Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201500177/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:8055, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Oss voor de duur van drie maanden te sluiten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Opiumwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/808
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500177/1/A3.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oss,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 december 2014 in zaak nr. 14/2314 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de [locatie] in Oss voor de duur van drie maanden te sluiten.

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. Deckwitz, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en de burgemeester van Oss, vertegenwoordigd door H. Yildiz, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Eerste Protocol) heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

1.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid hanteert de burgemeester de beleidsregels zoals neergelegd in het "Beleid inzake bestuurlijke handhaving van art. 13b Opiumwet gemeente Oss" dat op 3 juni 2013 is vastgesteld (hierna: het beleid). Volgens het beleid wordt een woning gesloten indien een handelsvoorraad van meer dan 0,5 gram harddrugs in de woning wordt aangetroffen. Bij een eerste, tweede en derde constatering hiervan sluit de burgemeester de woning voor de duur van onderscheidenlijk drie maanden, zes maanden en onbepaalde tijd. Bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid softdrugs wordt volstaan met een bestuurlijke waarschuwing en bij volgende constateringen volgen eveneens sluitingen van de woning voor nader aangeduide periodes. In het beleid wordt voorts onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen. Aan het strengere regime voor lokalen dan voor woningen heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de sluiting van een woning zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen dan de sluiting van een lokaal.

3. Aan de oplegging van de last onder bestuursdwang heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de politie tijdens een huiszoeking op 18 oktober 2013 in de woning 19,6 gram cocaïne heeft aangetroffen. [appellant] heeft voorts verklaard dat hij cocaïne verkoopt aan andere personen. Daarnaast heeft hij verklaard dat de aangetroffen harddrugs van hem zijn. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen kan volgens de burgemeester worden geconcludeerd dat in de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester vindt de aanwezigheid van en handel in harddrugs een ernstige verstoring van de openbare orde. Derhalve dient gelet op het toepasselijke beleid de woning voor drie maanden te worden gesloten, aldus de burgemeester.

4. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de aangetroffen hoeveelheid harddrugs overwogen dat de burgemeester bevoegd was om krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang met betrekking tot de woning op te leggen. Voorts heeft de rechtbank in de termijn van vijf maanden die is verstreken tussen het moment waarop de harddrugs zijn aangetroffen en het moment waarop het besluit tot sluiting van de woning is genomen, geen aanleiding gezien om te oordelen dat deze bevoegdheid niet langer bestond. Verder heeft de rechtbank overwogen dat aan de burgemeester beleidsvrijheid toekomt bij de uitoefening van voornoemde bevoegdheid en dat het beleid van de burgemeester niet onredelijk is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het beleid niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van dermate bijzondere omstandigheden dat handelen overeenkomstig het beleid voor [appellant] onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

5. [appellant] voert aan dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was om over te gaan tot sluiting van de woning. In dit verband wijst hij erop dat bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning niet mag worden overgegaan tot sluiting van een woning nu dit middel volgens de wetsgeschiedenis een ultimum remedium is. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat de burgemeester, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat het besluit tot sluiting van de woning pas vijf maanden na het aantreffen van de harddrugs is genomen, had moeten motiveren dat zich ten tijde van dat besluit een verstoring van de openbare orde voordeed. Dit geldt in het bijzonder omdat volgens het beleid de burgemeester bij een eerste constatering een sluiting van de woning voor drie maanden voldoende vindt om de openbare orde te herstellen, terwijl hij in dit geval het verstrijken van vijf maanden hiertoe kennelijk onvoldoende vindt. In dit kader wijst [appellant] erop dat de sluiting geen punitieve sanctie is. Dat volgens de rechtbank dit tijdsverloop het gevolg is van zorgvuldig handelen door de burgemeester, doet hieraan niet af. Voorts wijst [appellant] erop dat hij de harddrugs op zak had, hetgeen doet vermoeden dat niet vanuit de woning maar juist op straat werd gehandeld. Derhalve was er ook ten tijde van het aantreffen van de harddrugs geen sprake van een verstoring van de openbare orde. Verder voert [appellant] aan dat het besluit tot sluiting van de woning mede is gebaseerd op de aangetroffen munitie terwijl dit geen grondslag mag vormen voor sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

5.1. Blijkens het besluit tot sluiting van de woning van 10 maart 2014 heeft de burgemeester aan de toepassing van bestuursdwang ten grondslag gelegd dat een handelshoeveelheid harddrugs in de woning was aangetroffen. Dat bij de vaststelling van de feiten tevens staat dat naast harddrugs 49 patronen bestemd voor een vuurwapen zijn aangetroffen, betekent niet dat dit feit aan de toepassing van bestuursdwang ten grondslag is gelegd.

Het betoog faalt.

5.2. In navolging van de rechtbank oordeelt de Afdeling voorts dat het betoog dat de burgemeester niet bevoegd was om krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang met betrekking tot de woning op te leggen, faalt.

5.2.1. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 11 december 2013 in zaak nr. 201300186/1/A3 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn. Uit de tekst van het artikellid volgt dat het woord "daartoe" allereerst ziet op verkoop. Uit de tekst van het artikellid volgt ook dat het woord "daartoe" mede ziet op aflevering of verstrekking. Dit betekent dat het artikellid, anders dan [appellant] veronderstelt, ook van toepassing is als in een pand drugs aanwezig zijn die elders zijn of zullen worden verkocht, maar in of vanuit het pand zullen worden afgeleverd of verstrekt. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is het voor het ontstaan van de in dit artikel neergelegde bevoegdheid voorts niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van harddrugs in de woning heeft geleid tot een verstoring van de openbare orde. Onder verwijzing naar genoemde uitspraak van 11 december 2013 overweegt de Afdeling dat de hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, en derhalve dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is, en dat in dit verband in redelijkheid kan worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria. Volgens die criteria, die ook als zodanig in het beleid zijn verwerkt, wordt een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik aangemerkt. Verder overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 28 november 2012 (zaak nr. 201111870/1/A3; www.raadvanstate.nl) dat in de Kamerstukken waarop [appellant] wijst (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) in algemene zin is vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar dat moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, maar dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Zoals tevens volgt uit de genoemde uitspraak kan de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval in deze zin worden aangemerkt en kan derhalve ook bij een eerste constatering hiervan aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van een woning worden ontleend. Dat het in die zaak ging om zeer grote hoeveelheden hard- en softdrugs en bovendien andere aan drugshandel gerelateerde middelen waren aangetroffen, heeft de Afdeling, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, slechts voor het oordeel omtrent de duur van de sluiting van de woning van belang geacht. Dat die zaak in zoverre verschilt van de onderhavige zaak is derhalve in verband met het vorenstaande niet relevant.

5.2.2. In de bestuurlijke rapportage, die mede is ondertekend door de officier van justitie, staat dat op 18 oktober 2013 in de woning van [appellant] onder meer 19,6 gram cocaïne is aangetroffen. Cocaïne staat in de bij de Opiumwet behorende lijst I, welke lijst harddrugs betreft. De hoeveelheid aangetroffen harddrugs overschrijdt de door het openbaar ministerie als hoeveelheid voor eigen gebruik aangemerkte hoeveelheid. Derhalve is in beginsel aannemelijk - en behoeft de burgemeester anders dan [appellant] betoogt niet op grond van feiten of omstandigheden te onderbouwen - dat de harddrugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning. Blijkens voornoemde bestuurlijke rapportage heeft [appellant] op 18 oktober 2013 bovendien verklaard dat hij cocaïne verkoopt aan andere personen en dat de aangetroffen cocaïne zijn eigendom was. In de omstandigheden dat tussen de vondst van de harddrugs en het besluit tot sluiting van de woning een periode van vijf maanden is verstreken en dat zich volgens [appellant] in de tussenliggende periode geen incidenten hebben voorgedaan, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester er in dit geval niet langer vanuit mocht gaan dat sprake was van een verstoring van de openbare orde en hij voornoemde bevoegdheid niet mocht aanwenden. Hiertoe wordt overwogen dat het verstrijken van deze termijn onder meer het gevolg is van zorgvuldig handelen en de burgemeester voorts het tijdsverloop in redelijkheid onvoldoende heeft kunnen achten om het gebruik van de woning ten behoeve van drugshandel als definitief beëindigd te beschouwen. In dit kader is van belang dat de inhoud van de gevonden snowseals door het Nederlands Forensisch Instituut is onderzocht en dat de uitslag van dit onderzoek op 5 december 2013 is ontvangen. Vervolgens is op 6 december 2013 een bestuurlijke rapportage opgesteld en is op 5 februari 2014 het voornemen tot sluiting van de woning aan [appellant] verzonden. Naar aanleiding daarvan heeft de burgemeester op 17 en 19 februari 2014 een pro forma zienswijze onderscheidenlijk een aanvulling van de pro forma zienswijze van [appellant] op dit voornemen ontvangen. Voorts is voor dit oordeel van belang dat de Afdeling het niet uitgesloten acht dat handelaren en gebruikers het pand nog zouden bezoeken. De sluiting van de woning had, zoals hieruit mede blijkt, geen verdergaande strekking dan het beëindigen van de overtreding van de Opiumwet en de sluiting was, anders dan [appellant] betoogt, derhalve niet gericht op toevoeging van verdergaand leed of nadeel. De sluiting van de woning is immers geen punitieve sanctie, maar is gericht op herstel. Ten slotte overweegt de Afdeling dat de omstandigheden dat volgens [appellant] slechts een beperkte hoeveelheid harddrugs was aangetroffen, geen sprake was van een reëel gevaar of overlast voor omwonenden, attributen ontbraken die op handel in verdovende middelen wijzen en [appellant] geen relevante antecedenten heeft op het gebied van drugs, gelet op de onder 5.2.1 opgenomen jurisprudentie niet relevant zijn.

6. [appellant] betoogt verder dat het beleid in strijd is met het uitgangspunt dat volgens de wetsgeschiedenis aan artikel 13b van de Opiumwet ten grondslag ligt alsmede dat het beleid onredelijk is. In dit kader voert hij aan dat het beleid niet voldoet aan het proportionaliteitsvereiste omdat het beleid bepaalt dat bij het aantreffen van harddrugs nagenoeg altijd een sluiting van de woning volgt, het beleid niet de mogelijkheid kent om op grond van de concrete omstandigheden van het geval een minder zwaar middel in te zetten en het beleid bovendien geen compensatie biedt voor de inbreuk op het eigendomsrecht. Ook heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat het beleid geen onredelijk onderscheid maakt tussen hard- en softdrugs en dat dit temeer geldt nu het beleid geen zwaarwegende factor toekent aan de hoeveelheid aangetroffen hard- en softdrugs.

6.1. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet er niet aan in de weg staat dat de burgemeester bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning overgaat tot sluiting van de woning. Onder verwijzing hiernaar overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het beleid dat hiertoe de mogelijkheid biedt in strijd is met artikel 13b van de Opiumwet en/of met de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat de burgemeester gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid beschikt over beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de rechter de invulling van die bevoegdheid door de burgemeester, terughoudend moet toetsen.

Het betoog faalt.

6.2. Uit het beleid volgt dat de burgemeester de bevoegdheid aanwendt indien in een woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Met de rechtbank acht de Afdeling het beleid, zoals weergegeven onder 2, in het algemeen niet onredelijk. Hierbij wordt betrokken dat, zoals onder 5.2.1 is overwogen, de burgemeester niet aannemelijk hoeft te maken dat een verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden en dat bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs tot sluiting van de woning kan worden overgegaan. Daarnaast neemt de Afdeling in aanmerking dat de burgemeester niet op grond van het beleid maar wel op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht de bevoegdheid heeft om gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval in afwijking van het beleid een minder zwaar middel in te zetten. Onder punt 5 van het beleid wordt bovendien expliciet op deze bevoegdheid gewezen. Verder is in dit kader van belang dat het beleid geen compensatie behoeft te bieden voor de inbreuk op het eigendomsrecht nu deze inbreuk inherent is aan de sluiting van een woning waartoe artikel 13b van de Opiumwet de mogelijkheid biedt. Ten slotte is voor voornoemd oordeel van belang dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat in het beleid een onredelijk onderscheid wordt gemaakt in harddrugs en softdrugs nu dit onderscheid, zoals de burgemeester terecht heeft aangegeven, in de Opiumwet eveneens wordt gemaakt en daaraan ten grondslag liggen de gebruiksrisico’s van de onderscheiden drugs en de mogelijkheid om een duidelijke scheiding tussen beide markten aan te brengen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt verder dat sprake was van bijzondere omstandigheden die noopten tot afwijking van het beleid in die zin dat niet tot sluiting van de woning had moeten worden overgegaan. In dit verband wijst hij er op dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij had niet de middelen om ander onderdak te bekostigen terwijl dit voor zijn lichamelijke veiligheid noodzakelijk was - nu hij het slaapapneusyndroom heeft - en de sluiting heeft tot gevolg gehad dat zijn uitkering op grond van de Wet werk en bijstand is ingetrokken.

7.1. De in dit geval gelaste sluiting van de woning is in overeenstemming met het beleid. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken van dermate bijzondere omstandigheden dat handelen overeenkomstig het beleid gevolgen voor [appellant] zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat de burgemeester voldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van [appellant] door hem een termijn van zes weken te geven om een geschikte locatie te vinden voor onderdak. Dat [appellant] niet de financiële middelen had om elders onderdak te verkrijgen, doet hieraan niet af nu hij door deze termijn de mogelijkheid heeft gekregen tijdelijk onderdak te vinden, hetgeen hem - zoals ter zitting is gebleken - ook is gelukt. Overigens heeft de burgemeester ter zitting gesteld dat hij voorafgaand aan het nemen van het besluit heeft geïnformeerd bij opvanglocatie het Verdihuis en hem is meegedeeld dat daar plek was voor [appellant]. Dat [appellant] door de sluiting financieel nadeel lijdt, is het directe gevolg van aanwending van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid en vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid tot sluiting van de woning heeft kunnen besluiten. Voor zover [appellant] in dit kader heeft gewezen op de intrekking van zijn uitkering op grond van de Wet werk en bijstand overweegt de Afdeling dat hij bij de rechtbank noch bij de Afdeling het standpunt van de burgemeester heeft weersproken dat dit niet het gevolg is van de sluiting van de woning maar van de omstandigheid dat hij niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt voorts, onder herhaling van hetgeen hij verder in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd, dat het besluit van 10 juni 2014 is genomen in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol en dat de rechtbank wat dit betreft ten onrechte heeft volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (in zaak nr. 201300425/1/A3; www.raadvanstate.nl).

8.1. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen en onder verwijzing naar de onder 8 genoemde uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit van 10 juni 2014 is genomen in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. De bevoegdheid van de burgemeester om de sluiting van de woning te gelasten, is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en derhalve bij wet voorzien. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevat een concrete normstelling op grond waarvan het voor een burger voldoende duidelijk is in welke gevallen de burgemeester bevoegd is om de sluiting van een woning te gelasten. Er bestaat, mede in aanmerking genomen hetgeen onder 7.1 is overwogen, geen grond voor het oordeel dat in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol geen redelijk evenwicht bestaat tussen het met de sluiting gediende algemeen belang en de nadelige gevolgen daarvan voor [appellant].

Het betoog faalt.

9. Ten slotte voert [appellant] aan dat de burgemeester op verzoek van verhuurder BrabantWonen op 27 mei 2014 en derhalve een maand na de daadwerkelijke sluiting van de woning deze sluiting ongedaan heeft gemaakt. Hieruit blijkt dat de burgemeester zelf ook van mening is dat geen aanleiding heeft bestaan dan wel geen aanleiding meer bestond vanaf 27 mei 2014 voor sluiting van de woning. Bovendien heeft de burgemeester het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door geen melding te maken van dit besluit, aldus [appellant].

9.1. De omstandigheid dat de burgemeester op 27 mei 2014 op verzoek van woningstichting BrabantWonen - die naar aanleiding van het besluit van 10 maart 2014 de huurovereenkomst met [appellant] heeft opgezegd - heeft besloten de sluiting ongedaan te maken, doet niet af aan de hiervoor opgenomen oordelen met betrekking tot het besluit van de burgemeester om over te gaan tot sluiting van de woning. Het besluit van 27 mei 2014 heeft echter wel gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit van 10 juni 2014 voor zover het betreft de duur van de sluiting van de woning. Het besluit van 27 mei 2014 heeft immers tot gevolg gehad dat de woning niet voor een periode van drie maanden maar voor een periode van ongeveer een maand gesloten is geweest. Het besluit op bezwaar is nadien genomen, zodat de burgemeester bij dat besluit niet voorbij kon gaan aan deze feitelijke situatie. De burgemeester had hierin bij het nemen van het besluit op bezwaar ofwel aanleiding moeten zien tot wijziging van het besluit van 10 maart 2014 in die zin dat de sluiting van de woning zou duren van 25 april 2014 tot 27 mei 2014 ofwel kunnen besluiten tot handhaving van het besluit van 10 maart 2014 onder gelijktijdige intrekking van voornoemd besluit van 27 mei 2014. Gelet hierop is het besluit op bezwaar van 10 juni 2014 in zoverre onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit - wegens onbekendheid met het besluit van 27 mei 2014 - niet onderkend.

Het betoog slaagt.

10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 10 juni 2014, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigen.

11. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

12. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 december 2014 in zaak nr. 14/2314;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Oss van 10 juni 2014, kenmerk PVTH/J 9005;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt de burgemeester van Oss tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de burgemeester van Oss aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

559.