Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201502971/1/R1
Formele relaties
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RVS:2014:3600, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 8 oktober 2014 in zaak nr. 201308662/1/R1 heeft de Afdeling het beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201502971/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoekster], gevestigd te Watergang, gemeente Waterland, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B],

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014, in zaak nr. 201308662/1/R1.

Procesverloop

Bij uitspraak van 8 oktober 2014 in zaak nr. 201308662/1/R1 heeft de Afdeling het beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 juli 2015, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij en mr. N. Schrama, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. [verzoekster] betoogt dat aan het oordeel in de uitspraak van 8 oktober 2014 ten onrechte ten grondslag is gelegd dat zij het perceel [locatie A] heeft verkocht en dat zij ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan "Landelijk Noord" niet langer eigenaar was van dat perceel. De Afdeling heeft een onjuiste stelling van de raad voor waar aangenomen. Hoewel het verzoek om herziening niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, dient volgens [verzoekster] een strikte toepassing van deze voorwaarde achterwege te blijven. De reden hiervoor is dat de eigendomssituatie zowel voor de raad als de Afdeling verifieerbaar was door raadpleging van het kadaster. [verzoekster], die niet verschenen is ter zitting van 17 juli 2014 waar haar beroep is behandeld, kan daarom niet worden tegengeworpen dat zij deze onjuiste stelling van de raad niet heeft weerspoken.

3. Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist, naar aanleiding van die uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht, of naar voren hadden kunnen worden gebracht, opnieuw onderscheidenlijk alsnog naar voren te brengen en aldus het debat te heropenen.

4. De raad heeft ter zitting van 17 juli 2014, waar het beroep van onder meer [verzoekster] tegen het besluit van 26 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Noord" is behandeld en waar [verzoekster] niet is verschenen, gesteld dat [verzoekster] aan de [locatie A] beschikte over een agrarische bedrijfswoning en dat zij nadien dit perceel heeft verkocht, zodat zij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen eigenaar daarvan was. Het staat thans vast dat deze mededeling van de raad, die als onweersproken door de Afdeling is overgenomen in de uitspraak, feitelijk onjuist was. [verzoekster] was ten tijde van het vaststellen van het bestreden bestemmingsplan eigenaar van het perceel [locatie A]. De eigendomssituatie ten aanzien van het perceel [locatie A] betreft evenwel geen feit dat bij [verzoekster] vóór de uitspraak niet bekend was, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 8:119, eerste lid, onder b, van de Awb.

Wat betreft het betoog van [verzoekster] dat in dit geval een strikte toepassing van de voorwaarde onder b achterwege gelaten dient te worden, omdat de (on)juistheid van de stelling van de raad gemakkelijk te verifiëren was, geldt dat feiten met betrekking tot de eigendomssituatie niet ambtshalve door de Afdeling worden geverifieerd door raadpleging van openbare registers. Uit het procesdossier, meer in het bijzonder de bij het beroepschrift van [verzoekster] overgelegde kaart waarop haar "cultuurgronden" zijn weergegeven, volgt niet dat de ter zitting van 17 juli 2014 onweersproken stelling van de raad over de "huiskavel" aan de [locatie A] klaarblijkelijk onjuist was, daargelaten of de omstandigheid dat de Afdeling bekend had dienen te zijn met de eigendomssituatie tot gevolg kan hebben dat artikel 8:119, eerste lid, onder b, van de Awb buiten toepassing wordt gelaten.

Het ter zitting door [verzoekster] ingenomen standpunt dat het novum als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb niet betreft de feitelijke situatie met betrekking tot de eigendom van het perceel [locatie A], maar de omstandigheid dat de Afdeling aan haar uitspraak van 8 oktober 2014 een onjuist feit ten grondslag heeft gelegd, volgt de Afdeling niet. De door [verzoekster] voorgestane lezing van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zou de voorwaarde onder b zinledig maken, nu de inhoud van een uitspraak van de Afdeling nimmer bekend kan zijn aan partijen, alvorens uitspraak wordt gedaan.

5. Uit de uitspraak van 8 oktober 2014 volgt dat [verzoekster] over een agrarische bedrijfswoning beschikte op het perceel [locatie A] ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering op de percelen [locatie A] en [locatie B]. Niet in geschil is dat op verzoek van [verzoekster], althans met haar instemming, de agrarische bestemming van het perceel [locatie A] gewijzigd is naar "Bedrijf". De omstandigheid dat [verzoekster] niet meer over een agrarische bedrijfswoning beschikt, is derhalve een gevolg van haar eigen handelen. Deze omstandigheid is doorslaggevend geweest voor het ongegrond verklaren van het beroep van [verzoekster]. De eigendomssituatie van het perceel [locatie A] ten tijde van de vaststelling van het bestreden bestemmingsplan was niet dragend voor dat oordeel. Dit betekent dat een juiste voorstelling met betrekking tot de eigendomssituatie niet kan leiden tot een ander oordeel, omdat deze omstandigheid onverlet laat dat [verzoekster] heeft ingestemd met het "omzetten" van haar agrarische bedrijfswoning naar een reguliere bedrijfswoning. Het verzoek van [verzoekster] voldoet daarmee evenmin aan de voorwaarde van artikel 8:119, eerste lid, onder c, van de Awb.

6. Gelet op het voorgaande kan niet gesproken worden van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek dient te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Milosavljević

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

739.