt voor volwaardige agrarische activiteiten, zo nodig nadat zij worden verkocht of verpacht aan een agrariër. De omstandigheid dat [appellanten sub 16] geen voornemen hebben zelf de gronden te gebruiken voor de agrarische productie is volgens de raad geen reden ter plaatse een paardenbak voor hobbymatig gehouden paarden toe te laten. Een paardenbak is toegelaten op gronden met de bestemming "Wonen". Een uitbreiding van de woonbestemming is daarvoor niet noodzakelijk. Volgens de raad is een uitbreiding van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" ongewenst, omdat het beleid voor het buitengebied gericht is op het behoud van het bestaande agrarische areaal.

70.2. Uit het rapport van Bügel Hajema volgt niet dat aan de agrarische gronden van [appellanten sub 16] een woonbestemming toegekend dient te worden. In het rapport wordt verdedigd dat voor agrarische gronden in het plangebied voorzien zou dienen te worden in ruimere gebruiksmogelijkheden. Naast een bedrijfsmatige exploitatie van de gronden zouden ter plaatse ook niet bedrijfsmatige activiteiten toegelaten dienen te worden, om te voorkomen dat terreinen onnodig ongebruikt blijven. Volgens het rapport is de agrarische bestemming voor de oostelijk gelegen gronden van [appellanten sub 16], gelet met name op de wijze waarop deze gronden zijn ontsloten, niet doelmatig. Voor deze gronden, maar ook voor andere agrarische gronden in het plangebied, zou voorzien dienen te worden in een medegebruik dat niet gericht is op agrarische productie. De gronden kunnen in dat geval worden gebruikt als weidegrond, voor het weiden van hobbymatig gehouden dieren. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toegekende agrarische bestemming voor de gronden van [appellanten sub 16] uitvoerbaar is. De omstandigheid dat [appellanten sub 16] zelf niet het voornemen hebben hun gronden in gebruik te nemen ten behoeve van een volwaardige agrarische activiteit is daartoe onvoldoende. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gronden, die omringd worden door gronden met een agrarische bestemming, op zich geschikt zijn om gebruikt te worden ten behoeve van een bedrijfsmatige agrarische exploitatie. De raad heeft voorts in redelijkheid kunnen afzien van het toelaten van een paardenbak voor hobbymatig gehouden paarden op deze agrarische gronden, nu het beleid van de gemeente gericht is op het behoud van het bestaande agrarische areaal ten behoeve van de agrarische productie en een paardenbak, zij het een minder omvangrijke, mogelijk is op de gronden van [appellanten sub 16] met de bestemming "Wonen" Het betoog faalt.

71. [appellanten sub 16] betogen dat aan hun gronden met een woonbestemming ten onrechte tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend. Zij voeren hiertoe aan dat op de gronden met de bestemming "Wonen" in het verleden graaf- en bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, zodat niet waarschijnlijk is dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

71.1. Volgens de raad hebben [appellanten sub 16] aannemelijk gemaakt dat op gronden met de bestemming "Wonen" in het verleden graaf - en bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Als gevolg daarvan is de bodem verstoord, zodat niet waarschijnlijk is dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn. De dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is niet noodzakelijk voor deze gronden, aldus de raad.

71.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor de gronden van het perceel [locatie 23] met de bestemming "Wonen" niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

72. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 16] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor het deel van het perceel [locatie 23] met de bestemming "Wonen".

Proceskosten

73. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 17], [appellanten sub 16], en [appellant sub 7] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van de Landschap Noord-Holland, Staatsbosbeheer, [appellante sub 6], Gasunie, [appellant sub 4], [appellant sub 15], en [appellant sub 1] niet gebleken. Voor [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 9], [appellante sub 19], [appellante sub 13], en BolleNoord, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Verzoeken

74. Voor zover de raad naar aanleiding van de geconstateerde gebreken heeft verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien. Hierbij is van belang dat niet kan worden uitgesloten dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding om de verzoeken in te willigen om de geconstateerde gebreken te laten herstellen door toepassing te geven aan artikel 8:51d, van de Awb.

Opdracht

75. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor een aantal vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Verwerken uitspraak in landelijke voorziening

76. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting Landschap Noord-Holland, voor zover gericht tegen de plandelen voor het gebied "Zandpolder fase 3", de waterbergingen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de gronden nabij ’t Zand en voor zover gericht tegen de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de gronden nabij de eendenkooi te Oudesluis en "Agrarisch" voor het gebied "Zandpolder fase 2", niet ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de stichting Stichting Landschap Noord-Holland, voor zover ontvankelijk, [appellante sub 6], Staatsbosbeheer, [appellant sub 7], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., [appellante sub 17], [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], [appellant sub 4], [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B], gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schagen van 22 april 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" wat betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" wat betreft het perceel [locatie 1] ([appellant sub 7] en [appellant sub 1]);

b. het niet voorzien in een bevoegdheid voor het wijzigen van de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" naar de bestemming "Natuur", voor de gronden die zijn aangewezen als EHS, voor zover het plandelen betreft die niet zijn getroffen door de reactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 2 juli 2014 (Landschap Noord-Holland);

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 7], wat betreft de gronden ter plaatse van de paardenbak ([appellant sub 4]);

d. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 1" wat betreft het perceel [locatie 10], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I ([appellante sub 6]);

e. het plandeel met de bestemming "Leiding - Gas" wat betreft de gronden ter plaatse van het gasontvangstation W-043 aan de Anna Paulownaweg (Gasunie);

f. het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Nutsvoorziening" wat betreft de gronden grenzend aan de noordzijde van haar perceel [locatie 18] ([appellant sub 15]);

g. de plandelen met de bestemming "Wonen" en de bestemming "Natuur - Waardevolle houtopstand" voor het perceel [locatie 19] zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart II ([appellante sub 17]);

h. de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" voor de gronden zoals weergeven op de bij deze uitspraak behorende kaart III (Staatsbosbeheer);

i. de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor de gronden op het perceel [locatie 23], met de bestemming "Wonen" ([appellanten sub 16]);

IV. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van de onder II.a tot en met II.h genoemde plandelen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II.i wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 9], [appellante sub 13], [appellante sub 19], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bolle "N" Oord B.V., en [appellant sub 12], ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellante sub 17] tot een bedrag van € 41,74 (zegge: eenenveertig euro en vierenzeventig cent);

b. [appellant sub 7] tot een bedrag van € 1023, 04 (zegge: duizendendrieëntwintig euro en vier cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B] tot een bedrag van € 1.467,50 (zegge: veertienhonderdzevenenzestig euro en vijftig cent), waarvan € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Schagen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 7];

b. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de stichting Stichting Landschap Noord-Holland;

c. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 1];

d. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 4];

e. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellante sub 6];

f. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 16A] en [appellant sub 16B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

g. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V.;

h. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

i. € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellante sub 17];

j. € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor Staatsbosbeheer.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Hagen w.g. Milosavljević

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

739-749.