Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201502262/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 13 januari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/814

Uitspraak

201502262/1/A4.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 13 januari 2015 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door I.S. Sloover, en het college, vertegenwoordigd door B. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 januari 2015 naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) in de Noorderbeekstraat ter hoogte van nummer 202 is aangetroffen. Het college stelt zich op het standpunt dat de doos van [appellant] afkomstig was, nu daarop zijn naam- en adresgegevens zijn aangetroffen, en dat hij degene is die de doos, door deze naast de ORAC te plaatsen, in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden.

3. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij voert aan dat hij nog nooit huisvuil verkeerd ter inzameling heeft aangeboden en dat hij voor het aanbieden van huisvuil gebruik maakt van ORAC’s die op nog geen vijf minuten lopen van zijn woning aan de [locatie] zijn gesitueerd. Volgens [appellant] is het onlogisch dat hij voor het aanbieden van huisvuil gebruik zou maken van verder weg gelegen ORAC’s. Daarbij wijst hij erop dat de locatie waar de doos is aangetroffen op ruime afstand van zijn woning is gelegen. Volgens [appellant] is de enkele omstandigheid dat op de doos zijn naam- en adresgegevens zijn aangetroffen onvoldoende om te kunnen concluderen dat hij de overtreding heeft begaan. [appellant] stelt dat hij in het verleden regelmatig dozen aan anderen heeft gegeven en dat een van hen de doos verkeerd ter inzameling moet hebben aangeboden.

3.1. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 16 april 2014 in zaak nr. 201308225/1/A4 en van 13 mei 2015 in zaak nr. 201408695/1/A4) zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, namelijk dat er behalve de aangetroffen naam- en adresgegevens geen bewijs is en hij onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen, geen aanleiding om van deze rechtspraak terug te komen.

3.2. Vast staat dat op 13 januari 2015 in de Noorderbeekstraat ter hoogte van nummer 202 naast een ORAC een doos is aangetroffen die in strijd met de Afvalstoffenverordening was aangeboden. De doos kan tot [appellant] worden herleid, nu daarop zijn naam- en adresgegevens zijn aangetroffen. Dit betekent, gelet op hetgeen onder 3.1 is overwogen, dat het college mag aannemen dat [appellant] de overtreder is, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd ter inzameling heeft aangeboden.

De enkele stellingen van [appellant] dat hij nog nooit huisvuil verkeerd ter inzameling heeft aangeboden, dat hij voor het aanbieden van huisvuil gebruik maakt van ORAC’s die op nog geen vijf minuten lopen van zijn woning zijn gesitueerd en dat het onlogisch is om daarvoor gebruik te maken van verder weg gelegen ORAC’s, zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd ter inzameling heeft aangeboden. Ook de omstandigheid dat de locatie waar de doos is aangetroffen op ruime afstand van zijn woning is gelegen, is daarvoor op zichzelf onvoldoende (vergelijk de uitspraak van 1 april 2015 in zaak nr. 201405736/1/A4). Met zijn stelling dat hij in het verleden regelmatig dozen aan anderen heeft gegeven en dat een van hen de doos verkeerd ter inzameling moet hebben aangeboden, heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de op 13 januari 2015 aangetroffen doos verkeerd heeft aangeboden. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft derhalve geen grond voor het oordeel dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

462-732.