Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201409550/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan, overslaan en bewerken van oud ijzer, gereinigde oude olietanks, oude metalen en autowrakken aan de [locatie 1] te Alphen aan den Rijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/751

Uitspraak

201409550/1/A4.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2014 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer het opslaan, overslaan en bewerken van oud ijzer, gereinigde oude olietanks, oude metalen en autowrakken aan de [locatie 1] te Alphen aan den Rijn.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2015, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door E.L.M. van Oostrum en ir. L.P.M. Hertsig, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [belanghebbende], gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. [appellant] heeft tegen het bestreden besluit op eigen naam beroep ingesteld. Eerst bij brief van 27 december 2014, bij welke brief hij de gronden van het beroep heeft aangevuld, heeft hij gesteld dat het beroep mede namens 25 omwonenden en de leden van de Bewonerscommissie van de Stromenwijk is ingediend.

Het beroep, voor zover ingesteld door de 25 omwonenden en de leden van de Bewonerscommissie van de Stromenwijk, is na afloop van de termijn van zes weken ingediend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de 25 omwonenden en de leden van de Bewonerscommissie van de Stromenwijk niet in verzuim zijn geweest. Gelet hierop is het beroep, voor zover door hen ingesteld, niet-ontvankelijk.

Overgangsbepaling Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

3. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. [vergunninghoudster] heeft vóór 1 oktober 2010 een vergunningaanvraag ingediend. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Geluidhinder - langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

4. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het bij de vergunningaanvraag behorende akoestisch rapport ‘[vergunninghoudster] Akoestisch onderzoek Wet milieubeheer’, versie 1, van DHV B.V. van 12 februari 2010, waarop de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn gebaseerd, berust op onjuiste uitgangspunten. Hij stelt dat het knippen van zwaar schroot met de alligatorschaar en/of de vaste schrootschaar ten onrechte niet is meegenomen in de berekeningen.

4.1. In het akoestisch rapport van 12 februari 2010 is vermeld dat de alligatorschaar die in een hal op het terrein van de inrichting is opgesteld gezien de geringe bronsterkte en de beperkte bedrijfstijd niet relevant is voor de totale geluidbelasting vanwege de inrichting. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de schaar op de op het buitenterrein van de inrichting geplaatste kraan, die tevens de benaming alligatorschaar heeft, als bron 28 is betrokken in de akoestische berekeningen. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vaste schrootschaar niet voor het knippen van zwaar schroot kan worden gebruikt. Niet is gebleken dat dit door het college ingenomen standpunt onjuist is.

Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het akoestisch rapport van 12 februari 2010 in zoverre op onjuiste uitgangspunten berust.

5. [appellant] betoogt verder dat het akoestisch rapport van 12 februari 2010 niet op de juiste uitgangspunten berust, omdat geen toeslag van 5 dB vanwege het optreden van impulsachtig geluid binnen de inrichting is toegepast. Het onderzoek naar het karakter van geluid dient volgens [appellant] niet op subjectieve wijze plaats te vinden, maar door middel van apparatuur die meet en registreert. Verder ontbreekt volgens hem een document waaruit volgt dat de personen die het onderzoek naar impulsachtig geluid hebben verricht hierin bekwaam waren. [appellant] betoogt dat in zijn tuin geluidmetingen zijn verricht waaruit volgt dat zich impulsachtig geluid voordoet. Bij deze metingen zijn verschillende malen personen, werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland en de politie, aanwezig geweest, die hebben vastgesteld dat het gemeten geluid afkomstig is van de inrichting van [vergunninghoudster], aldus [appellant]. Hij wijst ter onderbouwing van dit standpunt onder meer op een door hem overgelegde plot van een geluidmeting uit 2007 die is voorzien van een handtekening van iemand die werkzaam is bij de Omgevingsdienst. Daarnaast wijst [appellant] op een door hem overgelegde brief van 16 mei 2007 van Ardea Acoustics & Consult en de notitie ‘Notitie: Beoordeling geluidproductie [vergunninghoudster]’ van Sonus B.V. van 6 mei 2015, in welke stukken naar aanleiding van de hiervoor genoemde plots wordt gesteld dat daaruit kan worden afgeleid dat zich geluid met een impulsachtig karakter voordoet.

5.1. In de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) is vastgelegd op welke wijze impulsachtig geluid moet worden vastgesteld. Daarin is dit geluid gedefinieerd als geluid met een op het beoordelingspunt (binnen het aldaar aanwezige geluid) duidelijk waarneembaar impulskarakter, waarbij de waarneembaarheid van het impulskarakter op subjectieve wijze wordt vastgesteld. In geval van impulsachtig geluid dient er op het langtijdgemiddelde deelgeluidsniveau vanwege de gehele inrichting een toeslag van 5 dB in rekening te worden gebracht, zo vermeldt de Handleiding.

5.2. Het college heeft onderzocht of zich als gevolg van het in werking zijn van de inrichting bij de dichtst bij de inrichting gelegen woningen geluid met een impulsachtig karakter voordoet. Dit is door twee medewerkers van de provincie Zuid-Holland op 31 oktober 2009, op het moment dat de inrichting representatief in werking was, met het gehoor beoordeeld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de als bijlage 1 bij de bij het bestreden besluit verleende vergunning gevoegde notitie ‘Notitie N.09.onderzoek impulsgeluid [vergunninghoudster]. [vergunninghoudster] te Alphen aan de Rijn’. Ten aanzien van beoordelingspunt A, ter plaatse van de woningen [locatie 2] – [locatie 3], ter hoogte van de woning van [appellant], is geconcludeerd dat zich geen impulsachtig geluid voordoet.

5.3. Gezien de Handleiding moet, anders dan [appellant] stelt, het zich voordoen van impulsachtig geluid niet door middel van metingen worden vastgesteld, maar door op subjectieve wijze plaatsvindende waarnemingen. Het impulsachtig geluid dient, zo is ook in de Handleiding vermeld, duidelijk hoorbaar te zijn bij de ontvanger. Niet gebleken is dat de medewerkers van de provincie Zuid-Holland die het onderzoek hebben verricht hiertoe niet bekwaam waren. Geen verplichting bestaat tot het overleggen van een document waaruit die bekwaamheid volgt.

[appellant] heeft het geluid in zijn tuin niet op subjectieve wijze waargenomen, maar door middel van metingen. Bovendien zijn bij de door [appellant] verrichte geluidmetingen alle geluiden in de omgeving gemeten. Uit de door [appellant] overgelegde plots van de door hem verrichte geluidmetingen kan dan ook niet worden afgeleid dat de op de plots zichtbare pieken zijn veroorzaakt door de inrichting van [vergunninghoudster] Verder heeft [appellant] zijn stelling dat de door hem genoemde personen aanwezig waren bij de geluidmetingen en hebben vastgesteld dat impulsachtig geluid afkomstig was van de inrichting van [vergunninghoudster] niet aan de hand van stukken onderbouwd. Een plot van een geluidmeting met daarop een handtekening is onvoldoende. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de brief van Ardea Acoustics & Consult en de notitie van Sonus B.V. zijn gebaseerd op de door [appellant] verstrekte gegevens en niet op eigen waarneming.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het college zich ten

onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich bij de woning van [appellant] geen geluid met een impulsachtig karakter voordoet afkomstig van de inrichting van [vergunninghoudster]

6. Gezien het voorgaande geven de betogen van [appellant] over het akoestisch rapport van 12 februari 2010 geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport, wat het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau betreft, berust op onjuiste uitgangspunten. Deze betogen falen.

Geluidhinder - maximale geluidniveau

7. [appellant] betoogt dat de in vergunningvoorschrift 9.3 opgenomen geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau niet naleefbaar zijn. Hij wijst ter onderbouwing van dit standpunt op de akoestische rapporten van M+P, raadgevende ingenieurs B.V. van 28 januari 2009 en 6 juni 2012 die in opdracht van het college zijn opgesteld. Verder stelt hij dat in de berekeningen van het maximale geluidniveau vanwege de inrichting ten onrechte niet handelingen met zwaar schroot zijn betrokken. Voorts stelt hij dat de wijze waarop de naleving van dit voorschrift door het bevoegd gezag wordt gecontroleerd niet effectief is, omdat geen geluidmetingen worden verricht op de momenten dat [vergunninghoudster] veel geluid veroorzaakt.

7.1. In vergunningvoorschrift 9.3 zijn de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau opgenomen. Deze geluidgrenswaarden zijn gebaseerd op het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport van 12 februari 2010. Het college stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat in het verleden in het kader van een handhavingstraject hogere geluidniveaus zijn gemeten, zoals neergelegd in de door [appellant] genoemde rapporten, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de berekende maximale geluidniveaus, met de in de aanvraag voorziene geluidreducerende maatregelen, niet kloppen. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om dit standpunt onjuist te achten. Verder heeft het college, onder verwijzing naar de in het akoestisch rapport van 12 februari 2010 opgenomen voetnoot bij tabel 3, toegelicht dat handelingen met zwaar schroot wel in de geluidberekeningen zijn betrokken. [appellant] heeft dit niet inhoudelijk bestreden. Ook voor het overige heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de in vergunningvoorschrift 9.3 opgenomen geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau niet naleefbaar zijn.

Voor zover [appellant] betoogt dat de wijze waarop de naleving van vergunningvoorschrift 9.3 wordt gecontroleerd niet effectief is, overweegt de Afdeling dat dit een aspect van handhaving betreft, hetgeen in deze procedure over vergunningverlening niet aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt verder dat het college in strijd met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening heeft nagelaten te motiveren waarom bij het bestreden besluit geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn gesteld van 75 dB(A).

8.1. In vergunningvoorschrift 9.3 zijn de voor de inrichting geldende grenswaarden voor het maximale geluidniveau opgenomen. De hoogst gestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau bedraagt 70 dB(A). Gelet hierop mist dit betoog van [appellant] feitelijke grondslag.

Geluidhinder - laden van schroot in schepen

9. Voorts kan [appellant] zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 9.4, waarin is bepaald dat voor het laden van schroot in een schip hogere grenswaarden gelden dan de in vergunningvoorschrift 9.2 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de representatieve bedrijfssituatie. Hij stelt dat het college voor het laden van schroot in een schip ten onrechte afwijkende grenswaarden heeft gesteld, omdat deze activiteit vergelijkbaar is met het laden van schroot in een vrachtwagen, welke activiteit wel tot de representatieve bedrijfssituatie wordt gerekend.

9.1. De inrichting ligt op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bij de beoordeling van het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij een dergelijke inrichting is doorslaggevend of aan de hierover in artikel 8.8 van de Wet milieubeheer gestelde bepalingen wordt voldaan. Dit laat overigens onverlet dat het college in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer beoordelingsvrijheid toekomt om lagere geluidgrenswaarden dan de zonegrenswaarden aan de vergunning te verbinden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2006 in zaak nr. 200505054/1).

9.2. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder.

Ingevolge het vierde lid neemt het bevoegd gezag, in afwijking van het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag voor een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht.

9.3. Voor het industrieterrein is een geluidreductieplan vastgesteld. Ter beoordeling staat dus, gelet op artikel 8.8 van de Wet milieubeheer, of de voor het laden van schroot in schepen in vergunningvoorschrift 9.4 gestelde grenswaarden meebrengen dat het geluidreductieplan niet in acht wordt genomen. Dat, zoals [appellant] betoogt, zowel het laden van schroot in schepen als het laden van schroot in vrachtwagens tot de representatieve bedrijfssituatie moet worden gerekend, is hierbij niet van belang.

Gesteld noch gebleken is dat met de in vergunningvoorschrift 9.4 gestelde grenswaarden het geluidreductieplan niet in acht wordt genomen.

Het betoog van [appellant] geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de in vergunningvoorschrift 9.4 gestelde grenswaarden voor het laden van schroot in een schip onrechtmatig zijn.

10. [appellant] betoogt tot slot dat in de bij het bestreden besluit verleende vergunning voor het laden van schroot in schepen ten onrechte geen meldplicht is opgenomen.

10.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het, gezien de geringe toename van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tijdens de bedoelde werkzaamheden, niet nodig is in de vergunning, naast een registratieplicht, een meldplicht op te nemen op grond waarvan het laden van schroot in schepen vooraf aan het college kenbaar moet worden gemaakt. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid kon afzien van het opnemen van een meldplicht in de vergunning.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

11. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door anderen dan [appellant], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

262-684.