Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201500170/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9573, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201500170/1/V6.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2014 in zaak nr. 14/552 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Günes, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, toetsen.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

3. Bij besluit van 3 juni 2009 heeft de staatssecretaris een eerste aanvraag van [appellant] van 14 januari 2008 om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. Aan deze afwijzing heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Volgens de staatssecretaris is [appellant] in de periode van 2001 tot en met 2006 betrokken geweest bij het, soms met gebruikmaking van dwang, inzamelen van geld ten behoeve van de terroristische organisatie Devrimci Halk Kurtulus Partisi/Cephesi (hierna: de DHKP/C). Daarbij heeft de staatssecretaris zich gebaseerd op een individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 26 februari 2009, kenmerk 4017638/01 (hierna: het ambtsbericht). Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Bij uitspraak van 14 april 2011 in zaak nr. 09/2976 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. Bij besluit van 9 augustus 2012 heeft de staatssecretaris een tweede aanvraag van [appellant] van 2 augustus 2011 om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. Bij besluit van 20 maart 2013 heeft hij dit gehandhaafd. Aan de afwijzing heeft de staatssecretaris wederom ten grondslag gelegd dat [appellant] wegens zijn betrokkenheid bij de DHKP/C een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De staatssecretaris heeft zich gebaseerd op het ambtsbericht en een proces-verbaal van de hoofdinspecteur van politie van 9 januari 2013 (hierna: het proces-verbaal), dat is opgemaakt in het kader van de Wet ter voorkoming van Witwassen en Financieren van Terrorisme. In het proces-verbaal staat, samengevat weergegeven, dat [appellant] op 7 november 2005, 12 en 14 januari 2006, 28 april 2006, 15 oktober 2007, 13 december 2007 en 20 en 23 april 2010 verdachte transacties heeft verricht, dat bij deze transacties personen zijn betrokken die te herleiden zijn tot de DHKP/C, en dat uit de gegevens het beeld naar voren komt dat [appellant], in de periode waarin deze transacties plaatsvonden, contacten heeft onderhouden met personen die aantoonbare contacten hebben met of onderdeel uitmaken van de DHKP/C.

5. Het besluit van 9 augustus 2012 is van gelijke strekking als dat van 3 juni 2009, zodat daarop het onder 1 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Volgens [appellant] heeft hij dit wel gedaan. Daartoe voert hij het volgende aan. De conclusies in het ambtsbericht en het proces-verbaal zijn onjuist. Het ambtsbericht is niet actueel. De tegengeworpen activiteiten zien op de periode van 2001 tot 2006. Ten onrechte is de rehabilitatieperiode, bedoeld in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), niet in acht genomen. Het tijdsverloop sinds het besluit van 3 juni 2009 dient in acht te worden genomen.

6.1. Hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht over het ambtsbericht en de rehabilitatieperiode, kan niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. De staatssecretaris heeft het ambtsbericht reeds ten grondslag gelegd aan zijn besluit van 3 juni 2009. [appellant] heeft de inhoud van het ambtsbericht aan de orde kunnen stellen in een procedure tegen dit besluit. Nu dit besluit thans onherroepelijk is, dient in deze procedure van de juistheid van het ambtsbericht te worden uitgegaan. De rehabilitatieperiode is van toepassing in een situatie dat een verzoeker een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of jegens hem ten uitvoer is gelegd. Die situatie doet zich hier niet voor. De weigering is gebaseerd op ernstige vermoedens dat [appellant] een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk.

Uitgaande van voormelde besluiten van 4 augustus 2009 en 20 maart 2013, is in dit geval sprake van een tijdsverloop van drie jaar en ruim zeven maanden. Gelet op de aard van de activiteiten die [appellant] zijn tegenworpen, is op voorhand uitgesloten dat dit enkele tijdsverloop kan afdoen aan het besluit van 3 juni 2009. Daar komt bij, dat de tegengeworpen activiteiten worden bevestigd door het proces-verbaal. Geen aanleiding wordt gezien om niet van de juistheid van het proces-verbaal uit te gaan. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe nopen dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, die een rechterlijke toetsing van het besluit van 20 maart 2013 rechtvaardigen.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

404.