Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:2296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
201407926/1/R3 en 201401410/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij het beweerdelijk genomen besluit van 15 oktober 2013 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Nieuwe Vesting" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld (hierna: besluit hogere waarden).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/697

Uitspraak

201407926/1/R3 en 201401410/1/R3.

Datum uitspraak: 22 juli 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Bergen op Zoom,

en

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

2. de raad van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerders.

Procesverloop

Bij het beweerdelijk genomen besluit van 15 oktober 2013 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Nieuwe Vesting" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld (hierna: besluit hogere waarden).

Bij besluit van 21 november 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuwe Vesting" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen beide besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 1 juni 2015, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], het college, vertegenwoordigd door W. van Empel, werkzaam bij de gemeente, en de raad, vertegenwoordigd door drs. G.C. Peters-Kosters en B. Melles, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor de ontwikkeling van een binnenstedelijk woongebied ten noordwesten van het stadscentrum van Bergen op Zoom en omvat grotendeels het zogenoemde Nedalco-terrein. Vanwege wegverkeers- en industrielawaai ter plaatse van de woningen die het plan mogelijk maakt, is tevens beoogd hogere waarden vast te stellen.

Het besluit hogere waarden

2. [appellant] stelt dat het besluit hogere waarden geen dagtekening bevat en ook niet is vermeld op de openbare besluitenlijsten van het college, zodat dit besluit niet is genomen.

2.1. De Afdeling stelt vast dat het dossier een document bevat met de titel "beschikking hogere waarde Wet geluidhinder", dat is ondertekend door het college. Ook bevat het dossier een zogenoemd parafenbesluit, waarop de datum 15 oktober 2013 staat. Deze documenten in onderlinge samenhang beziend, stelt de Afdeling vast dat het besluit hogere waarden op 15 oktober 2013 is genomen. Het betoog faalt. Overigens kan uit de omstandigheid dat het besluit hogere waarden niet op de openbare besluitenlijst van het college van 15 oktober 2013 staat vermeld, niet worden afgeleid dat het besluit niet op die datum is vastgesteld.

3. [appellant] voert aan dat het besluit hogere waarden ten onrechte niet ter kennis is gebracht op de in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorgeschreven wijze en dat het besluit hem ook niet is medegedeeld als bedoeld in die afdeling. Deze beroepsgronden gaan over mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit. De Afdeling toetst het bestreden besluit aan de hand van de feiten die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De mogelijke onregelmatigheden waar [appellant] op wijst, kunnen dus niet worden betrokken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kunnen derhalve reeds daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de artikelen 45 en 83 van de Wgh niet als wettelijke grondslag voor de vaststelling van het besluit hogere waarden kunnen dienen. Verder is volgens hem niet aangetoond dat bedrijven geluidruimte hebben ingeleverd, zijn de hogere grenswaarden ten onrechte niet per woning vastgesteld, is niet aan de registratieplicht voldaan en zijn de effecten van de samenloop van verschillende geluidbronnen ten onrechte niet onderzocht. Voorts voert hij aan dat de noodzaak voor het vaststellen van hogere waarden niet is aangetoond en dat de hogere grenswaarden zullen worden overschreden door cumulatie van geluidbronnen.

4.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.2. De hoofdstukken V en VI van de Wgh bevatten een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone rond een industrieterrein of een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein of de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

De regelingen in de Wgh strekken ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege het industrieterrein of de weg maximaal mag optreden. [appellant] woont op het perceel [locatie] in de directe omgeving van de te bouwen woningen. Hij is geen eigenaar van een van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld, en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de voorziene woningen. Onder de omstandigheden die zich hier voordoen strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant]. De Afdeling wijst in dit verband op de uitspraak van 27 juni 2012 in zaak nr. 201111824/1/R4 en de uitspraak van 16 oktober 2013, nrs. 201300837/1/R1 en 201302394/1/R1. Gelet hierop kan hetgeen [appellant] aanvoert over de Wgh niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het besluit hogere waarden ongegrond.

Het bestemmingsplan

Intrekking beroepsgrond

6. Ter zitting heeft [appellant] de beroepsgrond dat de Interimwet stad-en-milieubenadering onjuist is toegepast, ingetrokken.

Toetsingskader

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Procedureel

8. Over het betoog van [appellant] dat het plan te laat is vastgesteld, overweegt de Afdeling als volgt. Het ontwerpplan heeft van 3 juni 2013 tot 15 juli 2013 ter inzage gelegen en is op 21 november 2013 vastgesteld. Derhalve is de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gestelde termijn voor het vaststellen van een bestemmingsplan binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging van het ontwerpplan overschreden. Uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan echter worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het betoog faalt.

9. [appellant] voert verder aan dat het plan te laat is bekend gemaakt. Deze beroepsgrond gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Zoals de Afdeling hierboven onder 3 heeft overwogen in het kader van het beroep van [appellant] tegen het besluit hogere waarden, kunnen mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

Omvang van het inhoudelijke beroep tegen het bestemmingsplan

10. Voor zover [appellant] zich met zijn betoog richt tegen de aanleg van de randweg Zuid-west en de ontwikkeling van het woningbouwcomplex Vissershaven, overweegt de Afdeling dat het plan geen betrekking heeft op deze buiten het plangebied gelegen ruimtelijke ontwikkelingen. Het betoog faalt.

11. Voor zover [appellant] met zijn opmerking dat ten onrechte twee bestemmingsplannen gelden voor zijn perceel heeft willen betogen dat hij zich er niet mee kan verenigen dat het noordelijke deel van zijn perceel is betrokken bij het voorliggende plan, terwijl voor het zuidelijke deel het bestemmingsplan "Geertruidapolder" van kracht is, overweegt de Afdeling als volgt. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het perceelgedeelte van [appellant] dat onder het bestemmingsplan "Geertruidapolder" valt, voor verkeer is bestemd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij de plangrens heeft laten samenvallen met de grens tussen dat plandeel en het plandeel met de woonbestemming voor de rest van het perceel van [appellant].

Het betoog faalt.

Rechtszekerheid

12. [appellant] betoogt dat de globale opzet van het plan rechtsonzeker is en dat het college teveel ruimte wordt gelaten om het plan naar eigen goeddunken uit te werken. [appellant] vreest onder meer dat zijn woning volledig zal worden ingebouwd. Nu de raad een gefaseerde uitwerking voor ogen staat, is het volgens hem van nog meer belang dat het bestemmingsplan duidelijkheid biedt wat betreft de toekomstige ontwikkeling van het plangebied.

[appellant] betoogt voorts dat de hogere waarden die het college bij het besluit hogere waarden heeft vastgesteld, in strijd met de rechtszekerheid niet in het plan zijn opgenomen.

12.1. De raad stelt dat voor de ontwikkeling van het woongebied een flexibel plan wenselijk is, zodat hij heeft gekozen voor een globaal plan met uit te werken gebieden. Het stedenbouwkundige raamwerk van het plangebied wordt bepaald door de ontsluiting en door het water. Dit is in het plan vastgelegd. De verdere invulling van de woongebieden, die tussen de ontsluiting en het water zijn gesitueerd, komt pas aan de orde bij de uitwerkingsplannen.

12.2. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan grotendeels een globaal plan met de uit te werken bestemming "Wonen - Uit te werken" betreft. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die nog moeten worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

Zoals de raad terecht heeft gesteld, zijn de ontsluitingsstructuur en de waterstructuur in het plan vastgelegd. Voorts zijn in artikel 9, lid 9.2, van de planregels voorwaarden opgenomen waaraan het college bij de uitwerking van de globale woonbestemming dient te voldoen. Zo mogen als hoofdgebouw uitsluitend woningen worden gebouwd en zijn ten hoogste 600 woningen bij recht en daarnaast ten hoogste 60 woningen bij afwijkingsbevoegdheid toegestaan. Verder is een maximale bouwhoogte van 14 m en bij afwijkingsbevoegdheid een maximale bouwhoogte van 20 m toegestaan. Door middel van specifieke aanduidingen zijn voor een aantal locaties bouwhoogten van maximaal 20 m en 25 m toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling is met de uitwerkingsregels voldoende inzicht gegeven in de toekomstige ontwikkeling van het betrokken gebied. Dat de raad in de omstandigheid dat het gebied gefaseerd zal worden ontwikkeld, geen aanleiding heeft gezien om met de uitwerkingsregels meer inzicht te bieden in de toekomstige ontwikkeling van het gebied dan hij heeft gedaan, acht de Afdeling niet onredelijk. Gelet op de uitwerkingsregels en nu geluidwerende voorzieningen en groenvoorzieningen binnen de uit te werken bestemming zijn toegestaan, maakt het plan verschillende uitwerkingen mogelijk die in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Voorts acht de Afdeling van belang dat het door het college vast te stellen uitwerkingsplan dient te voldoen aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening en dat belanghebbenden zoals [appellant] tegen een dergelijk uitwerkingsplan rechtsmiddelen kunnen aanwenden. Gelet op het voorgaande is het plan vanuit het oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar. Dat [appellant] ter zitting heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2007, in zaak nr. 200607771/1 leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling heeft ook in die zaak beoordeeld of de doelstellingen van het plan en de uitwerkingsregels voldoende inzicht bieden in de toekomstige ontwikkeling van het plangebied en kwam daarbij tot de conclusie dat de uitwerkingsregels voldoende inzicht boden in de toekomstige ontwikkeling van het aldaar betrokken gebied.

Het betoog faalt.

12.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen over het beroep tegen het besluit hogere waarden, dient ook hetgeen [appellant] in het kader van zijn beroep tegen het bestemmingsplan heeft aangevoerd over de bij het besluit van het college vastgestelde hogere waarden buiten inhoudelijke bespreking te blijven.

Beschermd stadsgezicht

13. [appellant] betoogt dat het plan teveel woningen en te hoge gebouwen mogelijk maakt. Dit sluit volgens hem niet aan bij het beeld in het westelijk stadsdeel en is in strijd met het beschermd stadsgezicht.

13.1. De raad stelt dat de stedenbouwkundige structuur van het havenkwartier wordt doorgetrokken naar het plangebied. Ook de negentiende-eeuwse singelstructuur krijgt een plaats in het stedenbouwkundig plan. Het versterken van deze structuren betreft volgens de raad voornamelijk de openbare ruimte. De beeldregie voor de nieuwbouw wordt nader vormgegeven in de uitwerkingsplannen. Hiervoor ligt in het plan nadrukkelijk geen blauwdruk, aldus de raad.

13.2. Het plangebied is mede bestemd voor "Waarde - Cultuurhistorie".

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aan deze gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden in verband met de ligging binnen het aangewezen Beschermd Stadsgezicht.

Ingevolge lid 12.2 geldt op de in lid 12.1 bedoelde gronden in afwijking van en in aanvulling op het elders in deze regels bepaalde ten aanzien van het bouwen krachtens de andere voorkomende bestemmingen het volgende: de regels laten onverlet hetgeen met betrekking tot monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 en/of Monumentenverordening 2006, bij of krachtens die wet en verordening is bepaald.

Ingevolge lid 12.3 kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.2, voor zover het betrokken bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan en mede strekt tot behoud of versterking van de aanwezige historisch-ruimtelijke en cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht. Hieronder wordt tevens begrepen dat kan worden toegestaan dat de op de plankaart aangegeven hoogte van een gebouw wordt veranderd door toevoeging van een extra verdieping indien voorheen een extra bouwlaag aanwezig is geweest zoals blijkt uit een te verrichten bouwhistorisch onderzoek.

13.3. Niet in geschil is dat het plangebied deel uitmaakt van een beschermd stadsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988. De raad heeft het plangebied vanwege dit beschermd stadsgezicht mede bestemd voor het behoud van cultuurhistorische waarden. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een negentiende-eeuwse schil. Volgens de plantoelichting is de bescherming van dit deel van het beschermd stadsgezicht gericht op consolidatie van de historische context. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij het vaststellen van de maximale bouwhoogten hiermee rekening is gehouden door de maximale bouwhoogten aan te laten sluiten bij die van het aangrenzende stadsdeel. Ten behoeve van een aantal appartementencomplexen is weliswaar voorzien in een grotere bouwhoogte, maar een gemêleerd straatbeeld past juist bij de historische context en bij stedelijk bouwen, aldus de raad. Ter zitting is naar voren gebracht dat in het aangrenzende stadsdeel ook hoogteaccenten aanwezig zijn, zoals de zogenoemde Peperbus (de kerktoren), andere traditionele torens en patriciërswoningen. [appellant] heeft met zijn enkele stelling dat de stedenbouwkundige visie van de raad een onjuiste is, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de in het plan opgenomen bouwhoogten, die deze stedenbouwkundige opzet mogelijk maken, afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarden die de aanwijzing als beschermd stadsgezicht beoogt te beschermen. Voorts ziet de Afdeling in de enkele verwijzing van [appellant] naar het boek "Het bestemmingsplan 2011, een juridisch bestuurlijke inleiding in de ruimtelijke ordening" van mr. M.J. Tunnissen onvoldoende grond voor het oordeel dat het aantal woningen dat het plan mogelijk maakt in strijd is met het beschermd stadsgezicht. Het betoog faalt.

Gezondheid / woon- en leefklimaat toekomstige bewoners

14. [appellant] betoogt dat het plan, gelet op de gezondheidsscreening (hierna: GES), knelpunten bevat voor diverse milieuaspecten, zodat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Hiertoe wijst hij met name op geluidhinder vanwege wegverkeer die het Maximaal Toelaatbaar Risico overschrijdt. Voorts wijst hij op luchtverontreiniging ter plaatse van de Van Konijnenburgweg. Volgens hem worden op een te korte afstand van deze weg woningen mogelijk gemaakt.

14.1. Voor de tekst van artikel 8:69a van de Awb en de bedoeling van de wetgever met dit artikel, wordt verwezen naar overweging 4.1.

14.2. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij met dit betoog opkomt voor de gezondheid van, en een goed woon- en leefklimaat voor, toekomstige bewoners van de nieuwbouw waarvoor het plan een juridisch-planologisch kader biedt. Dit belang waarvoor [appellant] stelt op te komen is niet zijn eigen belang. Gelet hierop beroept [appellant] zich in zoverre op aspecten van de norm van een goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, die kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb, hiervoor vermeld onder 4.1, kan hetgeen [appellant] aanvoert over de gezondheid van, en een goed woon- en leefklimaat voor, toekomstige bewoners naar het oordeel van de Afdeling niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd.

Gebruiks- en bouwmogelijkheden

15. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen kantoor- of bedrijfsbestemming aan zijn perceel is toegekend. Voorts wenst hij een hoger bijgebouw, een hogere erfafscheiding en een schuine kap op zijn woning te kunnen realiseren, hetgeen het plan nu niet toestaat.

15.1. De raad stelt dat de planregeling toereikend is voor het huidige gebruik van de woning en dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen concreet initiatief bekend was waarvoor andere gebruiks- of bouwmogelijkheden zouden zijn vereist.

15.2. Aan het perceel van [appellant] zijn de bestemming "Wonen", de aanduidingen "erf" en "vrijstaand" toegekend. Gelet op artikel 8, leden 8.1 en 8.2, onder f, van de planregels zijn beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten in of bij de woning van [appellant] in bepaalde mate toegelaten en gelet op lid 8.2, onder d, mag het hoofdgebouw van een kap worden voorzien. Voorts mogen, gelet op het bepaalde onder g, bijbehorende bouwwerken worden opgericht ter plaatse van de gronden met de aanduiding "erf". Voor aaneengebouwde bijbehorende bouwwerken is de maximaal toegestane goothoogte gelijk aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 30 cm tot een maximum van 4 m en voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken geldt een maximale bouwhoogte van 5 m. De maximale bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt 1 m en bedraagt voor overige erfafscheidingen 2 m. [appellant] heeft het standpunt van de raad dat de regeling in het bestemmingsplan toereikend is voor het huidige gebruik van de woning niet weersproken. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant] geen concrete plannen heeft voor bouwen of voor een ander gebruik van deze woning. Voorts was gelet op artikel 11, tweede lid, in samenhang gelezen met lid 3.1, aanhef en onder a, sub 3, van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan het gebruik van het binnen het wijzigingsgebied IV gelegen perceel voor kantoren niet bij recht toegestaan, maar pas na wijziging van de bestemming "Toekomstig woongebied" in kantoren. [appellant] heeft niet betwist dat deze bestemming niet is gewijzigd ten behoeve van kantoren. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de bouw- en gebruiksmogelijkheden die in het plan voor deze woning zijn opgenomen. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

16. [appellant] betoogt dat het plan gelet op de benodigde bodemsanering en de gefaseerde ontwikkeling van de woongebieden niet uitvoerbaar is.

16.1. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit de GES en paragraaf 5.6 van de plantoelichting volgt dat de bodem in het plangebied licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen, PAK en minerale olie en dat de bodem voorafgaande aan de ontwikkeling van het plan dient te worden gesaneerd. Ter zitting is komen vast te staan dat besluiten zijn genomen ten behoeve van deze sanering. Het is de verwachting dat de sanering volgens deze besluiten zal plaatsvinden. [appellant] heeft dit niet weersproken. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging in het plangebied op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat er reeds van voldoende belangstelling uit de markt is gebleken om deze woningen te realiseren. [appellant] heeft dit onvoldoende weersproken. De Afdeling ziet daarom in hetgeen op dit punt is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de omstandigheid dat het woongebied in twee fasen zal worden gerealiseerd, aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Belangenafweging

17. [appellant] betoogt dat zijn belangen niet zijn betrokken bij de vaststelling van het plan. Zo had de raad voor de inpassing van zijn woning in ieder geval de maximaal toegestane bouwhoogte in de directe nabijheid van zijn perceel dienen te beperken tot 9 m, had de raad dienen te voorzien in een bepaalde afstand tussen zijn perceel en de beoogde nieuwbouw en in een groenstrook die tevens een afschermend en geluidwerend effect kan sorteren. Het financiële belang bij de herontwikkeling van het Nedalco-terrein heeft volgens [appellant] de besluitvorming gedomineerd en hieraan is een te groot gewicht toegekend. Het plan is daarom in strijd met het verbod op vooringenomenheid, het verbod van détournement de pouvoir en het gelijkheidsbeginsel vastgesteld.

17.1. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat hij met zijn betoog over schending van genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur bedoelt dat ten onrechte uitsluitend financiële belangen een rol hebben gespeeld in de belangenafweging. De raad heeft ter zitting bevestigd dat het financiële belang mede een rol heeft gespeeld in de ruimtelijke belangenafweging en heeft dit nader toegelicht. De Afdeling overweegt dat aan het toekennen van bestemmingen planologische motieven ten grondslag dienen te liggen. Dat uitsluitend financiële belangen een rol zouden hebben gespeeld bij het vaststellen van het bestemmingsplan is niet aannemelijk gemaakt.

De raad heeft gesteld dat de belangen van [appellant] voldoende bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Wat de bouwhoogte van 9 m in de directe nabijheid van de woning van [appellant] betreft, acht de raad het, gezien het stedelijke karakter van de omgeving, niet wenselijk om uitsluitend laagbouw toe te staan. Verder is het volgens de raad de bedoeling om een weg met een berm te realiseren tussen de woning van [appellant] en de nieuwbouw, zodat een bepaalde afstand tot zijn woning in acht zal worden genomen. Voor zover [appellant] aanvoert dat ten behoeve van de inpassing van zijn woning zo spoedig mogelijk een groenstrook dient te worden aangelegd, overweegt de Afdeling dat dit een aspect van uitvoering betreft dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen van [appellant] onvoldoende bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Het betoog faalt.

17.2. Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van zijn woning, heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Herhaling zienswijze

18. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

19. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het bestemmingsplan ongegrond.

Het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

20. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan heeft vastgesteld, omdat niet is gebleken dat de kosten van de grondexploitatie anderszins zijn verzekerd.

20.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen het besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 8.2, vierde lid, van de Wro wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

20.2. Het beroep van [appellant] is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. De Afdeling overweegt dat indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, [appellant] bij de desbetreffende delen niet als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. Daartoe is van belang dat [appellant] geen eigenaar is van gronden in het exploitatiegebied. Evenmin heeft hij een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, van de Wro gesloten met betrekking tot gronden in dat gebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van bedoelde delen van een exploitatieplan, kan [appellant] evenmin worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot het niet vaststellen van een exploitatieplan. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2013, voor zover hierbij is besloten om geen exploitatieplan vast te stellen,

niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2013, waarbij hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld, ongegrond;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 november 2013, voor zover hierbij het bestemmingsplan "Nieuwe Vesting" is vastgesteld, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kooijman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015

177-813.