Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201503254/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1473, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college het projectplan "Verdrogingsbestrijding Vossenbroek" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 27
Wet bodembescherming 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7053
JM 2015/109 met annotatie van Y. Flietstra
JBO 2015/326 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503254/1/A4.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2015 in zaak nr. 14/7954 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Waterschap Vallei en Veluwe.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2014 heeft het college het projectplan "Verdrogingsbestrijding Vossenbroek" vastgesteld.

Bij uitspraak van 10 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellante B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2015, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. T.J.H. Verstappen, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. Doude van Troostwijk, L. Eikelenboom-van den Bos, P. van Dijk en M. Veldhuis, allen werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bij het bestreden besluit vastgestelde projectplan voorziet in het treffen van maatregelen in het Vossenbroek. Afhankelijk van het belang van een in dit gebied gelegen watergang, is daartoe in het projectplan een onderscheid gemaakt tussen A-, B- en C-watergangen. Concreet bestaan de voorziene maatregelen uit het verondiepen van A-watergangen, het afgraven van oevers tot natuurvriendelijke oevers, het graven van een nieuwe A-watergang en het verdiepen van delen van een A- en C-watergang en het bekleden met klei. Het doel van deze maatregelen is de watergangen in het gebied zoveel mogelijk te verondiepen, waardoor het grondwater kan stijgen en verdroging in het gebied wordt tegengegaan.

2. [appellant A] en [appellante B] wonen aan de [locatie] te Emst en zijn drijver van een aldaar gevestigd boerenbedrijf. Het perceel ligt aan de rand van het Vossenbroek. [appellant A] en [appellante B] stellen dat de in het projectplan voorziene maatregelen kunnen leiden tot een verplaatsing van de bodemverontreiniging op het perceel, kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, sectie M, nr. 4070 (hierna: perceel 4070) naar hun perceel. Daartoe hebben zij in beroep het rapport "Historisch onderzoek van een locatie nabij de [locatie] te Emst" van Boluwa Eco Systems B.V. van 10 december 2014 (hierna: het rapport van Boluwa) overgelegd. Dit rapport betreft een onderzoek naar een mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op perceel 4070. Als hypotheses zijn daarin gesteld dat er reden is een bodem- en een grondwaterverontreiniging op het perceel te verwachten. In het rapport wordt geadviseerd door middel van een aanvullend verkennend bodemonderzoek de verontreiniging op het perceel verder in kaart te brengen.

3. [appellant A] en [appellante B] kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college in het rapport van Boluwa geen aanleiding heeft hoeven zien voor nader onderzoek naar de aanwezigheid van een verontreiniging op perceel 4070 en de mogelijke verspreiding daarvan naar hun perceel. De in dat rapport geformuleerde hypotheses laten volgens hen geen andere conclusie toe dan dat een dergelijk nader onderzoek wel noodzakelijk was. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is het niet aan hen om te bewijzen dat perceel 4070 daadwerkelijk verontreinigd is, maar is het voldoende dat zij aannemelijk maken dat de aanwezigheid van verontreiniging op dat perceel niet kan worden uitgesloten, aldus [appellant A] en [appellante B]. Zij betogen voorts dat de rechtbank hierbij ten onrechte heeft geoordeeld dat het college ter onderbouwing van zijn standpunt dat perceel 4070 niet verontreinigd is, heeft kunnen verwijzen naar het rapport "Verkennend bodemonderzoek voormalig wegtracé Brinkerweg te Epe" van Tauw B.V. van 11 december 2002 (hierna: het rapport van Tauw). Daartoe voeren zij aan dat dit rapport uit 2002 dateert, dat het voor een ander doel is opgesteld dan het rapport van Boluwa, dat het onderzoek een beperkte omvang had en dat het onderzoek niet volgens het Bouwstoffenbesluit is uitgevoerd.

Ter verdere onderbouwing van hun betoog dat niet kan worden uitgesloten dat perceel 4070 verontreinigd is, hebben [appellant A] en [appellante B] in hoger beroep diverse nadere stukken ingediend. Daartoe behoren onder meer het rapport "Oriënterend bodemonderzoek Vossenbroek te Emst gemeente Epe" van Syncera De Straat B.V. van 14 juni 2005, het rapport "Partijkeuring Besluit Bodemkwaliteit conform BRL SIKB 1000 - Natuurgebied Vossenbroek - Epe" van BOOT organiserend ingenieursburo B.V. van 17 november 2008, alsmede een nadere reactie van Boluwa Eco Systems B.V. van 12 juni 2015 (hierna tezamen: de nadere rapporten en reactie).

3.1. Voor het oordeel dat het college in het kader van de vaststelling van het projectplan nader onderzoek had moeten doen naar mogelijke verspreiding van verontreiniging op perceel 4070 naar het perceel van [appellant A] en [appellante B, is slechts plaats indien aannemelijk is dat op perceel 4070 een verontreiniging aanwezig kan zijn én dat deze verontreiniging zich als gevolg van de in het projectplan voorziene maatregelen naar hun perceel kan verspreiden. Anders dan waarvan [appellant A] en [appellante B] uitgaan, lag het op hun weg om dit aannemelijk te maken.

De Afdeling stelt vast dat het college het rapport van Boluwa gemotiveerd heeft bestreden. Daartoe heeft het onder meer een, bij het verweerschrift gevoegde, kaart overgelegd. [appellant A] en [appellante B] hebben de juistheid daarvan niet bestreden. Op de kaart is weergegeven dat het gedeelte van het gebied waar een verhoging van de grondwaterstand zal optreden als gevolg van de in het projectplan voorziene maatregelen zich niet uitstrekt tot perceel 4070. Zoals het college heeft gesteld, betekent dit dat een eventuele verontreiniging op perceel 4070 niet meer dan nu in contact zal komen met het grondwater. Voorts is op de kaart weergegeven dat het grondwater in het eerste watervoerende pakket in oostelijke richting stroomt. In het rapport van Boluwa wordt daar ook van uitgegaan. Gelet op deze stromingsrichting alsmede op de ligging van perceel 4070 ten noorden van dat van [appellant A] en [appellante B], is niet aannemelijk dat, zelfs als perceel 4070 verontreinigd zou zijn, deze verontreiniging zich als gevolg van de in het projectplan voorziene maatregelen naar het perceel van [appellant A] en [appellante B] zou kunnen verspreiden. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college in het rapport van Boluwa geen aanleiding heeft hoeven zien voor nader onderzoek naar de mogelijke verspreiding van een verontreiniging op perceel 4070 naar het perceel van [appellant A] en [appellante B].

Ten aanzien van het rapport van Tauw en de nadere rapporten en reactie stelt de Afdeling vast dat zij alle betrekking hebben op de mogelijke aanwezigheid van een verontreiniging op perceel 4070, maar geen informatie bevatten over de vraag of een verontreiniging, indien aanwezig, zich als gevolg van de in het projectplan voorziene maatregelen naar het perceel van [appellant A] en [appellante B] zou kunnen verspreiden. Hetgeen [appellant A] en [appellante B] over het rapport van Tauw naar voren hebben gebracht en de nadere rapporten en reactie kunnen derhalve evenmin leiden tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen nader onderzoek behoefde te verrichten en behoeven daarom geen inhoudelijke bespreking.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

462-732.