Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201409749/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Beutenaken ongenummerd te Slenaken" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/836

Uitspraak

201409749/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Beutenaken, gemeente Gulpen-Wittem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders het wijzigingsplan "Beutenaken ongenummerd te Slenaken" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2015, waar [appellant] en anderen, in de personen van [appellant] en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Het wijzigingsplan

2. Het wijzigingsplan voorziet op grond van de in artikel 43, lid 43.3, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) vervatte wijzigingsbevoegdheid in een wijziging van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" in de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor het perceel kadastraal bekend Wittem, sectie F nummer 120, plaatselijk bekend Beutenaken ongenummerd te Slenaken, ten behoeve van de ontwikkeling van een woning.

Ingevolge artikel 43, lid 43.3, van de regels van het bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders, toepassing gevende aan de "Verhandelbare Ontwikkelings-Rechten-methode (VORm)", het plan wijzigen ten behoeve van het realiseren van één of meerdere burgerwoningen of andere stedelijke functies op passende locaties, in ruil voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij ingezet wordt op ecologische en maatschappelijke doelen, mits voldaan wordt aan de algemene randvoorwaarden en de specifieke voorwaarden, zoals deze zijn vermeld in de "POL-herziening op onderdelen Contourenbeleid Limburg", met dien verstande, dat:

a. zoveel als mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen;

b. ontwikkelingen niet binnen de Ecologische Hoofdstructuur plaatsvinden; c. sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Ontvankelijkheid

3. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hiertoe voert hij aan dat het beroepschrift is ingediend door de Belangengroep Beutenaken, waarin [appellant] en anderen zich hebben verenigd, en de Belangengroep Beutenaken niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college van burgemeester en wethouders betoogt verder dat het beroep voor zover ingediend door [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat zij de gronden van het beroep niet heeft aangevuld.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, bevat het beroepschrift de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef onder a, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

3.2. De wetgever heeft de eis van belanghebbendheid gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

3.3. [appellant] en anderen hebben onder de naam Belangengroep Beutenaken beroep ingesteld.

Over de Belangengroep Beutenaken staat vast dat zij niet is opgericht bij notariële akte en dat zij niet beschikt over statuten. Ook verder is niet gebleken dat de Belangengroep een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek is. Artikel 1:2, derde lid, van de Awb is niet van toepassing.

Derhalve dient te worden beoordeeld of [appellant] en anderen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Vaststaat dat [appellant] en [persoon A], namens wie het beroep mede is ingesteld, op 50 m respectievelijk 150 m afstand van het plangebied wonen en dat zij zicht hebben op de woningbouwlocatie. [persoon B], namens wie het beroep mede is ingesteld, heeft de gronden naast het plangebied in gebruik. Deze omstandigheden maken dat [appellant], [persoon A] en [persoon B] als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb dienen te worden aangemerkt.

Vaststaat verder dat [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon A], [persoon F] en [persoon G], namens wie het beroep mede is ingesteld, op tenminste 180 m afstand van de woningbouwlocatie wonen. Naar het oordeel van de Afdeling is deze afstand te groot om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang aan te nemen. Voorts is niet gebleken dat voornoemde personen zicht hebben op de woningbouwlocatie. Evenmin is gebleken van andere feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de ruime afstand een objectief en persoonlijk belang van voornoemde personen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Deze personen kunnen derhalve niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

3.4. Wat het betoog van het college van burgemeester en wethouders betreft dat [appellant] niet tijdig de gronden van het beroep heeft aangevuld, is van belang dat het pro forma-beroepschrift nadrukkelijk is ingediend door [appellant] namens haarzelf en namens de andere indieners onder de naam Belangengroep Beutenaken. Uit de omstandigheid dat [appellant] in het aanvullende beroepschrift, dat binnen de daartoe door de Afdeling gestelde termijn is ingediend, niet opnieuw nadrukkelijk heeft vermeld dat zij het beroep mede namens haarzelf heeft ingediend, kan niet worden afgeleid dat [appellant] niet heeft bedoeld mede namens haarzelf de gronden van het beroep aan te vullen.

3.5. De conclusie is dat het beroep, voor zover mede ingediend namens [appellant], [persoon A] en [persoon B] ontvankelijk is. Het beroep, voor zover mede ingediend door [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon A], [persoon F] en Huibregts, is niet-ontvankelijk.

Structuurvisie

4. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid zoals vastgelegd in de Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul (hierna: de structuurvisie), vastgesteld door de raad op 29 maart 2012 wat betreft het onderdeel Gulpen-Wittem.

Hiertoe voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan het vereiste van zuinig ruimtegebruik omdat de omvang van de voorziene bebouwing te groot is. Voorts voeren zij aan dat de bebouwing ten onrechte niet binnen de rode contour of binnen een lint of cluster is voorzien. Bovendien is de woningbouwlocatie gelegen in een beekdalbodem. Verder wordt van de initiatiefnemer ten onrechte geen financiële bijdrage gevraagd ten behoeve van compenserende maatregelen elders in het buitengebied.

4.1. Het college van burgemeester en wethouders stelt dat de omvang van de woning vergelijkbaar is met woningen in de omgeving en dat de woning in het lint wordt gebouwd. Voorts stelt het college van burgemeester en wethouders zich op het standpunt dat de initiatiefnemer investeert in een klimaatneutrale en duurzame ontwikkeling van de woning, waarin een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit is gelegen. Op basis van de structuurvisie zou voor € 65.000,- moeten worden gecompenseerd. De extra ecologische maatregelen beslaan ruimschoots dit bedrag. Gelet hierop hoeft geen financiële bijdrage ten behoeve van compensatie elders in het buitengebied te worden geleverd, aldus het college van burgemeester en wethouders.

4.2. Ten behoeve van de voorziene woning is aan een gedeelte van de gronden in het plangebied de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "bouwvlak", "maximale bouwhoogte (m) = 4,2", en "specifieke vorm van wonen - ontwerp" toegekend. Aan de overige gronden in het plangebied is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschappelijke inpassing" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor landschappelijke inpassing en de aanleg van mitigerende maatregelen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschappelijke inpassing", overeenkomstig Bijlage 1 en Bijlage 2 bij deze regels.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 4.2.2, onder a, mogen woningen en bijgebouwen uitsluitend in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ontwerp" worden gebouwd overeenkomstig het stedenbouwkundig en landschappelijk ontwerp van de woning zoals weergegeven in Bijlage 1 bij de regels.

Ingevolge lid 4.2.2, onder e, mag ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)" de bouwhoogte maximaal de aangegeven bouwhoogte bedragen;

Ingevolge lid 4.5.4 is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ontwerp" het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor "Wonen" aangewezen gronden conform de bestemming "Wonen" alleen toegestaan als de woning in hoofdlijnen wordt uitgevoerd en de landschappelijke inpassing zoals bedoeld in lid 4.2.2, onder a, en conform de toelichting bij het stedenbouwkundig en landschappelijk ontwerp van de woning zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels en de mitigerende maatregelen conform het mitigatieplan zoals opgenomen in Bijlage 2, is uitgevoerd en in stand wordt gehouden.

4.3. In het Limburgs Kwaliteitsmenu 2010 (hierna: het LKM) staat dat het LKM een basis vormt voor het behoud en de ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Passend binnen het algemene kader van het LKM kunnen gemeenten hun eigen beleid ontwikkelen. In de structuurvisie is het zogenoemde Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (hierna: GKM) opgenomen. Dit betreft een uitwerking op gemeentelijk niveau van het LKM.

In de structuurvisie staat dat er in het buitengebied bij het uitbreiden van bestaande en de vestiging van nieuwe functies, altijd sprake dient te zijn van zuinig ruimtegebruik.

Verder staat in de structuurvisie dat nieuwe woningen in beginsel binnen de rode contouren dienen te worden gebouwd. In de kernrandzones, grenzend aan de rode contour en binnen linten en clusters die niet voorzien zijn van een contour, zijn incidenteel nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden aanwezig. De structuurvisie gaat verder uit van een onderverdeling in zones, waaronder de zone beekdalbodems, met bepaalde kenmerken en daarmee samenhangende waarden, die voorwaarden stellen aan de functies die zijn toegestaan. In de structuurvisie staat dat de ontwikkeling van solitaire woningen in alle zones is toegestaan, maar dat hiermee zeer terughoudend wordt omgegaan.

In de structuurvisie staat voorts dat een nieuwe ontwikkeling per saldo moet leiden tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied. In de eerste plaats betekent dit dat de nieuwe ontwikkeling zelf voldoende kwaliteit moet hebben, onder andere door een goede ruimtelijke vormgeving en door inpassing van de bebouwing in het landschap. Anderzijds dient er compensatie van het verlies aan omgevingskwaliteit plaats te vinden elders in het buitengebied. In de structuurvisie staat verder dat bij kwaliteitsverbeterende maatregelen in de vorm van fysieke compensatie, de voorkeur bestaat voor het uitvoeren van de maatregelen door de initiatiefnemer zelf, bijvoorbeeld de sloop van bebouwing. Als fysiek compenseren niet mogelijk of gewenst is, kan een bijdrage worden gestort in het kwaliteitsfonds. Dit fonds geeft de gemeente de mogelijkheid om compenserende maatregelen uit te voeren.

4.4. De Afdeling overweegt dat in de structuurvisie staat voorgeschreven dat bij nieuwe ontwikkelingen, zoals de onderhavige, het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik dient te worden toegepast. Bij de vraag of sprake is van zuinig ruimtegebruik kan de omvang van de voorziene bebouwing een rol spelen.

Het college van burgemeester en wethouders heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omvang van het bouwvlak geen aanleiding biedt voor het oordeel dat geen sprake is van zuinig ruimtegebruik. Hierbij is van belang dat de bebouwing in de omgeving een vergelijkbare omvang heeft. In zoverre faalt het betoog.

4.5. Zoals [appellant] en anderen betogen en uit de plantoelichting blijkt is de woningbouwlocatie gelegen in een beekdalbodem. De structuurvisie verzet zich echter niet tegen de ontwikkeling van woningen in die zone.

Uit de structuurvisie volgt voorts dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn binnen de rode contour of binnen een lint of cluster. De woningbouwlocatie is gelegen in het buurtschap Beutenaken, wat zich kenmerkt door lintbebouwing. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de woningbouwlocatie binnen de lintbebouwing is gelegen. Hierbij is van belang dat ten noorden en ten zuiden van de woningbouwlocatie reeds bestaande bebouwing aanwezig is aan dezelfde weg. Dat ter plaatse van de woningbouwlocatie over een afstand van ongeveer 50 m geen bebouwing aanwezig is, neemt het beeld van de lintbebouwing niet weg. Voor zover [appellant] en anderen hebben betoogd dat alleen sprake kan zijn van een lint wanneer de lintbebouwing grenst aan een bebouwingskern, overweegt de Afdeling dat dit niet volgt uit de structuurvisie. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan is vastgesteld in strijd met de structuurvisie. Ook in zoverre faalt het betoog.

4.6. De Afdeling overweegt verder dat de structuurvisie voorschrijft dat bij ontwikkelingen in het buitengebied ter compensatie van het kwaliteitsverlies elders in het buitengebied een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit dient plaats te vinden. Het betreft een aanvullende eis die naast een goede ruimtelijke vormgeving en inpassing van de bebouwing in het landschap wordt gesteld. Hieraan ligt ten grondslag dat in beginsel elke nieuwe ontwikkeling in het buitengebied een verlies aan omgevingskwaliteit met zich brengt. Vast staat dat niet elders in het buitengebied compensatie plaatsvindt dan wel dat daartoe een financiële bijdrage is gestort, zodat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met het beleid in de structuurvisie. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van burgemeester en wethouders onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval van dit beleid is afgeweken, omdat de omstandigheid dat de woning klimaatneutraal en duurzaam wordt ontwikkeld niet wegneemt dat de woning tot een verlies van omgevingskwaliteit leidt. In zoverre slaagt het betoog.

Duurzaamheids- en inpassingsaspecten

5. [appellant] en anderen betogen dat de voorziene woning onvoldoende landschappelijk wordt ingepast omdat de woning zeer goed zichtbaar zal zijn vanaf de openbare weg. Voorts betogen [appellant] en anderen dat de woning niet duurzaam zal worden gebouwd.

5.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder a, van de planregels geldt voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" dat woningen en bijgebouwen uitsluitend in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - ontwerp" mogen worden gebouwd overeenkomstig het stedenbouwkundig en landschappelijk ontwerp van de woning zoals weergegeven in Bijlage 1 bij de regels.

5.2. De Afdeling overweegt dat in de omstandigheid dat de woning zichtbaar zal zijn vanaf de openbare weg geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de regeling van de landschappelijke inpassing in artikel 4, lid 4.2.2, van de planregels toereikend is om een ingrijpende aantasting van de omgeving te voorkomen. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het college van burgemeester en wethouders in het wijzigingsplan een nadere regeling over de duurzaamheid van de voorziene woning had moeten opnemen, overweegt de Afdeling dat in afdeling 5.1 van het Bouwbesluit 2012 regels zijn neergelegd over energiezuinigheid, welke bij de bouw van woningen in acht moeten worden genomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 10 augustus 2011 in zaak nr. 200907207/1/R1 en van 22 april 2015 in zaak nr. 201409401/1/R6 (www.raadvanstate.nl), heeft deze regeling een uitputtend karakter, zodat geen ruimte bestaat in het plan op dit punt een nadere regeling te treffen.

Het betoog faalt.

Flora en fauna

6. [appellant] en anderen betogen dat de locatie voor de voorziene woning ongeschikt is omdat op korte afstand een dassenburcht aanwezig is.

6.1. Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat vanwege de aanwezigheid van de dassenburcht mitigerende maatregelen zullen worden getroffen.

6.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.3. In het kader van de voorbereiding van het wijzigingsplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de bouw van de voorziene woning voor de te beschermen flora en fauna op en rondom het perceel. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de door Econsultancy opgestelde "Quickscan flora en fauna Beutenaken (ong.) te Beutenaken/Slenaken in de gemeente Gulpen-Wittem", gedateerd 19 maart 2014 (hierna: de quickscan).

In de quickscan staat dat op de woningbouwlocatie zelf geen vaste rust- en verblijfplaats van de das is aangetroffen, maar dat in het westelijk gelegen bosperceel wel een dassenburcht aanwezig is die actief in gebruik is. Deze bevindt zich op circa 85 meter afstand. Tijdens het veldbezoek zijn op de woningbouwlocatie en in de directe omgeving dassenwissels aangetroffen. Gezien de ligging van de locatie ten opzichte van de burcht, de situering van de wissels in grotere context tezamen met het ontbreken van dassenwissels in de aangrenzende percelen kan worden gesteld dat de woningbouwlocatie van essentieel belang voor de oostwestelijke verbinding waarlangs de das zich verplaatst. Mitigerende maatregelen dienen een negatief effect door de ingreep op de dassenroute te voorkomen.

De mitigerende maatregelen zijn uitgewerkt in het door Econsultancy opgestelde mitigatieplan "Mitigatieplan das Beutenaken (ong.) te Beutenaken/Slenaken in de gemeente Gulpen-Wittem" gedateerd 1 april 2014 en als bijlage 2 bij de planregels van het wijzigingsplan opgenomen (hierna: het mitigatieplan).

6.4. [appellant] en anderen hebben de effectiviteit van de maatregelen in het mitigatieplan niet weersproken. Gelet hierop en nu artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels waarborgt dat de benodigde maatregelen zullen worden getroffen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan geen negatieve effecten zal hebben op de dassenroute. Gelet hierop heeft het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Conclusie

7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingediend door [persoon C], [persoon D], [persoon E], [persoon A], [persoon F] en [persoon G];

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeesters en wethouders van Gulpen-Wittem van 7 oktober 2014 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Beutenaken ongenummerd te Slenaken";

IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

191-821.