Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
201408339/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan ten behoeve van het gebruiken van het pand gelegen aan de [locatie 1] te Biezenmortel (hierna: de woning) als plattelandswoning.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0183
JOM 2015/835
OGR-Updates.nl 2015-0204
M en R 2015/141
Gst. 2015/135
Milieurecht Totaal 2016/6460

Uitspraak

201408339/1/A1.

Datum uitspraak: 29 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 september 2014 in zaak nr. 14/1117 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan ten behoeve van het gebruiken van het pand gelegen aan de [locatie 1] te Biezenmortel (hierna: de woning) als plattelandswoning.

Bij uitspraak van 1 september 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.H. Hartman en M.J.H. Nijhof, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [vergunninghouder], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het perceel [locatie 1] vormde in het verleden gezamenlijk één perceel met het perceel [locatie 2]. Na kadastrale splitsing in de percelen met nummers [locatie 1] en [locatie 2] is de agrarische bedrijfswoning met aangebouwde voormalige veestalling en opslagruimte als zijnde [locatie 1] verkocht aan [vergunninghouder]. Hij gebruikt zijn perceel voor bewoning. De voormalige bedrijfsgronden zijn als [locatie 2] eigendom geworden van [appellant]. Hij exploiteert op zijn perceel een bomenkwekerij.

Vast staat dat de als agrarische bedrijfswoning bestemde woning door [vergunninghouder] in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" op het perceel rustende bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 2" wordt gebruikt voor burgerbewoning. Teneinde dat gebruik te legaliseren heeft [vergunninghouder] op 2 april 2013 een omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van het gebruik van de woning als plattelandswoning. In het besluit van 7 januari 2014 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend. Bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft het college onder meer in aanmerking genomen dat op 1 januari 2013 de "Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wabo en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen)" (hierna: de Wet plattelandswoningen) in werking is getreden.

3. Ingevolge de Wet plattelandswoningen zijn onder meer de artikelen 1.1a en 2.14 van de Wabo, en artikel 11.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer in die zin gewijzigd dan wel toegevoegd dat voor de mate van bescherming die een woning op grond van deze wetten toekomt tegen omliggende agrarische bedrijven niet langer het feitelijk gebruik, maar de planologische status bepalend is. Voorts wordt ten gevolge van de Wet plattelandswoningen in voornoemde wetten onder "plattelandswoningen" agrarische bedrijfswoningen verstaan die tevens door derden mogen worden bewoond en die niet worden beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.

Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, of indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als een onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.

Ingevolge het tweede lid wordt voor de toepassing van het eerste lid onder "landbouwinrichting" verstaan: inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge artikel 2.14, zevende lid, worden bij de toepassing van het eerste lid gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo, de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Ingevolge het tweede lid kan de verklaring slechts in het belang van een goede ruimtelijke ordening worden geweigerd.

Ingevolge het derde lid kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro, pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het tweede lid kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting waarin zijn neergelegd:

a. (…);

b. (…);

c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg;

d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek;

e. (…);

f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was de omgevingsvergunning te verlenen. Daartoe voert hij aan dat het besluit van de raad van de gemeente Haaren van 7 oktober 2010 niet kan worden aangemerkt als een in artikel 6.5, derde lid, van het Bor bedoelde aanwijzing van categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, omdat in dat besluit aan het college een ongeclausuleerde mogelijkheid tot het met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo verlenen van omgevingsvergunningen wordt geboden zonder dat een verklaring van geen bedenkingen is vereist.

4.1. Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals dat is neergelegd in het besluit van de raad van 7 oktober 2010, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien dit in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien dit in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft de raad bepaald dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist voor zover het college het bevoegd gezag is ten aanzien van een aanvraag waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo wordt afgeweken van een bestemmingsplan of een beheerverordening. Daarmee heeft de raad beoogd gebruik te maken van de aan hem in artikel 6.5, derde lid, van het Bor gegeven bevoegdheid om categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een verklaring, als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, niet is vereist.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201310261/1/A1 kan de raad, gelet op de tekst van artikel 6.5, derde lid, van het Bor, categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. Een besluit dat een verklaring van geen bedenkingen nooit is vereist, kan niet worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen. Daarnaast kan de bevoegdheid tot het maken van uitzonderingen als bedoeld in het derde lid van artikel 6.5 van het Bor naar zijn aard niet worden gebruikt om de hoofdregel, als neergelegd in het eerste lid van dit artikel, geheel te ontgaan. De Afdeling is dan ook van oordeel dat een aanwijzing als hier aan de orde in strijd is met artikel 6.5 van het Bor en derhalve onverbindend is. Gelet op het voorgaande is, nu het besluit van de raad van 7 oktober 2010 onverbindend is, een verklaring van geen bedenkingen ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor vereist. Nu deze niet is verleend, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog slaagt.

5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij de omgevingsvergunning behorende tekening van 8 juni 2005 niet de juiste planologische en bouwkundige situatie weergeeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aanwezigheid van naar gesteld illegale bebouwing op het perceel niet afdoet aan de mogelijkheid een omgevingsvergunning te verlenen voor strijdig gebruik van de woning. Dat, naar [appellant] stelt, op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening van 8 juni 2005, waarop onder meer de woning waarop de vergunning betrekking heeft, eveneens zonder daartoe verleende vergunning gerealiseerde bijgebouwen zijn ingetekend, heeft niet tot gevolg dat de omgevingsvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Daarbij is van belang dat in het eveneens bij de omgevingsvergunning behorende ambtelijk advies aan het college van 2 juli 2013 om het gebruik als plattelandswoning toe te staan uitdrukkelijk is opgenomen dat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op het gebruik dat van de bijgebouwen wordt gemaakt en de bij besluit van 7 januari 2014 verleende omgevingsvergunning volgens de tekst daarvan alleen toestemming geeft voor het bewonen van de woning als plattelandswoning.

Nu, zoals hiervoor overwogen, in het advies van 2 juli 2013 is opgenomen dat legalisatie van de verbouwingen en het gebruik van de bijgebouwen niet wordt meegenomen in de omgevingsvergunning en de omgevingsvergunning evenmin betrekking heeft op het gebruik dat van de bijgebouwen wordt gemaakt, heeft de rechtbank eveneens terecht overwogen dat, anders dan [appellant] heeft gesteld, bij de verlening van de omgevingsvergunning niet is afgeweken van het advies aan het college van 2 juli 2013.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen hij in zijn beroepschrift heeft aangevoerd ten aanzien van het ontbreken van de in artikel 5.20, van het Bor gelezen in verbinding met artikel 3.1.6, eerste lid, onder c, d en f, van het Bro bedoelde onderzoeken in de "ruimtelijke onderbouwing omgevingsvergunning bewoning plattelandswoning [locatie 1] te Biezenmortel" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat de ruimtelijke onderbouwing een innerlijke tegenstrijdigheid bevat waaruit blijkt dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het doel van de Wet plattelandswoningen. Hij voert voorts aan dat hij van mening is dat de omgevingsvergunning in strijd is met het provinciaal en gemeentelijk beleid en, meer specifiek, de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant, zodat de omgevingsvergunning een voldoende planologische basis ontbeert.

6.1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 11.3 van de aangevallen uitspraak overwogen dat in hoofdstuk drie van de ruimtelijke onderbouwing aandacht is besteed aan de in artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro bedoelde toelichting. Volgens de rechtbank heeft het college mogen concluderen dat de omgevingsvergunning geen nieuw effect heeft op onder andere de flora en fauna, geurhinder en archeologie en konden die onderzoeken derhalve achterwege blijven. Het betoog van [appellant] mist in zoverre feitelijke grondslag.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet is ingegaan op de vraag of de ruimtelijke onderbouwing een tegenstrijdigheid bevat omdat in de ruimtelijke onderbouwing enerzijds het doel van de Wet plattelandswoningen is opgenomen en anderzijds is opgenomen dat de gevraagde omgevingsvergunning is bedoeld om het huidige bestaande gebruik van de woning voor niet-agrarische bewoning mogelijk te maken, mist evenzeer feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 11.1 van de aangevallen uitspraak overwogen dat het geformuleerde doel van de Wet plattelandswoningen niet uitsluit dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd die er op is gericht het reeds aanwezige gebruik van de woning vast te leggen.

Voor zover [appellant] betoogt dat hij van mening is dat de omgevingsvergunning een onvoldoende planologische basis heeft en dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid en de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant, wordt overwogen dat de rechtbank in rechtsoverweging 11.2 van de aangevallen uitspraak op dit betoog is ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd, waarom de weerlegging van de desbetreffende argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig is. Het aldus aangevoerde kan reeds daarom niet tot vernietiging van die uitspraak leiden. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de omgevingsvergunning in strijd is met het Beleid Plattelandswoning dat op 26 maart 2015 door de raad van de gemeente Haaren is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat dit beleid ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning op 7 januari 2014 niet gold, zodat dit evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanduiding "plattelandswoning" niet voorkomt in het bestemmingsplan noch in de elders binnen de gemeenten Haaren geldende bestemmingsplannen "Correctieve herziening" en "Herziening buitengebied 2014". Volgens hem blijkt daaruit dat de raad van de gemeente Haaren plattelandswoningen planologisch niet aanvaardbaar acht. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat uit de door hem in het aanvullende beroepschrift genoemde uitspraak van 4 juni 2014 in zaak nr. 201308719/1/R2 blijkt dat de gemeenteraad de vraag of een situatie planologisch aanvaardbaar is, reeds bij het vaststellen van het bestemmingsplan moet hebben beantwoord.

7.1. In de door [appellant] genoemde uitspraak van 4 juni 2014 is overwogen dat het vastleggen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door [appellant] genoemde uitspraak betrekking heeft op een andere procedure, te weten de situatie waarin in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, terwijl het college in de onderhavige zaak de omgevingsvergunning heeft verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de omstandigheid dat in het bestemmingsplan geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen op grond waarvan de gevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend, tot gevolg heeft dat de activiteit reeds om die reden in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het er onder de werking van de Wet plattelandswoningen voor moet worden gehouden dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat bij de woning. Hij voert in dit verband onder meer aan dat de door hem gekweekte bomen met regelmaat worden bespoten, terwijl het college met de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning geen rekening heeft gehouden. Bovendien staat het bestemmingsplan er niet aan in de weg staat dat hij zijn perceel verkoopt aan een fruitteler, als gevolg waarvan eveneens rekening moet worden gehouden met spuitzones. Dat is ten onrechte niet gebeurd, aldus [appellant]. Hij voert voorts aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verlening van een omgevingsvergunning een grote inbreuk maakt op het geldende planologisch regime.

8.1. Voor zover [vergunninghouder] zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een beoordeling van de vraag of bij de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (tussenuitspraak van 6 mei 2015 in zaak nr. 201406460/1/R4; www.raadvanstate.nl), wordt met de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning en waarop [appellant] zich beroept, beoogd zowel de belangen van de omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de belangen van agrarische bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Degene die een agrarisch bedrijf voert kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een plattelandswoning over die milieugevolgen, aanvoeren dat in het plangebied vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf, waaronder de geur- en geluidbelasting ter plaatse van de plattelandswoning, geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014 in zaak nr. 201306356/1/R3, r.o. 8.6.2). Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook niet in de weg aan vernietiging van het bij de rechtbank bestreden besluit op die grond.

8.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, brengt de omstandigheid dat een woning onder de werking van de Wet plattelandswoningen valt, niet met zich dat het er voor moet worden gehouden dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 april 2015 in zaak nr. 201309926/1/R1), volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status bepalend te laten zijn voor bescherming tegen milieuhinder. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting. De inrichting wordt op deze manier niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Dit betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het college heeft de door [appellant] gestelde effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning niet nader onderzocht. Dat in de ruimtelijke onderbouwing is opgenomen dat wordt voldaan aan de richtafstanden die zijn opgenomen in de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" (hierna: VNG-brochure) uit 2009 gehanteerd, is onvoldoende aangezien de VNG-brochure geen richtlijnen geeft voor een aan te houden afstand bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelt.

Het betoog slaagt.

9. Voor zover [appellant] in het hogerberoepschrift heeft verwezen naar de door hem in beroep aangevoerde gronden, wordt overwogen dat de rechtbank op de daarin genoemde gronden in de overwegingen van de aangevallen uitspraak is ingegaan. [appellant] heeft in het hogerberoepschrift, behoudens hetgeen hierboven is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Het aangevoerde kan reeds daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

10. De conclusie is dat het besluit van 7 januari 2014 is genomen in strijd met artikel 6.5, derde lid, van het Bor en 3:46 van de Awb.

11. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in de rechtsoverwegingen 4.2 en 8.2 geconstateerde gebreken in het besluit van 7 januari 2014 binnen zestien weken te herstellen door een nieuw besluit te nemen en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Het college hoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb.

12. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Haaren op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

1. het besluit van 7 januari 2014 te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 11;

2. de uitkomst aan de Afdeling en partijen mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Driel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2015

414-724.