Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201410079/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting aan de [locatie] te Deurne voor zover de aangevraagde activiteiten plaatsvinden op het voor metaalrecycling bestemde deel van het perceel gemeente Deurne, sectie […], nummer […]. Het college heeft de gevraagde vergunning voor het overige geweigerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/752

Uitspraak

201410079/1/A4.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Deurne,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2014 heeft het college aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting aan de [locatie] te Deurne voor zover de aangevraagde activiteiten plaatsvinden op het voor metaalrecycling bestemde deel van het perceel gemeente Deurne, sectie […], nummer […]. Het college heeft de gevraagde vergunning voor het overige geweigerd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

[appellante] heeft een aanvullend stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. drs. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Deurne, mr. T.A.G. Vermeulen, [twee gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Aanvraag en bestemmingsplan

2. [appellante] heeft vergunning gevraagd voor een inrichting voor het inzamelen, opslaan, sorteren, mechanisch bewerken en verhandelen van ferro en non-ferro metaalrestanten op het perceel gemeente Deurne, sectie [...], nummer [...]. Het voorste gedeelte van dit perceel heeft in het geldende bestemmingsplan ‘Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied’ de bestemming ‘Niet-agrarische bedrijven‘ met nadere aanduiding ‘Metaalrecycling’. Het achterste gedeelte van dit perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch - 3’.

Uitspraak van 26 februari 2014

3. Bij besluit van 8 maart 2013 heeft het college de door [appellante] gevraagde vergunning geweigerd wegens strijd met het geldende bestemmingsplan. Bij uitspraak van 26 februari 2014 in zaak nr. 201303634/1/A4 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd. De Afdeling heeft hiertoe overwogen dat een gevraagde revisievergunning niet wegens strijd met het bestemmingsplan kan worden geweigerd, voor zover ten aanzien van de activiteiten waarop die vergunning betrekking heeft bestaande rechten gelden.

Bestreden besluit

4. Het college stelt in het bestreden besluit dat de aangevraagde activiteiten op het voorste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan. In zoverre is er volgens het college daarom geen reden om de vergunning te weigeren.

De aangevraagde activiteiten op het achterste gedeelte van dit perceel zijn volgens het college in strijd met het geldende bestemmingsplan. De aangevraagde activiteiten leiden tot een grotere strijdigheid met het geldende bestemmingsplan dan in de reeds vergunde situatie en er zijn voorzieningen aanwezig, zoals verhardingen en keerwanden, waarvoor geen aanlegvergunning of bouwvergunning is verleend en die gezien de strijdigheid met het bestemmingsplan ook niet verleend kunnen worden, aldus het college. Daarnaast beschikt [appellante] volgens het college voor deze activiteiten niet over bestaande rechten. Weliswaar is bij besluit van 4 juni 1997 een milieuvergunning verleend voor een inrichting voor de op- en overslag van materialen en recyclebare afvalstoffen van de groene lijst, waartoe onder meer ferro en non-ferrometalen behoren, maar deze vergunning ziet niet op activiteiten die plaatsvinden op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], aldus het college. Dit heeft het college aanleiding gegeven de aangevraagde vergunning voor het overige te weigeren.

Wettelijk kader

5. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning onder meer worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2.

Beroepsgronden

6. Voor zover [appellante] aanvoert dat het college ten onrechte heeft geweigerd vergunning te verlenen voor de aangevraagde activiteiten die plaatsvinden op de strook grond ten zuiden van het perceel sectie [...], nummer [...], mist het betoog feitelijke grondslag, nu uit de bij de aanvraag om vergunning gevoegde tekening blijkt dat alleen vergunning voor activiteiten op het perceel sectie [...], nummer [...], is gevraagd.

7. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte de aangevraagde activiteiten heeft geweigerd voor zover deze plaatsvinden op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...].

[appellante] voert hiertoe aan dat de aangevraagde activiteiten, bestaande uit de opslag van materialen, op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], niet in strijd met het geldende bestemmingsplan zijn, omdat het om bestaand gebruik gaat dat onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. [appellante] wijst er in dit verband op dat in de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014 in zaak nr. 201307690/1/A1 is overwogen dat de opslag van materialen op de strook grond ten zuiden van het perceel sectie [...], nummer [...], bestaand gebruik betreft dat valt onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan dat geldt voor het buitengebied van de gemeente Deurne. Volgens [appellante] volgt hieruit dat de opslag van materialen op het achterste gedeelte van het perceel nummer [...], sectie [...], ook bestaand gebruik betreft, nu dit gebruik ook reeds geruime tijd plaatsvindt. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [appellante] onder meer een foto overgelegd van 15 maart 2001 waaruit volgens haar blijkt dat op deze datum het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummers 543, reeds werd gebruikt voor opslag. Ter zitting heeft [appellante] gesteld dat op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...] geen bouwwerken aanwezig zijn, zodat ook in zoverre geen strijd met het bestemmingsplan bestaat.

Daarnaast voert [appellante] aan dat ook wanneer de aangevraagde activiteiten op het achterste gedeelte van dit perceel wel in strijd zouden zijn met het geldende bestemmingsplan dit geen reden is om de vergunning te weigeren, omdat zij voor deze activiteiten over bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer beschikt. In dit verband wijst [appellante] erop dat uit de aanvraag om de vergunning van 4 juni 1997, het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport van 15 oktober 1996 en uit het besluit tot verlening van deze vergunning blijkt dat vergunning is verleend voor het gehele perceel sectie [...], nummer [...]. Weliswaar is de opslag van materialen op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...] niet ingetekend op de bij deze vergunning behorende tekening, maar dit komt omdat opslag ten tijde van het verlenen van deze vergunning niet als een milieu relevante activiteit werd aangemerkt, aldus [appellante].

7.1. Uit de aanvraag om de vergunning van 4 juni 1997 en het besluit tot verlening van deze vergunning blijkt, anders dan [appellante] stelt, niet dat vergunning is verleend voor het verrichten van activiteiten op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...]. Op de bij deze aanvraag gevoegde tekening zijn geen activiteiten vermeld die plaatsvinden op het achterste gedeelte van het terrein. Ook in het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport van 15 oktober 1996 is geen rekening gehouden met activiteiten die op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...] plaatsvinden. Het college is er daarom terecht vanuit gegaan dat [appellante] niet over bestaande rechten beschikt als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer voor de opslag van materialen op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...].

7.2. De uitspraak van 10 september 2014 in zaak nr. 201307690/1/A1 ziet op de uitspraak van de rechtbank op het beroep van [appellante] tegen het handhavingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne ten aanzien van het gebruik van [appellante] van de strook grond ten zuiden van het perceel sectie [...], nummer [...]. In de genoemde uitspraak is ervan uitgegaan dat de opslag van materialen op de strook grond ten zuiden van het perceel sectie [...], nummer [...], bestaand gebruik betreft dat onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan ‘Partiële herziening buitengebied’ valt. Dit bestemmingsplan gold voor inwerkingtreding van het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan ‘Tweede herziening bestemmingsplan buitengebied’. In het laatst genoemde bestemmingsplan is ook overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bestaand gebruik. De uitspraak van 10 september 2014 en de door [appellante] overgelegde foto van 15 maart 2001 geven aanleiding voor het vermoeden dat de opslag van materialen op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], wellicht ook bestaand gebruik betreft dat onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan valt en er in zoverre door verlening van de vergunning geen strijd met het bestemmingsplan ontstaat. Niet gebleken is dat het college heeft onderzocht of de opslag van materialen op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], bestaand gebruik betreft. Daarnaast is bovendien onduidelijk welke bouwwerken zich op het achterste gedeelte van het perceel bevinden. Weliswaar noemt het college in het bestreden besluit de aanwezigheid van keerwanden, maar deze worden niet specifiek genoemd in de aanvraag om vergunning. Ook hierom staat niet vast dat door verlening van de vergunning voor activiteiten op het achterste gedeelte van het perceel strijd met het bestemmingsplan ontstaat. Het college heeft het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

8. Het beroep is gegrond. Het besluit van 4 november 2014 dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het college de vergunning voor de aangevraagde activiteiten op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], heeft geweigerd.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 4 november 2014 voor zover het college de vergunning voor de aangevraagde activiteiten op het achterste gedeelte van het perceel sectie [...], nummer [...], heeft geweigerd;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Schoppers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

578.