Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201409225/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:5649, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, ingewilligd en haar uitstel van vertrek verleend voor de duur van een jaar, met ingang van 14 april 2014 tot 14 april 2015.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/248

Uitspraak

201409225/1/V3.

Datum uitspraak: 13 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2014 in zaak nr. 14/13264 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, ingewilligd en haar uitstel van vertrek verleend voor de duur van een jaar, met ingang van 14 april 2014 tot 14 april 2015.

Bij besluit van 23 mei 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste en enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de gedragslijn van de staatssecretaris om een aanvraag van een vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen niet eerder in te willigen dan met ingang van de datum van het inwilligingsbesluit, is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, de staatssecretaris ter motivering van het besluit van 23 mei 2014 heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar dit beleid, en dat van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb geen sprake is, omdat de door de vreemdeling als bijzonder aangevoerde omstandigheid reeds bij de vaststelling van het beleid is betrokken.

Daartoe voert de vreemdeling, samengevat weergegeven, aan dat het onverkort vasthouden aan het beleid in haar geval leidt tot een verblijfsgat en dat het langer duurt voordat zij in aanmerking kan komen voor de in artikel 3.46, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) opgenomen vrijstelling, terwijl zij tijdig een opvolgende aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000, tegelijk met een (volledig) ingevulde toestemmingsverklaring en een brief van haar behandelend arts, heeft ingediend en zij geen rechtstreeks invloed op de duur van de besluitvorming kan uitoefenen, nu deze afhankelijk is van het door het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) aan de staatssecretaris uit te brengen medisch advies. Aldus wordt afbreuk gedaan aan het doel en de strekking van artikel 3.46, vierde lid, van het Vb 2000, aldus de vreemdeling.

2. Volgens paragraaf A3/7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze sinds de inwerkingtreding van het besluit van de staatssecretaris van 18 maart 2014, nr. WBV 2014/8, houdende wijziging van de Vc 2000 (Stcrt. 2014, nr. 8487; hierna: het WBV 2014/8) luidt en voor zover thans van belang, deelt de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling, onder verwijzing naar het medisch advies van het BMA, schriftelijk mede dat de periode waarvoor uitstel van vertrek wordt verleend aanvangt op de datum van de beschikking waarbij de Immigratie- en Naturalisatiedienst artikel 64 van de Vw 2000 toepast.

In de toelichting op voormelde paragraaf is in het WBV 2014/8 het volgende vermeld:

"Voorts wordt in deze paragraaf neergelegd dat de staatssecretaris als ingangsdatum van artikel 64 van de Vw 2000 de datum van het inwilligende beslissing hanteert. Dit is een vaste gedragslijn die nu formeel in het beleid wordt vastgelegd. Aanleiding hiervoor zijn de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 6 februari 2014 (waaronder 201306759/1/V1) waarin de Afdeling concludeert dat deze gedragslijn niet onredelijk is, maar dat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ter motivering van een besluit niet met verwijzing naar een gedragslijn kan volstaan als deze niet in een beleidsregel is neergelegd. Met deze aanpassing wordt hieraan gevolg gegeven".

2.1. Bij besluit van 3 april 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend van 3 april 2013 tot en met 3 april 2014. Op 28 januari 2014 heeft de vreemdeling verzocht om verlenging van het verleende uitstel van vertrek, welk verzoek bij besluit van 14 april 2014 door de staatssecretaris, na advisering van het BMA op 8 april 2014, is ingewilligd.

2.2. In het onder 2. weergegeven beleid is geen rekening gehouden met situaties als hier aan de orde, waarin uitsluitend als gevolg van aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden een verblijfsgat ontstaat.

Nu een vreemdeling aan wie tenminste een jaar aaneengesloten uitstel van vertrek is verleend krachtens artikel 64 van de Vw 2000 in aanmerking kan komen voor de in artikel 3.46, vierde lid, van het Vb 2000 opgenomen vrijstelling, leidt toepassing van het beleid in situaties als hier aan de orde tot onevenredige gevolgen. De doelstelling van het beleid is immers slechts het tegengaan van het stapelen van perioden van artikel 64 van de Vw 2000 teneinde voor een reguliere vergunning op medische gronden in aanmerking te komen. Daarvan is hier geen sprake. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat voormeld beleid in dit geval buiten toepassing dient te worden gelaten.

De grief slaagt derhalve.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 23 mei 2014 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2014 in zaak nr. 14/13264;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 23 mei 2014, V-nr. 272.753.1204;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00 (zegge: veertienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2015

53.