Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201410227/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:13536, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2013 heeft het college, voor zover thans nog van belang, aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel [locatie] te Monster (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/804

Uitspraak

201410227/1/A4.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Monster, gemeente Westland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2014 in zaken nrs. 14/531 en 14/3438 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2013 heeft het college, voor zover thans nog van belang, aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel [locatie] te Monster (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 december 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de opgelegde last gewijzigd.

Bij uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 19 januari 2015, 16 maart 2015 en 4 mei 2015 heeft het college besloten tot invordering van een dwangsom tot een hoogte van onderscheidenlijk € 7.500,00, € 2.500,00 en € 2.500,00.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Delft, en ing. J.A. Mol , en het college, vertegenwoordigd door mr. H.D.N. Prevoo, werkzaam bij de gemeente en T.J.E. Lodders LLB, werkzaam bij de Omgevingsdienst Haaglanden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft [appellante] gelast het inzamelen, overslaan, opslaan, bewerken en verwerken van grond op het perceel te staken en gestaakt te houden, voor zover deze grond niet overwegend afkomstig is van en/of overwegend bestemd is voor bedrijven uit de agrarische sector. Het college heeft daarbij overwogen dat deze activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland". Volgens het college wordt het gebruik van het perceel niet beschermd door het overgangsrecht van dit bestemmingsplan, omdat niet is aangetoond dat dit gebruik al plaatsvond voordat het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" in werking trad.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het perceel onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" valt en het college derhalve niet bevoegd was handhavend op te treden. Daartoe voert zij aan dat de door de rechtbank gehanteerde peildatum (16 december 1986) voor het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied" ten aanzien van het gebruik van het perceel, onjuist is. Het bestemmingsplan "Buitengebied" is pas na het doorlopen van het kroonberoep, bij koninklijk besluit van 9 oktober 1989, nr. 89.024472, onherroepelijk geworden. Daarnaast is dit bestemmingsplan bij de tweede partiële herziening op 25 april 1995 gewijzigd, zodat die datum als peildatum voor het overgangsrecht geldt, aldus [appellante]. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 1986, in zaak nr. R03.85.1740 (BR 1987, p. 292) en de uitspraak van de Afdeling van 28 november 1996, in zaak nr. H01.95.0475 (BR 1997, p. 826).

[appellante] betoogt verder dat uit een brief van haar rechtsvoorganger van 18 november 1987, gericht aan het college van burgemeester en wethouders van Monster, moet worden afgeleid dat de omzet van haar bedrijf nog slechts voor een derde deel als agrarisch kan worden gekwalificeerd, zodat het gebruik van het perceel onder het overgangsrecht valt.

2.1. Het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" is op 19 december 2012 vastgesteld en in maart 2013 in werking getreden. Op het perceel rust ingevolge dit plan de bestemming "Bedrijf-Agrarisch Aanverwant Bedrijf". Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het perceel in strijd is met deze bestemming.

2.2. Ingevolge artikel 38, tweede lid, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge het tweede lid, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

2.3. Voordat het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" in werking trad gold het bestemmingsplan "Buitengebied". Ingevolge dit plan rustte op het perceel de bestemming "Agrarische toeleveringsbedrijven, met bijbehorende erven". Niet in geschil is dat het gebruik van het perceel ook in strijd is met deze bestemming.

Ingevolge artikel 65, lid B, onder 1, van de voorschriften bestemmingsplan Buitengebied mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

Voor het bepalen van de peildatum is derhalve van belang wanneer het bestemmingsplan "Buitengebied" in werking is getreden. Onder de destijds geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) was de inwerkingtreding van een bestemmingsplan gekoppeld aan het onherroepelijk worden van het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten.

2.4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de WRO, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het besluit van gedeputeerde staten tot goedkeuring onherroepelijk ten aanzien van die gedeelten van een bestemmingsplan, waartegen bij hen geen bezwaren zijn ingediend en waarop bij hen ingediende bezwaren niet mede betrekking hebben. Gedeputeerde staten omschrijven deze gedeelten in dat besluit en geven deze gedeelten op de tot het plan behorende kaart en in de daarbij behorende voorschriften aan.

2.5. Bij besluit van 16 december 1986 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland gedeeltelijk goedkeuring verleend aan het bestemmingsplan "Buitengebied". In dat besluit is overeenkomstig artikel 29, eerste lid, tweede volzin, van de WRO vermeld dat het besluit onherroepelijk is voor zover het betreft de plankaart, met uitzondering van de daarop met een blauwe en rode lijn aangegeven gedeelten, en de voorschriften, met uitzondering van de onderdelen waaraan goedkeuring is onthouden en van een aantal nader genoemde artikelen. Het perceel en de daarop betrekking hebbende voorschriften vallen niet onder deze uitzonderingen. Gelet hierop is het bestemmingsplan "Buitengebied", voor onder meer het perceel en de daarop betrekking hebbende voorschriften, bij het besluit van 16 december 1986 onherroepelijk geworden. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de peildatum 16 december 1986 is.

Het betoog faalt in zoverre.

2.6. Bij besluit van 25 april 1995 heeft de raad van de voormalige gemeente Monster de tweede partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Bij deze herziening is de bestemming van het perceel als "Agrarische toeleveringsbedrijven, met bijbehorende erven" noch de omschrijving van die bestemming in artikel 9, lid A, van de voorschriften gewijzigd. Voor wat betreft de gronden met deze bestemming is slechts een voorschrift over de inhoud van de dienstwoning gewijzigd. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld is deze herziening dermate beperkt, dat deze niet bepalend kan worden geacht voor de vaststelling van de peildatum ter zake van het gebruik van deze gronden.

De Afdeling merkt hierbij op dat in de uitspraken waarnaar [appellante] verwijst (zie onder 2) geen grond kan worden gevonden voor een ander oordeel. De uitspraak van 28 november 1996 betrof een andere situatie, namelijk een herziening van een bestemmingsplan, waarbij de planvoorschriften in hun geheel in procedure zijn gebracht en in hun geheel opnieuw zijn vastgesteld. Verder is in de uitspraak van 29 oktober 1986 weliswaar overwogen dat een wijziging van de planvoorschriften dient te worden aangemerkt als een herziening van het bestemmingsplan, maar dit betekent niet dat een herziening noodzakelijkerwijs leidt tot verschuiving van de peildatum. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 12 november 2003 in zaak nr. 200206425/1, moet het gaan om rechtens relevante wijzigingen voor de in geding zijnde gronden. Daar is in dit geval geen sprake van.

Het betoog faalt in zoverre.

2.7. De verwijzing naar de onder 2.1 genoemde brief van 18 november 1987 kan niet leiden tot het door [appellante] beoogde doel reeds omdat deze brief, wat ook van de inhoud zij, geen betrekking heeft op het gebruik van het perceel ten tijde van de peildatum van 16 december 1986.

2.8. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het gebruik van het perceel op de peildatum nog niet bestond, zodat het niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied" mocht worden voortgezet. Derhalve heeft de rechtbank terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het gebruik evenmin onder de beschermende werking van artikel 38, tweede lid, onder d, van de regels van het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" mocht worden voortgezet, zodat het college bevoegd was handhavend op te treden.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

4.1. Bij besluiten van 19 januari 2015, 16 maart 2015 en 4 mei 2015 heeft het college besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen tot een hoogte van onderscheidenlijk € 7.500,00, € 2.500,00 en € 2.500,00.

[appellante] heeft geen gronden aangevoerd waarom het college van invordering diende af te zien. Dit betekent dat het beroep tegen die besluiten ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 19 januari 2015, 16 maart 2015 en 4 mei 2015 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

190-720.