Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201307223/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/289 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2015/292 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2016/686
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7041
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7042

Uitspraak

201307223/1/R4.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap Gasunie Transport Services B.V., gevestigd te Groningen,

2. de vereniging Vereniging Wierdebelangen Stitswerd, gevestigd te Eemsmond, en anderen, (hierna tezamen in enkelvoud: Stitswerd),

3. [appellant sub 3], wonend te Loppersum,

4. de stichting Stichting Individuele Studiebegeleiding, gevestigd te Groningen, en [appellant sub 4B], wonend te ’t Zandt, gemeente Loppersum, (hierna tezamen in enkelvoud: Stichting Individuele Studiebegeleiding),

5. de stichting Stichting Agricola, gevestigd te ’t Zandt, gemeente Loppersum, en [appellant sub 4B], wonend te ’t Zandt, gemeente Loppersum, (hierna tezamen in enkelvoud: Stichting Agricola),

6. [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], wonend te Loppersum,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Loppersum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Gasunie, Stitswerd, [appellant sub 3], Stichting Individuele Studiebegeleiding, Stichting Agricola, en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2014, waar [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. I.F.M. Kwint, Stichting Individuele Studiebegeleiding, vertegenwoordigd door [appellant sub 4B], bijgestaan door mr. T van der Weijde, Stichting Agricola, vertegenwoordigd door [voorzitter]van de stichting, bijgestaan door mr. T van der Weijde, en de raad, vertegenwoordigd door J.W. de Jongh, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst teneinde Gasunie in de gelegenheid te stellen te reageren op een door de raad ter zitting ingenomen gewijzigd standpunt over het beroep van Gasunie. Gasunie heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Naar aanleiding van deze reactie heeft de raad nadere stukken ingediend.

Nadat de betrokken partijen te kennen hebben gegeven geen prijs te stellen op een nadere zitting is deze achterwege gelaten. Vervolgens is met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het landelijk gebied van Loppersum.

Het beroep van Gasunie

3. Gasunie betoogt dat haar zienswijze gegrond is verklaard, maar abusievelijk onjuist is verwerkt in het bestemmingsplan. Als gevolg daarvan zijn niet alle buisleidingen en belemmeringenstroken in het plangebied juist weergegeven in het plan, zo voert Gasunie aan.

3.1. De raad heeft erkend dat de zienswijze abusievelijk niet op de beoogde wijze is verwerkt in het plan. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. In zoverre dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, de raad op te dragen om een nieuw besluit te nemen waarbij alsnog op de juiste, door de raad beoogde, wijze een regeling wordt getroffen voor buisleidingen en belemmeringenstroken in het plangebied.

De Afdeling zal voor het nieuw te nemen besluit een termijn stellen. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Het beroep van Stitswerd

4. Stitswerd kan zich niet verenigen met de functieaanduiding "windturbine" voor zover deze is toegekend aan het perceel Stitswerderweg 42 te Middelstum en voert daartoe diverse bezwaren aan.

4.1. De raad acht een windturbine ter plaatse van de gronden met de bestreden aanduiding niet langer nodig en verzoekt het desbetreffende planonderdeel te vernietigen.

Gelet op dit standpunt van de raad moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit planonderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover daarbij de aanduiding "windturbine" is toegekend aan het perceel Stitswerderweg 42 te Middelstum. Het beroep van Stitswerd is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

4.2. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B]

5. [appellant sub 3], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] kunnen zich niet verenigen met het bouwvlak dat bij gewijzigde vaststelling van het plan is toegekend aan het perceel Wirdumerweg 77a. Volgens hen is sprake van nieuwvestiging in strijd met de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 (hierna: de Omgevingsverordening).

5.1. Het perceel Wirdumerweg 77a is volgens de raad niet gelegen in een kwetsbaar gebied waarvoor in de Omgevingsverordening wordt uitgegaan van een bouwvlak van 10.000 m2. Verder zijn in de planregels nadere eisen gesteld om onder meer aantasting van het landschap te voorkomen, aldus de raad.

5.2. Ingevolge artikel 4.19a, eerste lid, van de Omgevingsverordening voorziet een bestemmingsplan niet in:

a. nieuwe agrarische bouwpercelen;

b. uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot een omvang groter dan: (…)

2º. twee hectare indien het betreft de gemeenten Appingedam, Bedum, Bellingwedde, Delfzijl, De Marne, Eemsmond, Grootegast, Leek, Loppersum, Marum, Menterwolde, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Ten Boer, Veendam, Vlagtwedde, Winsum en Zuidhorn.

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b, wordt onder agrarisch bouwperceel verstaan: aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder mm, wordt onder nieuw agrarisch bouwperceel verstaan: het toekennen van een agrarisch bouwperceel aan gronden waarop krachtens een op dat moment geldend bestemmingsplan nog geen zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan.

5.3. Vast staat dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1999" voor het perceel Winsumerweg 77a reeds voorzag in een agrarisch bouwperceel als bedoeld in de Omgevingsverordening. Het bestreden plandeel voorziet dan ook niet in een nieuw agrarisch bouwperceel in de zin van de Omgevingsverordening, maar in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel. Nu het plan onder bepaalde voorwaarden een bouwperceel mogelijk maakt met een omvang van maximaal 15.000 m², is de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheid niet groter dan de twee hectare die op grond van artikel 4.19a, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Omgevingsverordening ter plaatse is toegelaten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwvlak in strijd is met de Omgevingsverordening.

6. [appellant sub 3], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] betogen voorts dat het toegekende bouwvlak te groot is, nu er alleen concrete bouwplannen zijn voor een dienstwoning. Zij vrezen verder dat het opgenomen bouwvlak kan leiden tot de vestiging van een nieuw, groot agrarisch bedrijf op het perceel Wirdumerweg 77a, terwijl op dit moment alleen een schuur aanwezig is. De komst van een dergelijk bedrijf zou het bestaande uitzicht aantasten en leiden tot een toename van zwaar vrachtverkeer en stank- en geluidshinder, zo voeren zij aan. [appellant sub 3] betoogt dat onzeker is of het bestemmingsplan op dit punt financieel-economisch uitvoerbaar is, omdat onduidelijk is welk agrarisch bedrijf zich ter plaatse zal vestigen en of dat bedrijf levensvatbaar is.

6.1. De raad stelt dat het plan met betrekking tot de agrarische bestemming conserverend van aard is. Aan het perceel was in het vorige plan een agrarische bestemming met een bouwvlak van 10.000 m2 toegekend, dat volledig mocht worden bebouwd. Het onderhavige plan kent voor het perceel Wirdumerweg 77a een bouwvlak van 30.000 m2, waarvan 15.000 m2 mag worden bebouwd. De vergroting van de bouwmogelijkheden met 5.000 m2 is volgens de raad nodig, omdat een bouwmogelijkheid van 10.000 m2 voor veel agrarische bedrijven niet langer toereikend is, gelet op de ontwikkelingen in de agrarische sector en om te voorkomen dat bedrijfsgebouwen te dicht op elkaar worden gebouwd.

6.2. Aan het perceel Wirdumerweg 77a is de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Het perceel is niet aangeduid als "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijven, met inbegrip van de bestaande intensieve veehouderijbedrijven ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder a, worden alle gebouwen van een agrarisch bedrijf gebouwd binnen het bouwperceel, gelegen in het bouwvlak dat als zoekgebied fungeert.

Ingevolge het bepaalde onder b, bedraagt de grootte van het bouwperceel maximaal 15.000 m2, dan wel de bestaande grootte indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat:

- de bebouwing zoveel mogelijk wordt geclusterd

- uitbreiding van het bouwperceel tot boven de 10.000 m2 alleen mogelijk is indien wordt voldaan aan de onder 1 tot en met 9 opgesomde eisen:

1. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

2. de historisch gegroeide landschapsstructuur wordt gerespecteerd;

3. er voldoende afstand in acht wordt genomen tot andere ruimtelijke elementen;

4. de infrastructurele ontsluiting toereikend is;

5. de ordening, maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen evenwichtig is;

6. er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is geborgd; het gebruik van de bebouwing is uitsluitend toegestaan indien de erfbeplanting overeenkomstig het beplantingsplan is aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden;

7. de voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel c.q. het verlaten bouwperceel, worden gesaneerd;

8. het woon- en leefklimaat van direct omwonenden niet onevenredig wordt aangetast;

9. er rekening wordt gehouden met het aspect nachtelijke uitstraling.

Ingevolge artikel 1, lid 1.8 van de planregels wordt daarin onder "agrarisch bedrijf" verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren, met inbegrip van een productiegerichte paardenhouderij.

6.3. [appellant sub 3] woont op het perceel [locatie 1], op een afstand van ongeveer 150 m tot de gronden aan de Wirdumerweg 77a die zijn aangeduid als "bouwvlak". [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] wonen aan de [locatie 2], eveneens op ongeveer 150 m tot die gronden.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] dat hun vrije uitzicht zal worden aangetast door de nieuwe bebouwing, overweegt de Afdeling dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat. Daarnaast dient bebouwing ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels zoveel mogelijk te worden geclusterd. Gelet hierop en gezien de afstand van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] tot de gronden waaraan de bestreden bouwmogelijkheden zijn toegekend, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hun uitzicht niet onevenredig wordt beperkt.

Zoals hiervoor overwogen onder 5.3, maakte het voorheen geldende plan reeds bebouwing mogelijk aan de Wirdumerweg 77a. Met het in ieder geval toestaan van 10.000 m2 in het plan is de raad bij de voorheen toegestane oppervlakte aan bebouwing aangesloten. De door [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] geuite vrees voor de gevolgen van de toegestane bedrijvigheid geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Daarbij betrekt de Afdeling de afstand van hun woningen tot het perceel Wirdumerweg 77a, alsmede de omstandigheid dat een intensieve veehouderij ter plaatse niet is toegestaan.

Het voorliggende plan voorziet wat betreft de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing in zoverre in ruimere mogelijkheden dan het voorheen geldende plan, dat het onder bepaalde voorwaarden is geoorloofd om boven de 10.000 m2 tot maximaal 15.000 m2 bebouwing te realiseren. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad die mogelijkheid met het oog op het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] niet in redelijkheid heeft kunnen bieden. Daarbij is van belang dat artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder b, van de planregels diverse eisen bevat waaraan moet worden voldaan bij uitbreiding van het bouwperceel tot boven de 10.000 m2 en dat met deze eisen mede de belangen van de direct omwonenden worden beschermd.

Met de gestelde omstandigheid dat thans onduidelijk is welk agrarisch bedrijf zich aan de Wirdumerweg 77a zal vestigen heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de bestreden planregeling niet uitvoerbaar is, reeds omdat de planperiode zich uitstrekt over een periode van tien jaar. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aan dit perceel toegekende bestemming niet binnen die periode kan worden gerealiseerd.

In hetgeen [appellant sub 3], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in het plan opgenomen regeling voor het perceel Wirdumerweg 77a.

De beroepen van Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding

7. Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding kunnen zich niet verenigen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 2" voor zover deze zijn toegekend aan het perceel Omtadaweg 8, kadastraal bekend onder sectie A, nummers 114 en 2126, en de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 4", voor zover deze zijn toegekend aan het perceel Zeerijperweg 9, kadastraal bekend onder sectie F, nummers 769 en 1490.

Zij betogen dat de raad ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" heeft toegekend aan het perceel A2126 en voeren daartoe onder meer aan dat monumentenbescherming reeds via de Monumentenwet 1988 wordt geregeld. Nu slechts een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 is vereist voor werkzaamheden aan het monument zelf, terwijl het perceel A2126 groter is, is het volgens hen voorts onredelijk om aan dit hele perceel die dubbelbestemming toe te kennen. Ten slotte betogen zij dat het niet noodzakelijk is voor een nieuw op te richten schuur om een vergunning aan te vragen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zoals volgt uit de planregels. Slechts de oude schuur was immers aangewezen als monument op het perceel Omtadaweg 8, aldus Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding.

Zij betogen voorts dat de overige dubbelbestemmingen ten onrechte zijn toegekend aan hun gronden omdat hun percelen zijn geroerd door werkzaamheden die verband houden met het afgraven van gronden om sloten te dempen en met agrarische bedrijvigheid. Nu deze werkzaamheden sinds de jaren ‘60 van de vorige eeuw hebben plaatsgevonden, kunnen volgens hen geen archeologische waarden meer aanwezig zijn en achten zij het onredelijk bezwarend dat de raad niettemin de bestreden archeologische dubbelbestemmingen heeft opgenomen.

7.1. De raad stelt dat de bestreden dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" slechts is opgenomen ter verduidelijking van het reeds aangewezen archeologische monument. Hogere regelgeving is volgens de raad in het plan overgenomen maar niet aangevuld. De archeologische bestemming is toegekend aan het gehele perceel omdat het toekennen van de bestemming is gebaseerd op de Archis-database, waarin het gehele perceel A2126 als monument aangewezen is. De raad stelt ten slotte dat niet voorkomen kan worden dat een vergunning dient te worden aangevraagd voor het oprichten van een schuur, nu het gehele perceel is aangewezen als rijksmonument. Bij het bestaande bedrijf zijn voldoende bebouwingsmogelijkheden opgenomen, nu elk agrarisch bedrijf een zoekgebied voor bebouwing van ongeveer 30.000 m2 heeft gekregen, aldus de raad.

De raad stelt voorts dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek is gedaan naar de archeologische waarden in het plangebied. Deze waarden zijn overgenomen uit een beleidsadvieskaart die is vastgesteld door het onafhankelijke archeologisch adviesbureau RAAP. Indien Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding kunnen aantonen, door een onderzoek van een bevoegde instantie, dat ter plaatse van de percelen A114, A2126, F769 en F1490 geen archeologische waarden meer aanwezig zijn, kan het college van burgemeester en wethouders zijn wijzigingsbevoegdheid gebruiken om de archeologische bestemming te doen vervallen.

7.2. Aan het perceel A2126 is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van wettelijk beschermde archeologische monumenten. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Ingevolge lid 22.2 is voor het bouwen van bouwwerken een vergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij de gemeente Loppersum te worden ingediend.

Ingevolge lid 22.3 is voor het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, een vergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed noodzakelijk. Een aanvraag daartoe dient bij de gemeente Loppersum te worden ingediend. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning krachtens de Monumentenwet 1988 een beschermd monument af te breken, te verstoren of in enig opzicht te wijzigen.

7.2.1. Uit artikel 3.1, eerste lid, van de Wro volgt dat de raad ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen aanwijst en met het oog op die bestemming regels geeft. De Afdeling overweegt dat de raad te kennen heeft gegeven dat hij met artikel 22 van de planregels niet heeft beoogd om verderstrekkende verplichtingen in het leven te roepen dan welke reeds voortvloeien uit de Monumentenwet 1988, maar dat hij met deze regeling slechts een informerende functie voor ogen heeft. Artikel 3.1, eerste lid, van de Wro biedt evenwel geen ruimte om louter met het oog op informatieverstrekking bestemmingen op te nemen in een bestemmingsplan. Desgewenst had de raad hiervoor de plantoelichting kunnen gebruiken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" heeft toegekend aan het perceel Omtadaweg 8, kadastraal bekend onder sectie A, nummers 114 en 2126. In zoverre is het besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb en dient het te worden vernietigd.

Deze vernietiging heeft tot gevolg dat uit het bestemmingsplan niet langer een plicht voortvloeit om in bepaalde gevallen voor de desbetreffende gronden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een vergunning aan te vragen, afgezien van de -thans niet van belang zijnde- vraag in hoeverre die verplichting uit andere wet- en regelgeving voortvloeit. De daarop gerichte beroepsgrond van Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding behoeft dan ook geen bespreking.

7.2.2. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

7.3. Aan de percelen A114 en F769 is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" toegekend en aan het perceel F1490 de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4".

Ingevolge artikel 23, lid 23.2, van de planregels mogen op gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 2" geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 40 centimeter wordt geroerd, met uitzondering van:

- bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 50 m² ten behoeve van andere voor deze gronden geldende bestemmingen. De gebouwen die bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn hiervan uitgezonderd.

Ingevolge artikel 24, lid 24.2, van de planregels mogen op gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 4" geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 50 centimeter wordt geroerd, met uitzondering van:

- bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 200 m² wordt uitgebreid;

- bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 200 m² ten behoeve van andere voor deze gronden geldende bestemmingen.

De regels bij deze dubbelbestemmingen geven het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder bepaalde voorwaarden bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels. De regels bevatten voorts een verbod op het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of van bepaalde werkzaamheden. Voor een aantal in de regels omschreven situaties is hierop een uitzondering opgenomen. Onder meer geldt een uitzondering op het verbod op het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die plaatsvinden in of op gronden waarvan schriftelijk is aangetoond dat de bodem ter plaatse reeds is verstoord.

Voorts is het college van burgemeester en wethouders ingevolge lid 23.5 onderscheidenlijk lid 24.5 bevoegd het plan te wijzigen door de desbetreffende dubbelbestemming te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

7.3.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Ingevolge artikel 40, eerste lid van de Monumentenwet 1988 kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een archeologisch rapport dient te overleggen.

7.3.2. In de plantoelichting is vermeld dat in september 2008 de Regioraad Noord-Groningen de archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart heeft aangenomen. Deze beleidsadvieskaart met bijbehorend rapport maakt sinds februari 2009 integraal onderdeel uit van het beleid van de gemeente Loppersum. Voorts is voorafgaande aan het plan een overzicht gemaakt van de bekende archeologische vindplaatsen en de verwachte archeologische waarden in de gemeente. Deze waarden zijn vervolgens weergegeven op de archeologische verwachtingskaart. In het voorliggend bestemmingsplan zijn de archeologisch waardevolle gebieden, inclusief bijbehorende regelingen, integraal opgenomen. Voor alle gronden binnen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 4" geldt volgens de plantoelichting dat indien uit reeds gedaan onderzoek is gebleken dat in de bodem geen archeologische resten aanwezig zijn, een archeologisch onderzoek achterwege kan blijven.

7.3.3. Met de enkele stelling dat hun gronden in het verleden zijn geroerd, hebben Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van hun gronden redelijkerwijze geen archeologische waarden te verwachten zijn. Het aangevoerde geeft de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid op basis van de uitkomsten van het in verband met het plan verrichte archeologische onderzoek aan de desbetreffende gronden van Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" onderscheidenlijk "Waarde - Archeologie 4" heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

7.4. Voor zover Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding voor het overige hebben verwezen naar de inhoud van de zienswijze, is in de overwegingen van het bestreden besluit ingegaan op deze zienswijze. Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

8. De beroepen van Gasunie, Stitswerd, Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding zijn gegrond. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] zijn ongegrond.

Proceskosten

9. De raad dient ten aanzien van Stitswerd, Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft Gasunie is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Nu de beroepsgronden van Stichting Agricola en Stichting Individuele Studiebegeleiding identiek zijn en namens hen in deze procedure door dezelfde rechtsbijstandsverlener naar voren zijn gebracht, ziet de Afdeling aanleiding de beroepen in zoverre te behandelen als samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die wat betreft de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak worden beschouwd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap Gasunie Transport Services B.V., de vereniging Vereniging Wierdebelangen Stitswerd en anderen, Stichting Individuele Studiebegeleiding en [appellant sub 4B] en Stichting Agricola en [appellant sub 4B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Loppersum van 27 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Loppersum", voor zover daarbij:

a. niet op de juiste, door de raad beoogde, wijze een regeling is getroffen voor buisleidingen en belemmeringenstroken in het plangebied;

b. de aanduiding "windturbine" is toegekend aan het perceel Stitswerderweg 42 te Middelstum;

c. de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" is toegekend aan het perceel Omtadaweg 8, kadastraal bekend onder sectie A, nummers 114 en 2126;

III. draagt de raad van de gemeente Loppersum op om binnen zesentwintig weken na verzending van deze uitspraak een bestemmingsplan vast te stellen wat betreft het hiervoor onder II.a. bedoelde onderdeel;

IV. draagt de raad van de gemeente Loppersum op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor onder II.b en II.c bedoelde onderdelen worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Loppersum tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- de vereniging Vereniging Wierdebelangen Stitswerd en anderen tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- Stichting Individuele Studiebegeleiding en [appellant sub 4B] tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- Stichting Agricola en [appellant sub 4B] tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan een door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Loppersum aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de besloten vennootschap Gasunie Transport Services B.V.;

b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de vereniging Vereniging Wierdebelangen Stitswerd en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Individuele Studiebegeleiding en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Agricola en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Steenbergen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

528-808.