Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201505178/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:2330, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied omgevingsvergunning verleend voor natuurinrichting op percelen die gelegen zijn tussen de Smaragdstraat en de Beldershoekweg te Enschede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505178/2/A1.

Datum uitspraak: 13 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) van 19 mei 2015 in zaken nrs. 14/1400 en 14/1401 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied omgevingsvergunning verleend voor natuurinrichting op percelen die gelegen zijn tussen de Smaragdstraat en de Beldershoekweg te Enschede.

Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juli 2015, waar [appellant] en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. Hassink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij uit de publicatie van het besluit niet heeft kunnen opmaken dat er een wandelpad direct langs zijn tuin zou worden aangelegd, dat inkijk in zijn tuin mogelijk maakt. Volgens hem vormt het wandelpad een aantasting van zijn persoonlijke levenssfeer, nu het pad slecht is aangelegd en zich regelmatig wandelaars in zijn tuin bevinden. Het wandelpad heeft een zodanige negatieve invloed, dat hij slecht kan recupereren van zijn werk in de gezondheidszorg, aldus [appellant]. Hij betoogt verder dat zowel het college als de rechtbank integriteitsschendingen hebben begaan als bedoeld in het rapport "Aard en omvang van integriteitsschendingen binnen de Nederlandse overheid" van het Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector, door oneerlijke informatie te verstrekken en met twee maten te meten.

2.1. Vast staat dat [appellant] eerst op 24 februari 2014 en derhalve na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 juni 2013.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het geschil zich beperkt tot de vraag of het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten.

2.2. De aanvraag om omgevingsvergunning is door het college in overeenstemming met artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) op 1 mei 2013 in het huis-aan-huisblad zomede op de gemeentelijke website www.enschede.nl gepubliceerd onder de rubriek "A Ingediende aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit(en):" met de omschrijving "Stadsdeel West" en "Smaragdstraat tot Beldershoekweg (V-2013-1986): omvorming van agrarische grond naar natuur in het kader van de uitvoering van het herinrichtingsplan Enschede-Zuid (ingediend d.d. 23 april 2013)".

Niet in geschil is verder dat het besluit van 19 juni 2013 overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bekendgemaakt door toezending van het besluit aan de Dienst Landelijk Gebied. Verder heeft het college in overeenstemming met artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo mededeling gedaan van het besluit in het huis-aan-huisblad, zomede op de gemeentelijke website, onder de rubriek "B Verleende omgevingsvergunning(en) reguliere procedure" met de omschrijving "Stadsdeel West" en "Smaragdstraat tot Beldershoekweg (V-2013-1986): natuurinrichting Smaragdstraat tot Beldershoekweg (verleend d.d. 19 juni 2013)".

2.3. De rechtbank heeft [appellant] terecht niet gevolgd in zijn betoog dat de zakelijke inhoud van zowel de aanvraag als het besluit niet in voldoende mate is weergegeven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan hieruit immers worden opgemaakt dat omgevingsvergunningplichtige activiteiten zullen plaatsvinden in het omschreven gebied. Niet is vereist dat alle afzonderlijke activiteiten waarin de omgevingsvergunning voorziet, worden vermeld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de publicaties voldoende informatie bevatten om te kunnen beoordelen of het wenselijk was om de op het gemeentehuis ter inzage gelegde stukken te gaan inzien en eventueel naar aanleiding daarvan bezwaar te maken tegen het besluit. Het lag op de weg van [appellant] om zich ervan te vergewissen op welke percelen de voorziene natuurinrichting precies betrekking had en of er voor hem aanleiding bestond bezwaar te maken tegen het besluit.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat het college dan wel de rechtbank zich schuldig hebben gemaakt aan integriteitsschendingen.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college de overschrijding van de bezwaartermijn door [appellant] terecht niet verschoonbaar heeft geacht, nu redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] niet in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.

w.g. Borman w.g. Van den Berg

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2015

651.