Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201504277/2/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het college aan de Stichting Viattence omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van zorgwoningen op het perceel Sint Antonieweg 4 te Epe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201504277/2/A1.

Datum uitspraak: 17 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te Epe,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 april 2015 in zaken nrs. 14/8346, 14/8347, 14/8396, 14/8428 en 14/8977 in het geding tussen onder meer:

[partij A] en [partij B],

[verzoekers],

[partij C],

[partij D]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het college aan de Stichting Viattence omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van zorgwoningen op het perceel Sint Antonieweg 4 te Epe.

Bij uitspraak van 28 april 2015 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de door [partij A] en [partij B], [verzoekers], [partij C] en [partij D] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben onder meer [verzoekers] hoger beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 juli 2015, waar [verzoeker A], bijgestaan door mr. S.H.J. Buitenkamp, advocaat te Epe, en het college, vertegenwoordigd door D.D. Scarse Msc, A. Oostwoud en G. Leijssenaar, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens verschenen de Stichting, vertegenwoordigd door H.I. Van der Wijk en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. M.M.H. van Kuijk, [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. S.H.J. Buitenkamp, advocaat te Epe, [partij D], vertegenwoordigd door mr. S.H.J. Buitenkamp, advocaat te Epe, en [partij C].

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het verzoek van [verzoekers] strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning tot in de hoofdzaak uitspraak is gedaan. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat de Stichting met de voorbereidende werkzaamheden is begonnen, en indien met de bouwwerkzaamheden zal worden begonnen, een onomkeerbare situatie zal ontstaan.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum Epe" rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijk" met de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft daarom met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het bouwplan in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning verleend.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wro van toepassing is.

Ingevolge het derde lid kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

4. Bij besluit van 25 november 2010 heeft de raad van de gemeente Epe besloten :

Alle projecten waarvoor ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo toepassing gegeven wordt aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wabo, aan te wijzen als categorie van gevallen waarvoor geen verklaringen van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist tegen de afgifte van de omgevingsvergunning, tenzij:

[…]

- Sprake is van het oprichten (m.u.v. woningen, zie hierboven) of uitbreiden van een bouwwerk met meer dan 1500 m²

[…].

5. [verzoekers] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan valt onder één van de categorieën die zijn aangewezen in het besluit van de raad van 25 november 2010 en daarom een verklaring van geen bedenkingen was vereist. Zij voeren daartoe aan dat bij de berekening van de oppervlakte gekeken moet worden naar de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende binnenruimten. Nu deze bruto vloeroppervlakte meer is dan 1.500 m² was een verklaring van geen bedenkingen van de raad vereist en is het besluit van 22 oktober 2014, nu die verklaring niet is verleend, in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor.

5.1. Dit betoog geeft geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans uiteindelijk zal blijken dat de omgevingsvergunning niet mocht worden verleend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat op voorhand geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist, nu de oppervlakte van de begane grond van het voorziene gebouw 798 m² bedraagt. De rechtbank heeft in dat verband van belang kunnen achten dat het college bij het berekenen van de oppervlakte heeft kunnen uitgaan van de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Dat, zoals [verzoekers] aanvoeren, de raad van de gemeente op 12 maart 2015 een amendement heeft aangenomen en heeft besloten het besluit van 25 november 2010 in die zin te wijzigen dat voor (bouw)projecten - ten behoeve van nieuwbouw en of uitbreiding - voor zakelijke, maatschappelijke en recreatieve doeleinden tot een maximale bruto vloeroppervlakte van 1.500 m² conform NEN 2580 geen verklaring van geen bedenkingen is vereist, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is op voorhand van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat moet worden uitgegaan van de tekst van het besluit van 25 november 2010. Hierbij wordt van belang geacht dat uit het door [verzoekers] overgelegde verslag van de raadsvergadering van 12 maart 2015 niet kan worden afgeleid dat, zoals zij stellen, de raad heeft beoogd de tekst van het besluit van 25 november 2010 te verduidelijken en de wijziging met terugwerkende kracht door te voeren.

6. De overige door [verzoekers] aangevoerde gronden, die zien op de ruimtelijke onderbouwing, het welstandsadvies en alternatieve locaties, bieden naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter eveneens onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans uiteindelijk zal blijken dat geen omgevingsvergunning mocht worden verleend.

7. Gelet op het vorenstaande, en de belangen van de Stichting bij realisering van het bouwplan, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt, ook als een verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Troostwijk

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2015

473.